Fiat Scudo 2006 Handleiding

Fiat Personenwagen Scudo 2006

Lees hieronder de 📖 handleiding in het Nederlandse voor Fiat Scudo 2006 (210 pagina's) in de categorie Personenwagen. Deze handleiding was nuttig voor 86 personen en werd door 2 gebruikers gemiddeld met 4.5 sterren beoordeeld

Pagina 1/210
FIAT
SCUDO
603.81.143 NL
INSTRUCTIEBOEK
Geachte cliënt,
Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat SCUDO.
Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten van deze auto volledig te laten benutten.
Wij raden u aan alle hoofdstukken door te lezen voordat u voor de eerste keer met de auto gaat rijden. Dit instructieboekje bevat
informatie, tips en aanwijzingen die u zullen helpen de technische kwaliteiten van uw Fiat SCUDO volledig te benutten.
Wij raden u aan om de aanwijzingen en tips bij de symbolen onderaan de pagina aandachtig te lezen:
veiligheid van de inzittenden;
conditie van de auto;
bescherming van het milieu.
In de de “Service- en garantiehandleiding” vindt u naast het schema voor het geprogrammeerd onderhoud:
het garantiecertificaat en de bijbehorende voorwaarden
een overzicht van de speciale aanvullende service voor cliënten.
Veel leesplezier en goede reis!
Hoewel in dit instructieboekje alle uitvoeringen van de Fiat SCUDO beschreven worden, dient u zich aan
de informatie te houden met betrekking tot de uitrusting, de motoruitvoering en het model van de auto die
u gekocht hebt.
ABSOLUUT LEZEN!
K
BRANDSTOF TANKEN
Tank uitsluitend diesel voor motorvoertuigen conform de Europese specificatie EN590.
Het gebruik van andere producten of mengsels kan de motor onherstelbaar beschadigen en het vervallen van de garan-
tie tot gevolg hebben.
MOTOR STARTEN
Controleer of de handrem is aangetrokken; zet de versnellingspook in vrij; trap het koppelingspedaal volledig in, maar
trap het gaspedaal niet in; draai vervolgens de start-/contactsleutel in stand Men wacht tot de waarschuwingslampjes
Y
en
m
doven; draai de start-/contactsleutel in stand Den laat de sleutel los zodra de motor aanslaat.
PARKEREN BOVEN BRANDBARE MATERIALEN
Onder normale bedrijfsomstandigheden bereikt de katalysator hoge temperaturen. Parkeer daarom niet boven gras,
droge bladeren, dennennaalden of ander brandbaar materiaal: brandgevaar.
BESCHERMING VAN HET MILIEU
De auto is uitgerust met een diagnosesysteem, dat continu controles uitvoert op de componenten die van invloed zijn
op de uitlaatgasemissie zodat overmatige vervuiling van het milieu wordt voorkomen.
ELEKTRISCHE APPARATUUR
Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren die stroom verbruiken (waardoor de accu langzaam kan ont-
laden), wendt u dan tot de Fiat-dealer. Deze kan controleren of de elektrische installatie van de auto geschikt is voor
het extra stroomverbruik.
CODE-card
Bewaar deze op een veilige plaats, maar niet in de auto. Wij raden u aan de elektronische code van de CODE-card
altijd bij u te hebben.
GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD
Bedenk dat een goed onderhoud van de auto de beste manier is om de prestaties en de veiligheid van de auto gedu-
rende langere tijd te garanderen. Daarbij wordt ook het milieu ontzien en blijven de exploitatiekosten laag.
IN HET INSTRUCTIEBOEKJE....
…vindt u informatie, tips en belangrijke waarschuwingen voor het juiste gebruik, veilig rijden en het onderhoud van
uw auto. Let vooral op de symbolen
"
(veiligheid van de inzittenden)
#
(bescherming van het milieu) !(conditie van
de auto).
4
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
DASHBOARD EN BEDIENING ...................................... 5
SYMBOLEN ........................................................................... 6
FIAT CODE .......................................................................... 6
DE SLEUTELS ....................................................................... 7
DIEFSTALALARM ................................................................ 10
START-/CONTACTSLOT ................................................ 12
INSTRUMENTENPANEEL ................................................ 13
INSTRUMENTEN ................................................................ 14
DISPLAY.................................................................................. 16
TRIP COMPUTER................................................................. 17
STOELEN INSTELLEN ....................................................... 18
HOOFDSTEUNEN ............................................................. 23
STUURWIEL ......................................................................... 24
SPIEGELS ................................................................................ 25
VERWARMING EN VENTILATIE ................................... 27
HANDBEDIENDE AIRCONDITIONING .................... 31
AUTOMATISCHE TWEEZONE-
AIRCONDITIONING ........................................................ 37
DRIEZONE-AIRCONDITIONING.................................. 45
BUITENVERLICHTING ..................................................... 47
RUITEN REINIGEN ............................................................ 50
CRUISE-CONTROL ........................................................... 54
PLAFONDVERLICHTING ................................................ 55
BEDIENINGSORGANEN ................................................... 56
BRANDSTOFNOODSCHAKELAAR ............................. 59
INTERIEURUITRUSTING................................................... 60
PORTIEREN .......................................................................... 64
ROLHOES VOOR AFDEKKEN BAGAGERUIMTE ..... 68
RUITBEDIENING ................................................................ 69
MOTORKAP ......................................................................... 71
IMPERIAAL/SKIDRAGER ................................................... 72
WIELOPHANGING MET LUCHTVERING................... 73
AANWIJZINGEN VOOR HET LADEN ......................... 74
KOPLAMPEN ....................................................................... 76
ABS .......................................................................................... 77
ESP-SYSTEEM ........................................................................ 79
EOBD-SYSTEEM .................................................................. 83
PARKEERSENSOREN ......................................................... 84
AUTORADIO ....................................................................... 85
EXTRA ACCESSOIRES ...................................................... 86
TANKEN MET DE FIAT SCUDO ................................... 87
BESCHERMING VAN HET MILIEU ................................ 88
DD
DDAA
AASS
SSHH
HHBB
BBOO
OOAA
AARR
RRDD
DD
EE
EENN
NN
BB
BBEE
EEDD
DDII
IIEE
EENN
NNII
IINN
NNGG
GG
DASHBOARD
De aanwezigheid en de opstelling van de bedieningsknoppen, de instrumenten en de controlelampjes kunnen per uitvoering ver-
schillen.
1. Verstelbare luchtroosters zijkant - 2. Vaste luchtroosters zijkant - 3. Linker hendel: bediening buitenverlichting -
4. Instrumentenpaneel - 5. Rechter hendel: bediening ruitenwissers, achterruitwisser, trip computer - 6. Bedieningsknoppen op
het dashboard - 7. Verstelbare luchtroosters midden - 8. Frontairbag passagierszijde (indien aanwezig) - 9. Dashboardkastje -
10. Autoradio (indien aanwezig) - 11. Bedieningsknoppen verwarming/ventilatie/airconditioning - 12. Bedieningshendel
cruise-control (indien aanwezig) - 13. Frontairbag bestuurderszijde - 14. Hendel stuurwielverstelling
5
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
F0P0001m
fig. 1
6
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
SYMBOLEN
Op of in de nabijheid van enkele onder-
delen van uw auto zijn plaatjes met een
bepaalde kleur aangebracht, met daarop
symbolen die uw aandacht vragen en die
voorzorgsmaatregelen aangeven die u in
acht moet nemen als u met het
betreffende onderdeel te maken krijgt.
FIAT CODE
Voor een nog betere bescherming tegen
diefstal is de auto uitgerust met een
elektronische startblokkering. Het sys-
teem schakelt automatisch in als de
start-/contactsleutel wordt uitgenomen.
In iedere sleutel zit een elektronische
component gemonteerd die bij het star-
ten van de motor een signaal ontvangt
via een speciale antenne die in het start-/
contactslot is ingebouwd. Het signaal
wordt bij het starten omgezet in een
gecodeerd signaal en vervolgens aan de
regeleenheid van de Fiat CODE gezon-
den, die, als de code wordt herkend, het
starten van de motor mogelijk maakt.
Bij krachtige stoten kunnen
de elektronische componen-
ten in de sleutel beschadigd
worden.
WERKING
Als u bij het starten van de motor de
sleutel in stand Mdraait, dan stuurt het
Fiat CODE-systeem een code naar de
regeleenheid van de motor die, als de
code wordt herkend, de blokkering van
de functies opheft.
De code wordt alleen verzonden als de
regeleenheid van het Fiat CODE-systeem
de door de sleutel verzonden code heeft
herkend.
Iedere keer als u de contactsleutel in
stand Szet, schakelt de Fiat CODE de
functies van de elektronische regeleen-
heid van de motor uit.
In dat geval raden wij u aan de sleutel in
stand Sen vervolgens in stand Mte draai-
en; als de motor geblokkeerd blijft, pro-
beer het dan opnieuw met de andere
geleverde sleutels. Als de motor nog niet
aanslaat, wendt u dan tot de Fiat-dealer.
BELANGRIJK Elke sleutel heeft een
eigen code, die in de regeleenheid van
het systeem moet worden opgeslagen.
Voor het opslaan van nieuwe sleutels
(maximaal acht) moet u zich tot de Fiat-
dealer wenden.
7
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
SLEUTEL MET AFSTANDSBE-
DIENING fig. 3
De metalen baard Abevindt zich in de
handgreep en dient voor:
het start-/contactslot;
de sloten van de portieren;
het ont-/vergrendelen van de tank-
dop.
Druk op het knopje Bvoor het uitklap-
pen van de metalen baard.
Ga voor het inklappen als volgt te werk:
houd de knop Bingedrukt en ver-
plaats de metalen baard A;
laat de knop Blos en draai de meta-
len baard Atotdat hij op de juiste
wijze is ingeklapt en vergrendeld.
DE SLEUTELS
CODE-CARD fig. 2
Bij de auto worden twee sleutels gele-
verd en de CODE-card waarop staat
aangegeven:
Ade elektronische code;
Bde mechanische code van de sleu-
tels die bij aanvraag van duplicaat-
sleutels aan de Fiat-dealer moet
worden overhandigd.
Wij raden u aan de elektronische code
van de CODE-card A-fig. 2 altijd bij u te
hebben.
BELANGRIJK Om schade aan de elek-
tronische schakelingen in de sleutels te
voorkomen, mogen de sleutels niet aan
directe zonnestraling worden blootge-
steld.
Als de auto wordt verkocht,
moeten alle sleutels en de
CODE-card overhandigd wor-
den aan de nieuwe eigenaar.
fig. 2 F0P0003m fig. 3 F0P0004m
8
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
Dead Lock
Als u de knop
op de afstandsbediening
(indien aanwezig) twee keer binnen vijf
seconden indrukt, schakelt het dead
lock-systeem in (supervergrendeling van
de portieren).
Als het dead lock-systeem wordt inge-
schakeld, gaan de richtingaanwijzers
ongeveer twee seconden branden.
Het dead lock-systeem verhindert de
bediening van de handgrepen aan de bin-
nen- en buitenzijde van de portieren.
Druk de knop B alleen in
als de sleutel ver genoeg
van het lichaam (speciaal de ogen)
en van voorwerpen die snel bescha-
digen (bijvoorbeeld kledingstukken)
is verwijderd. Laat de sleutel nooit
onbeheerd achter. Hiermee voor-
komt u dat iemand (dit geldt in het
bijzonder voor kinderen) per onge-
luk op de knop drukt.
ATTENTIE
Informatie van het lampje op het
dashboard
Als u de portieren vergrendelt, gaat het
lampje A-fig. 4 knipperen (bewakings-
functie).
Als u de portieren vergrendelt en een of
meerdere portieren zijn niet goed geslo-
ten, dan gaat op het instrumentenpaneel
het lampje 9branden.
fig. 4 F0P0006m
Knop
ª
dient voor het ontgrendelen
van de portieren en de achterklep
(indien aanwezig).
Knop
dient voor het vergrendelen van
de portieren en de achterklep (indien
aanwezig).
Als de portieren worden ontgrendeld,
wordt de interieurverlichting een
bepaalde tijd ingeschakeld.
Zorg dat er geen personen
in de auto zijn als de super-
vergrendeling is ingeschakeld.
ATTENTIE
BELANGRIJK Als het dead lock-systeem
vanuit het interieur van de auto is inge-
schakeld, moet u voor de enkelvoudige
vergrendeling van de portieren de
motor starten.
9
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
Batterij vervangen van de sleutel
met afstandsbediening
Ga voor het vervangen van de batterij
als volgt te werk:
open met behulp van een schroeven-
draaier de twee helften A en B-fig. 6
op het door de pijl fig. 5 aangegeven
punt;
verwijder en vervang de batterij
C-fig. 6;
plaats de twee helften weer terug en
controleer of ze goed vastzitten.
Lege batterijen zijn schade-
lijk voor het milieu. Ze moe-
ten in daarvoor bestemde
containers worden gedepo-
neerd of kunnen ingeleverd worden
bij de Fiat-dealer, die voor de verwer-
king zorgt.
fig. 5 F0P0007m fig. 6 F0P0008m
Extra afstandsbedieningen bestellen
Het systeem kan maximaal 8 afstandsbe-
dieningen herkennen. Als u in de loop
der tijd een nieuwe afstandsbediening
nodig hebt, kunt u zich tot een Fiat-
dealer wenden. Neem dan de CODE-
card, een identiteitsbewijs en het kente-
kenbewijs mee.
10
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
MECHANISCHE SLEUTEL fig. 7
De metalen baard zit vast aan de sleutel.
De sleutel dient voor:
het start-/contactslot;
de sloten van de portieren;
het ont-/vergrendelen van de tank-
dop.
fig. 7 F0P0009m
DIEFSTALALARM
(indien aanwezig)
Als de auto is uitgerust met het diefstal-
alarm, zijn er twee soorten beveiligingen:
omtrekbeveiliging (alarm wordt inge-
schakeld als een voor- of achterpor-
tier wordt geopend);
volumetrische beveiliging (alarm
wordt ingeschakeld bij beweging in
het interieur van de auto).
Alarm uitschakelen
Zie voor het uitschakelen van het alarm,
de paragraaf “Bedieningsorganen” in dit
hoofdstuk.
11
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
Hieronder worden alle met de sleutel in te schakelen functies samengevat (met en zonder afstandsbediening):
Type sleutel
Mechanische sleutel
Sleutel met afstandsbediening
Knipperen richtingaanwijzers
(alleen met sleutel
met afstandsbediening)
Ontgrendelen
sloten
Sleutel linksom
draaien
(bestuurderszijde
en zijschuifdeur,
indien aanwezig)
Sleutel linksom
draaien
(bestuurderszijde
en zijschuifdeur,
indien aanwezig)
Knop
ª
kort indrukken
2 x knipperen
Sloten van
buitenaf
vergrendelen
Sleutel rechtsom
draaien
(bestuurderszijde
en zijschuifdeur,
indien aanwezig)
Sleutel rechtsom
draaien
(bestuurderszijde
en zijschuifdeur,
indien aanwezig)
Knop
kort indrukken
1 x knipperen
Dead lock
inschakelen
(indien
aanwezig)
Knop
twee keer
indrukken
3 x knipperen
Slot
achterklep
ontgr. (indien
aanwezig)
2 x knipperen
BELANGRIJK Het openen van de ruiten is gekoppeld aan het commando voor ontgrendeling van de portieren; het sluiten van de
ruiten is gekoppeld aan het commando voor vergrendeling van de portieren.
Ruiten openen
(indien van
toepassing)
Knop
ª
langer dan 2 sec.
indrukken
2 x knipperen
Ruiten sluiten
(indien van
toepassing)
Knop
langer dan 2 sec.
indrukken
1 x knipperen
12
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
START-/CONTACTSLOT
De sleutel kan in 4 standen worden
gedraaid fig. 8:
S: motor uit, sleutel uitneembaar,
stuurslot ingeschakeld.
A: enkele elektrische installaties wer-
ken.
M: contact aan. Alle elektrische instal-
laties werken.
D: motor starten (stand zonder ver-
grendeling).
STUURSLOT
Inschakelen
Zet de sleutel in stand S, trek de sleutel
uit het start-/contactslot en draai het
stuur totdat het vergrendelt.
Uitschakelen
Draai het stuur iets heen en weer, ter-
wijl u de sleutel in stand Mdraait.
Als het start-/contactslot is
geforceerd (bijv. bij een
poging tot diefstal) moet u, voordat
u weer met de auto gaat rijden, de
werking van het slot laten controle-
ren bij de Fiat-dealer.
ATTENTIE
Neem altijd de sleutel uit
het contactslot als de auto
wordt verlaten, om onvoorzichtig
gebruik van de bedieningsknoppen/-
hendels te voorkomen. Vergeet niet
de handrem aan te trekken. Schakel
de eerste versnelling in als de auto
op een helling omhoog staat en de
achteruit bij een helling omlaag
(gezien vanuit de rijrichting). Laat
kinderen nooit alleen achter in de
auto.
ATTENTIE
fig. 8 F0P0010m
Verwijder de sleutel nooit
uit het contactslot als de
auto nog in beweging is. Bij de eer-
ste stuuruitslag blokkeert het stuur
automatisch. Dit geldt in alle geval-
len, ook als de auto gesleept wordt.
ATTENTIE
Het is streng verboden om
de-/montagewerkzaamhe-
den uit te voeren, waarvoor wijzi-
gingen in de stuurinrichting of de
stuurkolom vereist zijn (bijv. bij
montage van een diefstalbeveili-
ging). Hierdoor kunnen de presta-
ties van het systeem, de garantie en
de veiligheid in gevaar worden
gebracht en voldoet de auto niet
meer aan de typegoedkeuring.
ATTENTIE
13
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
INSTRUMENTENPANEEL
ASnelheidsmeter
BBrandstofmeter met waarschuwings-
lampje brandstofreserve
CKoelvloeistoftemperatuurmeter met
waarschuwingslampje voor te hoge
koelvloeistoftemperatuur
DToerenteller
EMultifunctioneel display
F0P0012m
fig. 9
INSTRUMENTEN
De achtergrondkleur en de vormgeving
van de instrumenten kunnen per uitvoe-
ring verschillen.
SNELHEIDSMETER fig. 10
Geeft de snelheid van de auto aan.
TOERENTELLER fig. 11/a
De toerenteller geeft het toerental per
minuut van de motor aan.
BELANGRIJK De regeleenheid van de
elektronische inspuiting blokkeert tijde-
lijk de toevoer van brandstof als de
motor met te hoge toerentallen draait,
waardoor het motorvermogen zal afne-
men.
Bij stationair draaiende motor kan de
toerenteller onder bepaalde omstandig-
heden een geleidelijke of herhaalde toe-
rentalstijging aangeven.
Dit is een normaal verschijnsel en kan
optreden als bijvoorbeeld de aircondi-
tioning of de elektroventilateur wordt
ingeschakeld. In deze gevallen dient een
geringe toerentalstijging voor het
behoud van de lading van de accu.
BRANDSTOFMETER B-fig. 11/b
De wijzer geeft de hoeveelheid brand-
stof aan die in de tank aanwezig is.
K
(Zie de paragraaf “Tanken met de Fiat
SCUDO”).
å(brandstoftank leeg).
Het waarschuwingslampje
K
geeft aan dat
er nog ongeveer 7 liter brandstof aanwezig
is.
Rijd niet met een bijna lege brandstoftank:
door een onregelmatige brandstoftoevoer
kan de katalysator beschadigen.
KOELVLOEISTOF-
TEMPERATUURMETER C-fig.
11/b
De wijzer geeft de temperatuur aan van
de motorkoelvloeistof, zodra de koel-
vloeistoftemperatuur hoger wordt dan
ongeveer 50°C.
Bij normaal gebruik van de auto kan de
wijzernaald op verschillende posities in
het bereik staan, afhankelijk van de
gebruiksomstandigheden van de auto.
åLage koelvloeistoftemperatuur.
uHoge koelvloeistoftemperatuur.
fig. 10 F0P0013m
fig. 11/a F0P0014m
14
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
fig. 11/b
1/2
F0P0320m
15
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
Lampjes op het bovenste paneel
Op enkele uitvoeringen kunnen op het
bovenste paneel fig. 12 (boven de bin-
nenspiegel) de volgende lampjes aanwe-
zig zijn:
lampje niet omgelegde veiligheidsgor-
del (<) (uitvoering met twee zitplaat-
sen voor).
lampje uitgeschakelde airbag passa-
gierszijde (
)
fig. 12 F0P0285m fig. 13
F0P0292m
Als de wijzernaald in het
rode gebied komt, zet dan
onmiddellijk de motor uit en
wendt u tot de Fiat-dealer.
LICHTSTERKTEREGELING
INSTRUMENTENPANEEL
Lichtsterkte instrumentenpaneel rege-
len: druk op de knop A-fig. 13.
16
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
DISPLAY
Het display fig. 14 toont door middel
van de betreffende lampjes (raadpleeg
het hoofdstuk “Lampjes en berichten”):
snelheidsbegrenzer / cruise-control;
totaal aantal afgelegde km’s of mijlen;
motorolieniveaumeter;
water in dieselfilter;
voorgloeibougies.
Afhankelijk van de uitvoering, toont het
display de actuele tijd.
Klokje instellen op het display op
het instrumentenpaneel
Om de tijd op het display op het instru-
mentenpaneel in te stellen, moet u de
knop A-fig. 15 als volgt bedienen:
als u de knop naar links draait, gaan de
minuten knipperen;
als u de knop naar rechts draait,
wordt de waarde van de minuten ver-
hoogd (als u de knop naar rechts
gedraaid houdt, lopen de minuten snel
door);
als u de knop naar links draait, gaan de
uren knipperen;
als u de knop naar rechts draait,
wordt de waarde van de uren ver-
hoogd (als u de knop naar rechts
gedraaid houdt, lopen de uren snel
door);
als u de knop naar links draait, kiest u
de weergave: 24H of 12H;
als u de knop naar rechts draait, kunt
u de gewenste weergave kiezen;
als u de knop naar links draait, is het
instellen van het klokje beëindigd.
Na ongeveer 30 seconden toont het dis-
play de actuele tijd volgens de uitgevoer-
de instellingen, mits u geen andere
instellingen hebt uitgevoerd.
Klokje instellen op het display op
de middenconsole
Enkele uitvoeringen hebben een midden-
console met een display waarop de tijd
wordt aangegeven. Raadpleeg voor het
instellen van de tijd, de boordcomputer
bij “Tijd en datum instellen”.
fig. 14 F0P0291m fig. 15
1/2
F0P0292m
17
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
Actieradius van de auto
Geeft de geschatte afstand aan die nog
kan worden afgelegd met de brandstof in
de brandstoftank, waarbij er van uit
wordt gegaan dat het rijgedrag niet ver-
andert.
Huidig verbruik
Geeft het gemiddelde brandstofverbruik
aan dat berekend wordt in de laatste
afgelegde seconden.
Afstand tot de bestemming
Geeft de nog af te leggen afstand aan tot
de ingestelde bestemming, bij ingescha-
keld navigatiesysteem.
Afgelegde afstand
Geeft de afgelegde afstand aan, berekend
vanaf het begin van de rit na de reset-
procedure (gegevens op nul zetten).
Gemiddeld verbruik
Geeft het gemiddelde brandstofverbruik
aan, berekend vanaf het begin van de rit
na de resetprocedure (gegevens op nul
zetten).
Gemiddelde snelheid
Geeft de gemiddelde snelheid aan, bere-
kend vanaf het begin van de rit na de
resetprocedure (gegevens op nul zet-
ten).
TRIP COMPUTER
Met de trip computer kunnen, door her-
haaldelijk op de knop fig. 16 aan het uit-
einde van de hendel te drukken, de vol-
gende gegevens in volgorde worden
getoond:
actieradius auto, huidig brandstof-
verbruik, afstand tot de bestem-
ming, trip 1 (afgelegde afstand,
gemiddeld brandstofverbruik,
gemiddelde snelheid) en trip 2
(afgelegde afstand, gemiddeld
brandstofverbruik, gemiddelde
snelheid).
Deze informatie wordt weergegeven op
het display van het CONNECT info-
telematicasysteem.
Reset: om de gegevens op nul te zetten;
houd langer dan twee seconden de knop
ingedrukt die is afgebeeld in fig. 16.
fig. 16 F0P0041m
De stoffen bekleding van uw
auto is langdurig bestand
tegen slijtage die ontstaat bij
een normaal gebruik van de
auto. Hevig en/of langdurig wrijven
met kledingaccessoires zoals metalen
gespen, sierknopen en klittenband-
sluitingen, moet echter absoluut wor-
den vermeden omdat hierdoor grote
druk ontstaat op een bepaalde plek
op de bekleding, waardoor deze plek
kan slijten en de bekleding bescha-
digd wordt.
18
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
STOELEN INSTELLEN
ZITPLAATSEN VOOR
Alle afstellingen mogen uit-
sluitend bij een stilstaande
auto worden uitgevoerd.
ATTENTIE
Verstellen in lengterichting fig. 17/a
Trek de hendel Aomhoog en schuif de
stoel naar voren of naar achteren: als u
rijdt, moeten de armen licht gebogen
zijn en de handen op de stuurwielrand
steunen. Laat de hendel los en contro-
leer of de stoel goed geblokkeerd is
door hem naar voren en naar achteren
te schuiven.
Laat de hendel los en con-
troleer of de stoel goed
geblokkeerd is door deze naar voren
en naar achteren te schuiven. Als de
stoel niet goed geblokkeerd is, kan
deze onverwachts verschuiven,
waardoor u de controle over de
auto kunt verliezen.
ATTENTIE
Voor maximale veiligheid
moet u de rugleuning recht-
op zetten, tegen de leuning aan
gaan zitten en de gordel goed laten
aansluiten op borst en bekken.
ATTENTIE
Neem de stoelen niet uit
elkaar en voer ook geen
onderhouds en/of reparatie-
werkzaamheden uit: verkeerd uit-
gevoerde werkzaamheden kunnen
de werking van de veiligheidssyste-
men in gevaar brengen; wendt u
altijd tot de Fiat-dealer.
ATTENTIE
fig. 17/a F0P0015m
Hoogteverstelling
De hoogteverstelling van de bestuurders-
stoel kan, afhankelijk van de uitvoering,
mechanisch zijn (passief B-fig. 17/a) of
met luchtvering (actief B-fig. 17/b).
Beweeg de hendel Bomhoog of omlaag
totdat de gewenste zithoogte is bereikt.
Verstellen van de rugleuning
fig. 17/a
Verstel de rugleuning met de hendel C.
fig. 17/b F0P0318m
19
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
fig. 18 F0P0016m
fig. 19
AB
F0P0017m
fig. 20 F0P0018m
fig. 21 F0P0019m
Lendensteunverstelling
(indien aanwezig) fig. 18
Bedien de hendel Aom het steunvlak
van de rugleuning aan te passen.
Stoelverwarming
(indien aanwezig) fig. 19
Druk met de contactsleutel in stand Mop de
knop Aof B(bestuurderszijde of passagiers-
zijde) om de functie in of uit te schakelen. Bij
inschakeling gaat het lampje op de knop bran-
den.
ARMSTEUNEN VOOR (indien
aanwezig) fig. 20-21
Op enkele uitvoeringen zijn tussen de
voorstoelen twee armsteunen geplaatst.
Ga voor het verstellen als volgt te werk:
til de armsteun omhoog in stand A;
klap de armsteun helemaal neer in
stand B;
til de armsteun vervolgens omhoog in de
gewenste stand C.
fig. 22 F0P0122m
TWEEZITSBANK
VOOR (indien aanwezig)
De tweezitsbank is vast ingebouwd en
voorzien van driepunts-veiligheidsgor-
dels met rolautomaat.
Deze bank kan uitgerust zijn met een
uitklapbare klep fig. 22 die als werkblad
gebruikt kan worden. Trek voor het
gebruiken van het werkblad aan de lip.
20
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
ZITPLAATSEN ACHTER
Aparte stoel
Deze kan worden omgeklapt om de toe-
gang tot de zitplaatsen achter te verge-
makkelijken, en kan ook worden verwij-
derd.
Op enkele uitvoeringen kan de rugleu-
ning van de stoel voorzien zijn van een
steunvlak.
Om het te gebruiken, moet u de ont-
grendelhendel A-fig. 23 bedienen en de
rugleuning tot op de zitting begeleiden.
Neerklappen/verwijderen aparte
stoel
Trek de handgreep A-fig. 23 omhoog
om de rugleuning neer te klappen.
Ga voor het verwijderen van de stoel als
volgt te werk:
bedien de handgreep A-fig. 24 en
begeleid de stoel naar voren, zoals in
de figuur is afgebeeld;
til de stoel omhoog zodat de pennen
loskomen uit de verankeringen en
verwijder de stoel, waarbij de rugleu-
ning goed neergeklapt moet zijn op de
zitting.
fig. 23 F0P0022m fig. 24 F0P0023m
Voor het verwijderen en ver-
volgens weer monteren van
de stoel, moet de rugleuning
neergeklapt worden gehou-
den en plat tegen de zitting aanlig-
gen, om ieder mogelijk contact te
voorkomen met de scharniermecha-
nismen van de stoel zelf.
21
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
NEERKLAPPEN, VERWIJDEREN
EN WEER MONTEREN VAN DE
ACHTERBANK
Voor het verwijderen en
vervolgens weer monte-
ren van de achterbank, moet de
rugleuning neergeklapt worden
gehouden en plat tegen de zit-
ting aanliggen, om ieder mogelijk
contact te voorkomen met de
scharniermechanismen van de
bank zelf.
ATTENTIE
Trek aan de hendel A-fig. 25 om de
rugleuning neer te klappen.
Ga voor het verwijderen van de bank als
volgt te werk:
– laat de hoofdsteunen geheel zakken;
– klap de rugleuning neer zoals hiervoor
beschreven;
fig. 25 F0P0024m
TWEEZITSBANK
Afhankelijk van de uitvoering zijn er ver-
schillende soorten:
tweezitsbank met vaste rugleuning;
uitneembare tweezitsbank met afzon-
derlijk neerklapbare rugleuningen;
verwijderbare tweezitsbank met
afzonderlijk verstelbare en tot tafel
omklapbare rugleuningen.
22
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
Zorg dat de verankerin-
gen in de vloer altijd goed
schoon zijn; de aanwezigheid van
vreemde voorwerpen kan de juis-
te vergrendeling van de stoelen in
gevaar brengen.
ATTENTIE
Controleer voordat u
gaat rijden of alle zit-
plaatsen in de rijrichting staan
en goed geblokkeerd zijn. Alleen
deze opstelling staat een doel-
matig gebruik van de veiligheids-
gordels toe.
ATTENTIE
Ga voor het weer monteren van de bank
als volgt te werk:
– til de bank omhoog en haak de pennen
op de juiste wijze in de verankeringen op
de vloer;
– begeleid de bank totdat deze automa-
tisch in de bevestigingspunten achter ver-
grendelt.
fig. 26 F0P0025m
– trek de hendel A-fig. 26 omhoog en
klap de bank om;
– til de bank omhoog zodat de pennen
loskomen uit de verankeringen en ver-
wijder de bank, waarbij de rugleuning
goed neergeklapt moet zijn op de zitting.
23
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
HOOFDSTEUNEN
Omhoog verplaatsen:
trek de hoofdsteun omhoog totdat hij
hoorbaar vergrendelt.
Omlaag verplaatsen:
druk op de knop A-fig. 27 of A-fig. 28
en duw de hoofdsteun omlaag.
fig. 27 F0P0026m
Voor het optimaal benutten van de
hoofdsteun, moet de rugleuning zo zijn
ingesteld dat u rechtop zit en dat uw
hoofd zich zo dicht mogelijk bij de
hoofdsteun bevindt.
De hoofdsteunen moeten
zo worden ingesteld dat ze
het hoofd ondersteunen en niet de
nek. Alleen in deze positie bieden ze
bescherming.
ATTENTIE
fig. 28 F0P0027m
OPSTELLING STOELEN
Afhankelijk van de uitvoering kan de
opstelling van de zitplaatsen in het inte-
rieur worden gewijzigd m.b.v. de beves-
tigingen op de vloer.
In de volgende afbeeldingen staan enkele
opstellingen afhankelijk van het type uit-
voering.
fig. 29 - 4 zitplaatsen F0P0123m
fig. 30 - 5 zitplaatsen F0P0124m
fig. 31 - 6 zitplaatsen F0P0125m
STUURWIEL
Het stuurwiel kan zowel in lengterich-
ting als in hoogte worden versteld.
Ga voor het verstellen als volgt te werk:
ontgrendel de hendel A-fig. 35 door
deze naar voren te drukken (stand 1);
plaats het stuur in de gewenste stand;
vergrendel de hendel Adoor hem
naar het stuur te trekken (stand 2).
fig. 35 F0P0028m
Het stuur mag alleen wor-
den versteld als de auto stil-
staat.
ATTENTIE
Het is streng verboden om
demontage-/montagewerk-
zaamheden uit te voeren, waarvoor
wijzigingen in de stuurinrichting of
de stuurkolom vereist zijn (bijv. bij
montage van een diefstalbeveili-
ging). Hierdoor kunnen de presta-
ties van het systeem, de garantie en
de veiligheid in gevaar worden
gebracht en voldoet de auto niet
meer aan de typegoedkeuring.
ATTENTIE
24
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
fig. 32 - 7 zitplaatsen F0P0126m
fig. 33 - 8 zitplaatsen F0P0127m
fig. 34 - 9 zitplaatsen F0P0128m
25
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
SPIEGELS
BINNENSPIEGEL fig. 36
De binnenspiegel is voorzien van een
beveiligingsmechanisme, waardoor de
spiegel bij een krachtig contact met een
inzittende losschiet.
De binnenspiegel is verstelbaar met de
hendel fig. 36:
normale stand
anti-verblindingsstand.
fig. 36 F0P0029m
fig. 37 F0P0030m
BUITENSPIEGELS
Handmatige verstelling fig. 37
Bedien de knop A.
fig. 38 F0P0031m
Elektrische verstelling fig. 38
De elektrische verstelling is alleen moge-
lijk als de contactsleutel in stand Mstaat.
Ga voor het verstellen als volgt te werk:
met de schakelaar Bkiest u welke
spiegel u wilt verstellen (links of
rechts);
met de schakelaar Ckunt u de spiegel
in 4 richtingen verstellen.
26
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
Inklappen
Indien nodig (bijv. bij nauwe doorgan-
gen) kunnen de buitenspiegels worden
ingeklapt door ze van stand 1-fig. 39 in
stand 2te zetten.
Tijdens het rijden moeten de
spiegels altijd in stand 1-fig. 39
staan.
De spiegel aan de bestuur-
derszijde is bol, waardoor
de afstandswaarneming iets wordt
beïnvloed.
ATTENTIE
Ontwaseming/ontdooiing (indien
aanwezig)
De buitenspiegels zijn voorzien van ver-
warmingselementen die worden inge-
schakeld als de achterruitverwarming
wordt ingeschakeld (door op de knop
(
te drukken).
BELANGRIJK De functie is voorzien van
een tijdschakeling, waardoor de functie
na enige minuten automatisch wordt uit-
geschakeld.
fig. 39 F0P0032m
27
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
VERWARMING EN
VENTILATIE
1. Vast luchtrooster boven
2. Verstelbare luchtroosters in het midden
3. Vaste luchtroosters aan zijkant
4. Verstelbare luchtroosters aan zijkant
5. Luchtroosters onder voor zitplaatsen voor
6. Luchtroosters boven voor zitplaatsen achter
(indien aanwezig).
fig. 40 F0P0033m
fig. 41 F0P0101m
28
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
Om de luchtroosters Ben Cte gebrui-
ken, moet u met de betreffende schuif
de luchtroosters in de gewenste stand
instellen.
BEDIENINGSKNOPPEN fig. 44
Draaiknop A voor de luchtverde-
ling
µ
voor lucht uit de luchtroosters in het
midden en aan de zijkanten;
voor luchttoevoer naar de beenruim-
ten en voor een iets lagere tempera-
tuur uit de luchtroosters op het dash-
board (“bilevel”-stand);
voor verwarming bij lage buitentem-
peraturen: voor maximale luchttoe-
voer naar de beenruimten;
voor verwarming van de beenruimten
en ontwaseming van de voorruit;
-
voor een snelle ontwaseming van de
voorruit.
fig. 44 F0P0036m
fig. 42 F0P0034m
fig. 43 F0P0035m
LUCHTROOSTERS IN HET MID-
DEN EN AAN DE ZIJKANT
fig. 42-43
De luchtroosters zijn verstelbaar in de
door de pijlen aangegeven vier richtingen.
AVast luchtrooster voor de zijruiten.
BVerstelbare luchtroosters aan de zij-
kant.
CVerstelbare luchtroosters in het
midden.
De luchtroosters Azijn niet verstelbaar.
29
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
Draaiknop B voor het inschake-
len/regelen van de aanjager
0= aanjager uitgeschakeld
1-2-3 = aanjagersnelheid
4
-p= aanjager op maximale
snelheid
Draaiknop C voor regeling van de
luchttemperatuur (menging van
warme/koude lucht)
Rode gebied = warme lucht
Blauwe gebied = koude lucht
Knop D voor in-/uitschakeling van
de luchtrecirculatie
Als u op de knop drukt, schakelt de
luchtrecirculatie in.
Als u na inschakeling van de luchtrecir-
culatie opnieuw op de knop drukt,
wordt de luchtrecirculatie uitgeschakeld.
SNELLE VERWARMING VAN
INTERIEUR
Ga voor een snelle verwarming als volgt
te werk:
draai de knop Cin het rode vlak;
schakel de recirculatie in
(indien uitgeschakeld);
draai de knop Ain stand
;
draai de knop Bin stand 4
-
p
(maximale aanjagersnelheid).
Vervolgens kan een stand gekozen wor-
den waarbij het comfort optimaal blijft.
Druk op de knop Dom de luchtrecircu-
latie uit te schakelen en het beslaan van de
ruiten te voorkomen.
BELANGRIJK Bij een koude motor moet
enige minuten worden gewacht totdat de
vloeistof van het systeem de optimale be-
drijfstemperatuur heeft bereikt.
VENTILATIE VAN HET
INTERIEUR
Ga voor een goede ventilatie van het
interieur als volgt te werk:
draai de knop Cin het blauwe vlak;
schakel de recirculatie uit (indien
ingeschakeld);
draai de knop Ain stand
µ
;
draai de knop Bop de gewenste snel-
heid.
VERWARMING VAN HET INTE-
RIEUR
Ga als volgt te werk:
draai de knop Cin het rode vlak;
draai de knop Ain de gewenste
stand;
draai de knop Bop de gewenste snel-
heid.
30
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
SNELLE ONTWASEMING/
ONTDOOIING VAN DE RUITEN
VOOR (VOORRUIT EN ZIJRUI-
TEN)
Ga als volgt te werk:
draai de knop Cin het rode vlak;
schakel de recirculatie uit (indien
ingeschakeld);
draai de knop Ain stand
-
;
draai de knop Bin stand 4
-p
(maximale aanjagersnelheid).
Nadat de ruiten ontwasemd zijn, kan
een stand gekozen worden waarbij het
comfort optimaal blijft.
Beslaan van de ruiten voorkomen
Als het buiten extreem vochtig is en/of bij
regen en/of bij grote verschillen in interi-
eur- en buitentemperatuur, raden wij u
de volgende procedure aan om het
beslaan van de ruiten te voorkomen:
draai de knop Cin het rode vlak;
schakel de luchtrecirculatie uit (indien
ingeschakeld) door de knop Din te
drukken;
draai de knop Ain stand
-
met de
mogelijkheid stand
in te schakelen
als de ruiten niet beslaan;
draai de knop Bop de 2e snelheid.
ONTWASEMING/
ONTDOOIING ACHTERRUIT EN
BUITENSPIEGELS
(indien aanwezig) fig. 45
Druk op de knop Avoor het inschake-
len van deze functie: als deze functie
wordt ingeschakeld, gaat het lampje op
de knop branden.
De functie is voorzien van een tijdscha-
keling, waardoor de functie na 20 minu-
ten automatisch wordt uitgeschakeld. U
kunt de functie eerder uitschakelen door
nogmaals de knop Ain te drukken.
BELANGRIJK Plak geen stickers of ande-
re plaatjes op de elektrische weer-
standsdraden aan de binnenzijde van de
achterruit, om beschadiging van de ach-
terruitverwarming te voorkomen.
fig. 45 F0P0037m
31
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
HANDBEDIENDE AIR-
CONDITIONING
(indien aanwezig)
BEDIENINGSKNOPPEN fig. 46
Draaiknop A voor de luchtverde-
ling
µ
voor lucht uit de luchtroosters in het
midden en aan de zijkanten;
voor luchttoevoer naar de beenruim-
ten en voor een iets lagere tempera-
tuur uit de luchtroosters op het dash-
board (“bilevel”-stand);
voor verwarming bij lage buitentem-
peraturen: voor maximale luchttoe-
voer naar de beenruimten;
voor verwarming van de beenruimten
en ontwaseming van de voorruit;
-
voor een snelle ontwaseming van de
voorruit.
Draaiknop B voor het inschake-
len/regelen van de aanjager
0= aanjager uitgeschakeld
1-2-3 = aanjagersnelheid
4
-p= aanjager op maximale
snelheid
RECIRCULATIE INSCHAKELEN
fig. 44
Druk op de knop
.
Het verdient aanbeveling om de luchtre-
circulatie in te schakelen in de file of in tun-
nels. Hiermee wordt voorkomen dat ver-
vuilde lucht het interieur bereikt. Het is
niet raadzaam dit systeem langdurig te la-
ten werken, omdat anders, vooral als u
met meerdere personen in de auto zit, de
kans aanzienlijk toeneemt dat de ruiten
beslaan.
BELANGRIJK Met de recirculatiefunctie
kunnen, afhankelijk van de werking van het
systeem (“verwarming” of “koeling”), de
gewenste omstandigheden sneller bereikt
worden.
Het is echter niet raadzaam deze functie
in te schakelen op regenachtige of koude
dagen, omdat dan de ruiten aan de bin-
nenzijde aanzienlijk sneller kunnen beslaan.
32
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
Draaiknop C voor regeling van de
luchttemperatuur (menging van
warme/koude lucht)
Rode gebied = warme lucht
Blauwe gebied = koude lucht
Knop E voor het in-/uitschakelen
van de airconditioning
Als u op de knop drukt (lampje op de
knop brandt), schakelt de airconditio-
ning in.
Als u nogmaals op de knop drukt (lamp-
je op de knop gedoofd), schakelt de air-
conditioning uit.
fig. 46 F0P0038m
Knop D voor in-/uitschakeling van
de luchtrecirculatie
Als u op de knop drukt, schakelt de
luchtrecirculatie in.
Als u na inschakeling van de luchtrecir-
culatie opnieuw op de knop drukt,
wordt de luchtrecirculatie uitgeschakeld.
33
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
VENTILATIE VAN HET INTERI-
EUR
Ga voor een goede ventilatie van het
interieur als volgt te werk:
draai de knop Cin het blauwe vlak;
schakel de luchtrecirculatie uit door
de knop Din te drukken;
draai de knop Ain stand
µ
;
draai de knop Bop de gewenste snel-
heid.
AIRCONDITIONING (koeling)
Ga voor een snelle koeling als volgt te
werk:
draai de knop Cin het blauwe vlak;
schakel de luchtrecirculatie in door
de knop Din te drukken;
draai de knop Ain stand
µ
;
schakel de airconditioning in door de
knop Ein te drukken; het lampje op
de knop Egaat branden;
draai de knop Bin stand 4
-
p
(maximale aanjagersnelheid).
Regeling van de koeling
draai de knop Cnaar rechts voor ver-
hoging van de temperatuur;
schakel de luchtrecirculatie uit door
de knop Din te drukken;
draai de knop Bvoor verlaging van de
aanjagersnelheid.
34
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
VERWARMING VAN HET
INTERIEUR
Ga als volgt te werk:
draai de knop Cin het rode vlak;
draai de knop Aop het gewenste
symbool;
draai de knop Bop de gewenste snel-
heid.
SNELLE VERWARMING VAN
INTERIEUR
Ga voor een snelle verwarming als volgt
te werk:
draai de knop Cin het rode vlak;
schakel de luchtrecirculatie in (indien
uitgeschakeld) door de knop Din te
drukken ;
draai de knop Ain stand
;
draai de knop Bin stand 4
-
p
(maximale aanjagersnelheid).
Vervolgens kan een stand gekozen wor-
den waarbij het comfort optimaal blijft en
op de knop Dworden gedrukt om de
luchtrecirculatie uit te schakelen.
BELANGRIJK Bij een koude motor moet
enige minuten worden gewacht totdat de
vloeistof van het systeem de optimale be-
drijfstemperatuur heeft bereikt.
SNELLE ONTWASEMING/
ONTDOOIING VAN DE RUITEN
VOOR (VOORRUIT EN ZIJRUI-
TEN)
Ga als volgt te werk:
draai de knop Cin het rode vlak;
draai de knop Bin stand 4
-p
(maximale aanjagersnelheid);
draai de knop Ain stand
-
;
schakel de luchtrecirculatie uit (indien
ingeschakeld) door de knop Din te
drukken;
35
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
Beslaan van de ruiten voorkomen
Als het buiten extreem vochtig is en/of bij
regen en/of bij grote verschillen in interi-
eur- en buitentemperatuur, raden wij u
de volgende procedure aan om het
beslaan van de ruiten te voorkomen:
draai de knop Cin het rode vlak;
schakel de luchtrecirculatie uit (indien
ingeschakeld) door de knop Din te
drukken;
draai de knop Ain stand
-
met de
mogelijkheid stand
®
in te schakelen
als de ruiten niet beslaan;
draai de knop Bop de 2e snelheid.
BELANGRIJK De airconditioning is zeer
bruikbaar om het beslaan van de ruiten
te voorkomen bij een hoge luchtvochtig-
heid, omdat de in het interieur gevoerde
lucht wordt ontvochtigd.
ONTWASEMING/
ONTDOOIING ACHTERRUIT EN
BUITENSPIEGELS
(indien aanwezig) fig. 47
Druk op de knop Avoor het inschake-
len van deze functie: als deze functie
wordt ingeschakeld, gaat het lampje op
de knop branden.
De functie is voorzien van een tijdscha-
keling, waardoor de functie na 20 minu-
ten automatisch wordt uitgeschakeld. U
kunt de functie eerder uitschakelen door
nogmaals de knop Ain te drukken.
BELANGRIJK Plak geen stickers of ande-
re plaatjes op de elektrische weer-
standsdraden aan de binnenzijde van de
achterruit, om beschadiging van de ach-
terruitverwarming te voorkomen.
fig. 47 F0P0039m
Nadat de ruiten ontwasemd zijn, kan
een stand gekozen worden waarbij het
comfort optimaal blijft.
BELANGRIJK De airconditioning kan
goed gebruikt worden om de ruiten
sneller te ontwasemen, omdat de lucht
wordt ontvochtigd. Stel de bedienings-
organen in zoals hiervoor beschreven en
schakel de airconditioning in door de
knop Ein te drukken; het lampje op de
knop gaat branden.
36
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
ONDERHOUD VAN HET
SYSTEEM
Schakel in de winter de airconditioning 1
keer per maand gedurende 10 minuten
in. Laat voor het zomerseizoen de wer-
king van de airconditioning door de Fiat-
dealer controleren.
De airconditioning maakt
gebruik van het koelmiddel
R134a. Bij lekkage is dit mid-
del niet schadelijk voor het
milieu. Gebruik in geen geval andere
middelen, zoals R12, omdat anders de
componenten van het systeem
beschadigd kunnen worden.
BELANGRIJK Met de recirculatiefunctie
kunnen, afhankelijk van de werking van het
systeem (“verwarming” of “koeling”), de
gewenste omstandigheden sneller bereikt
worden.
Het is echter niet raadzaam deze functie
in te schakelen op regenachtige of koude
dagen, omdat dan de ruiten aan de bin-
nenzijde aanzienlijk sneller kunnen beslaan.
RECIRCULATIE INSCHAKELEN
fig. 46
Druk op de knop
.
Het verdient aanbeveling om de luchtre-
circulatie in te schakelen in de file of in tun-
nels. Hiermee wordt voorkomen dat ver-
vuilde lucht het interieur bereikt. Het is
niet raadzaam dit systeem langdurig te la-
ten werken, omdat anders, vooral als u
met meerdere personen in de auto zit, de
kans aanzienlijk toeneemt dat de ruiten
beslaan.
37
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
AUTOMATISCHE TWEE-
ZONE-AIRCONDITIO-
NING
(indien aanwezig)
BESCHRIJVING
De automatische tweezone-airconditio-
ning regelt de temperatuur en de lucht-
verdeling in het interieur in twee zones:
bestuurders- en passagierszijde. De tem-
peratuurregeling is gebaseerd op “tem-
peratuurgelijkheid”: d.w.z. dat het sys-
teem continu werkt om het comfort in
het interieur constant te houden en
eventuele verschillen in de weersom-
standigheden buiten te compenseren,
ook zonnestraling (gesignaleerd door
een zonnestralingssensor).
De automatisch gecontroleerde parame-
ters en functies zijn:
luchttemperatuur uit de luchtroosters
aan bestuurderszijde/passagierszijde
voor;
luchtverdeling naar de uitstroomope-
ningen aan bestuurderszijde/passa-
gierszijde voor;
aanjagersnelheid (traploze regeling
van de luchtstroom);
inschakeling van de compressor (voor
koelen en drogen van de lucht);
luchtrecirculatie.
Deze functies kunnen handmatig worden
gewijzigd, d.w.z. dat u het systeem kunt
regelen door naar wens een of meer
functies te selecteren en te wijzigen. Op
deze manier worden de functies die
handmatig zijn gewijzigd niet langer
automatisch door het systeem geregeld.
Het systeem grijpt alleen in om veilig-
heidsredenen. De handmatige instellin-
gen hebben voorrang boven de automa-
tische instellingen en blijven in het
geheugen opgeslagen totdat de gebrui-
ker de regeling weer overlaat aan de
automatische werking door de knop
AUTO in te drukken, behalve in de
gevallen dat het systeem om veiligheids-
redenen ingrijpt. Als handmatig een func-
tie wordt ingesteld, blijven de andere
functies echter automatisch geregeld.
De luchtopbrengst in het interieur is
onafhankelijk van de snelheid van de
auto omdat de luchtopbrengst elektro-
nisch geregeld wordt door de aanjager.
De luchttemperatuur in het interieur
wordt altijd automatisch geregeld op
basis van de ingestelde temperaturen op
de displays van de bestuurder en de pas-
sagier voor (behalve als het systeem is
uitgeschakeld of in enkele omstandighe-
den als de compressor is uitgeschakeld).
De volgende parameters en functies
kunnen handmatig worden ingesteld en
gewijzigd:
temperatuur bestuurderszijde/passa-
gierszijde voor;
aanjagersnelheid (traploze regeling);
luchtverdeling in zeven standen
(bestuurder/passagier voor);
inschakelen van de compressor;
niet gescheiden/gescheiden regeling;
snelle ontwaseming/ontdooiing;
luchtrecirculatie;
achterruitverwarming;
uitschakelen van het systeem.
38
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
BEDIENINGSKNOPPEN fig. 48
Adrukknop voor in-/uitschakelen air-
cocompressor;
Bdrukknop voor inschakelen functie
AUTO (automatische werking);
C
drukknop voor inschakelen functie
(snelle ontdooiing/ontwaseming
voorruit en zijruiten voor);
Ddrukknop voor instelling luchtverde-
ling;
Edrukknop voor in-/uitschakelen
luchtrecirculatie;
GEBRUIK VAN DE KLIMAAT-
REGELING
Het systeem kan op verschillende
manieren worden ingeschakeld, maar wij
raden u aan te beginnen met het indruk-
ken van een van de knoppen AUTO en
vervolgens de draaiknoppen te draaien
om op het display de gewenste tempera-
turen in te stellen.
Omdat het systeem het klimaat in twee
zones in het interieur regelt, kunnen de
bestuurder en de passagier voor ver-
schillende temperatuurwaarden instel-
len. Het maximaal toegestane verschil is
7 °C.
Op deze wijze begint het systeem geheel
automatisch te werken, zodat zo snel
mogelijk de ingestelde temperaturen
worden bereikt. Het systeem regelt de
temperatuur, de luchthoeveelheid, de
luchtverdeling in het interieur, de recir-
culatiefunctie en het inschakelen van de
aircocompressor.
fig. 48 F0P0040m
Fdrukknop voor in-/uitschakelen ach-
terruitverwarming;
Gdrukknop voor verlagen aanjager-
snelheid;
Hdrukknop voor verhogen aanjager-
snelheid;
Idraaiknop voor regeling interieur-
temperatuur passagierszijde;
Ldisplay met informatie over
airconditioning;
Mdraaiknop voor regeling interieur-
temperatuur bestuurderszijde.
39
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
Tijdens de volledig automatische wer-
king van het systeem, moeten alleen de
volgende functies eventueel handmatig
worden ingeschakeld:
luchtrecirculatie, om de recircula-
tie altijd in- of uitgeschakeld te houden;
-
voor een snelle ontwaseming/ont-
dooiing van de ruiten voor, de achter-
ruit en de buitenspiegels;
(
voor het ontwasemen/ontdooien
van de achterruit en de buitenspiegels;
π
voor het kiezen van de luchtver-
deling tijdens de ventilatie.
Tijdens de volledig automatische werking
van het systeem kunt u op ieder moment
de ingestelde temperaturen, de luchtver-
deling en de aanjagersnelheid wijzigen
m.b.v. de desbetreffende knoppen: het sys-
teem zal automatisch de eigen instellingen
wijzigen en aanpassen aan de nieuwe in-
stellingen.
Draaiknoppen voor regeling lucht-
temperatuur M - I
Als u de knoppen naar rechts of naar links
draait, verhoogt of verlaagt u de lucht-
temperatuur respectievelijk in het gedeel-
te linksvoor (draaiknop M) en rechtsvoor
(draaiknop I) van het interieur. Omdat het
systeem het klimaat in twee zones in het
interieur regelt, kunnen de bestuurder en
de passagier voor verschillende tempera-
tuurwaarden instellen. Het maximaal toe-
gestane verschil is 7 °C. De ingestelde
temperaturen worden op het display
weergegeven dicht bij de knoppen. Als u
de knop AUTO indrukt, wordt de auto-
matische werking van de airconditioning
ingeschakeld waardoor de temperatuur
aan bestuurders- en passagierszijde ver-
schillend kan zijn. Als de automatische
werking is ingeschakeld en u opnieuw op
de knop AUTO drukt, wordt de tempe-
ratuur aan bestuurders- en passagierszijde
gelijkgesteld.
Als u de knoppen helemaal naar rechts
of links draait, wordt respectievelijk de
functie HI (maximale verwarming) of
LO (maximale koeling) ingeschakeld.
Voor het uitschakelen van deze twee
functies is het voldoende om de tempe-
ratuurknop te draaien en de gewenste
temperatuur in te stellen.
Drukknop voor de luchtverdeling
voor D
Als u op deze knop drukt, kunt u hand-
matig voor de linker- en de rechterzijde
in het interieur een van de zeven instel-
lingen voor de luchtverdeling kiezen:
æ
Lucht uit de luchtroosters van de
voorruit en de zijruiten voor voor
ontdooiing/ontwaseming van de rui-
ten.
ø
Lucht uit de luchtroosters in het mid-
den en aan de zijkant van het dash-
board voor een koele luchtstroom
op het lichaam en het gezicht bij
warm weer.
¿
Luchtstroom naar de luchtroosters
van de beenruimten voor en achter.
Met deze luchtverdeling kan in een zo
kort mogelijke tijd de lucht in het in-
terieur worden verwarmd, omdat
warme lucht opstijgt. Dit geeft snel
een behaaglijk gevoel.
40
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
¡
Luchtstroom verdeeld over de lucht-
roosters in de beenruimten voor en
achter (warmere lucht) en de uit-
stroomopeningen in het midden en
aan de zijkant van het dashboard
(koelere lucht). Deze luchtverdeling
is bijzonder nuttig in de gematigde
seizoenen (voor- en najaar) als de
zon schijnt.
¬Luchtstroom verdeeld over de
luchtroosters in de beenruimten
en de luchtroosters voor ont-
dooien/ontwasemen van de voor-
ruit en de zijruiten voor. Deze
luchtverdeling zorgt voor een
goede verwarming van het interi-
eur en voorkomt het eventuele
beslaan van de ruiten.
Luchtstroom verdeeld over de
luchtroosters voor ontwase-
ming/ontdooiing van de voorruit en
de luchtroosters in het midden en
aan de zijkant van het dashboard.
Deze luchtverdeling zorgt voor
een luchtstroom naar de voorruit
bij zonnestraling.
π
Luchtstroom verdeeld over alle
luchtroosters in de auto.
De luchtverdeling, als deze handmatig is
ingesteld, wordt aangegeven door een
brandend lampje op de geselecteerde
knoppen. Als een gecombineerde functie
is ingesteld en er een knop wordt inge-
drukt, dan wordt ook de functie van die
knop ingeschakeld. Als daarentegen een
knop van een reeds ingestelde functie
wordt ingedrukt, dan wordt die functie
uitgeschakeld (het betreffende lampje
dooft). Voor het hervatten van de auto-
matische werking van de luchtverdeling na
een handmatige instelling, moet de knop
AUTO worden ingedrukt.
Als de bestuurder kiest voor luchtverde-
ling naar de voorruit, wordt ook de lucht-
stroom aan passagierszijde automatisch
naar de voorruit geleid. De passagier kan
vervolgens een andere luchtverdeling kie-
zen door de betreffende knoppen in te
drukken.
Drukknoppen voor regelen
aanjagersnelheid G - H
Als u de knop Gpindrukt, dan wordt
de aanjagersnelheid verlaagd en daarmee
de hoeveelheid lucht die naar het interi-
eur wordt gevoerd. Als u de knop Hp
indrukt, dan wordt de aanjagersnelheid
verhoogd en daarmee de hoeveelheid
lucht die naar het interieur wordt
gevoerd. Beide knoppen werken, waarbij
het doel van het systeem blijft om de
ingestelde temperatuur te handhaven.
De aanjagersnelheid wordt weergegeven
door verlichte staafjes in het symbool p
van de aanjager op het display:
maximum aanjagersnelheid = alle
staafjes verlicht;
minimum aanjagersnelheid = één
staafje verlicht.
De aanjager kan worden uitgeschakeld,
maar alleen als u de aircocompressor
hebt uitgeschakeld met de knop A.
BELANGRIJK Voor het hervatten van de
automatische werking van de aanjager na
een handmatige instelling, moet de knop
AUTO worden ingedrukt.
41
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
Knop AUTO
(in-/uitschakelen automatische
werking)
Als u de knop AUTO indrukt, regelt het
systeem automatisch, in de betreffende
zones, de hoeveelheid en de verdeling van
de naar het interieur toegevoerde lucht
en worden alle voorafgaande handmatige
instellingen opgeheven. Als er een of
meerdere handmatige instellingen zijn uit-
gevoerd (luchtrecirculatie, luchtverdeling,
aanjagersnelheid of uitschakeling airco-
compressor).
BELANGRIJK Als het systeem vanwege
handmatige instellingen de gewenste tem-
peratuur in de verschillende zones niet
meer kan garanderen en handhaven, knip-
pert de ingestelde temperatuur om aan te
geven dat het systeem een probleem
heeft gesignaleerd; na een minuut dooft
het opschrift AUTO.
Voor het hervatten van de automatische
werking van het systeem na een hand-
matige instelling (een of meerdere),
moet de knop AUTO worden inge-
drukt.
Als u bij automatische werking de knop
AUTO opnieuw indrukt, wordt de tem-
peratuur aan bestuurderszijde en aan
passagierszijde voor automatisch gelijk-
gesteld, waardoor u in de twee zones
dezelfde temperatuur en de luchtverde-
ling kunt instellen met de draaiknop aan
bestuurderszijde. Met deze functie kan
de temperatuur in het interieur makke-
lijk geregeld worden als alleen de
bestuurder in de auto zit. De gescheiden
regeling van de temperatuur en de lucht-
verdeling wordt automatisch weer her-
vat, als u nogmaals de knop AUTO
indrukt.
Drukknop in-/uitschakeling
recirculatiefunctie E
De luchtrecirculatie werkt als volgt:
automatisch ingeschakeld, door een
van de knoppen AUTO in te drukken;
het symbool AUTO op het display
brandt.
handmatig ingeschakeld, door de
knop Ein te drukken; het symbool
verschijnt op het display;
handmatig uitgeschakeld, door de
knop Ein te drukken; het symbool
op het display dooft.
BELANGRIJK Met de recirculatiefunctie
kunnen (verwarming of koeling van het in-
terieur) de gewenste omstandigheden
sneller worden bereikt.
Het is echter niet raadzaam deze functie
handmatig in te schakelen op regenachti-
ge of koude dagen, omdat dan de ruiten
aan de binnenzijde aanzienlijk sneller kun-
nen beslaan, vooral als de airconditioning
niet is ingeschakeld.
42
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
Bij lage buitentemperaturen wordt de re-
circulatie uitgeschakeld (met luchttoevoer
van buiten) om het beslaan van de ruiten
te voorkomen.
Bij automatische werking wordt de recir-
culatie automatisch door het systeem ge-
regeld op basis van de externe klimato-
logische omstandigheden.
Drukknop voor in-/uitschakelen
aircocompressor A
Als u de knop A/C indrukt, schakelt de
aircocompressor in en kunnen op het
display de letters A/C worden weerge-
geven om de inschakeling te bevestigen.
Als u bij ingeschakelde compressor
opnieuw op de knop A/C drukt, scha-
kelt de aircocompressor uit en verdwij-
nen ook de letters van het display om de
uitschakeling te bevestigen. Als u de air-
cocompressor uitschakelt, wordt de
recirculatie uitgeschakeld om het even-
tuele beslaan van de ruiten te voorko-
men. Als het systeem de ingestelde tem-
peratuur echter niet meer kan handha-
ven, gaat de temperatuur knipperen en
dooft ook het opschrift AUTO.
BELANGRIJK Met uitgeschakelde airco-
compressor is het niet mogelijk lucht in
het interieur te voeren met een tempe-
ratuur die lager is dan de buitentempe-
ratuur; bovendien kunnen (in bijzondere
weersomstandigheden) de ruiten zeer
snel beslaan omdat de lucht niet
gedroogd kan worden.
De uitschakeling van de aircocompres-
sor blijft in het geheugen opgeslagen,
ook na het afzetten van de motor. U
kunt de automatische regeling van de
aircocompressor weer inschakelen door
nogmaals de knop A/C in te drukken of
de knop AUTO.
Als de compressor is uitgeschakeld, kan
de aanjagersnelheid handmatig op nul
worden gezet.
Als de compressor is ingeschakeld bij
draaiende motor, kan de aanjagersnel-
heid niet lager zijn dan een minimale
waarde (één staafje verlicht).
Bij lage buitentemperatu-
ren raden wij u aan om de
recirculatiefunctie niet te gebruiken
omdat hierdoor de ruiten sneller
kunnen beslaan.
ATTENTIE
43
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
Drukknop voor snelle ontwase-
ming/ontdooiing van de voorruit
en de zijruiten voor C
Als u deze knop indrukt, schakelt de kli-
maatregeling automatisch alle functies in
die noodzakelijk zijn voor het snel ont-
dooien/ontwasemen van de voorruit en
de zijruiten voor. D.w.z. dat het sys-
teem:
de aircocompressor inschakelt wan-
neer de klimatologische omstandighe-
den dit toestaan;
de luchtrecirculatie uitschakelt;
de maximale luchttemperatuur HI op
beide displays instelt;
een aanjagersnelheid inschakelt op
basis van de koelvloeistoftemperatuur,
om toevoer van nog te koude lucht
voor de ontwaseming van de ruiten te
beperken;
de luchtstroom naar de luchtroosters
voor de voorruit en de zijruiten voor
leidt;
de achterruitverwarming inschakelt.
BELANGRIJK De functie voor snelle
ontwaseming/ontdooiing van de ruiten
blijft ongeveer 3 minuten ingeschakeld,
nadat de koelvloeistoftemperatuur de
juiste temperatuur heeft bereikt.
Als de functie voor snel ontdooien/ont-
wasemen is ingeschakeld, gaan het lamp-
je op de betreffende knop en het lampje
op de knop van de achterruitverwarming
branden.
Als de functie voor maximaal ontwase-
men/ontdooien is ingeschakeld, kunnen
alleen de aanjagersnelheid en de uitscha-
keling van de achterruitverwarming
handmatig worden geregeld. Als u de
knop voor maximale ontdooiing/ontwa-
seming indrukt, of de knoppen voor de
luchtrecirculatie of de uitschakeling van
de compressor of de knop AUTO,
schakelt het systeem de functie maxi-
maal ontdooien/ontwasemen uit en
worden alle bedrijfsomstandigheden van
voor het inschakelen van de functie her-
steld.
Drukknop voor snelle ontwaseming/
ontdooiing van de achterruit en de
buitenspiegels (indien aanwezig) F
Als u deze knop indrukt, dan wordt de
achterruitverwarming ingeschakeld.
Het lampje op de knop gaat branden als
deze functie wordt ingeschakeld.
De functie schakelt na 20 minuten auto-
matisch uit, of als opnieuw de knop
wordt ingedrukt. De functie wordt ook
uitgeschakeld als u de motor uitzet en
blijft uitgeschakeld als u de motor
opnieuw start.
BELANGRIJK Plak geen stickers of ande-
re plaatjes op de elektrische weerstands-
draden aan de binnenzijde van de achter-
ruit, om beschadiging van de achterruit-
verwarming te voorkomen.
44
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
Systeem uitschakelen (A/C) A
Het systeem schakelt uit als u op de
knop Adrukt. Als het systeem is uitge-
schakeld:
zijn de temperatuurdisplays gedoofd;
is de recirculatie ingeschakeld, waarbij
geen lucht van buiten binnenkomt;
is de aircocompressor uitgeschakeld;
is de aanjager uitgeschakeld.
Ook als het systeem is uitgeschakeld,
kan de achterruitverwarming worden in-/
uitgeschakeld.
BELANGRIJK De regeleenheid van de
klimaatregeling slaat de ingestelde tem-
peraturen in het geheugen op voordat
het systeem wordt uitgeschakeld. Als u
vervolgens op een willekeurige knop
drukt (behalve de knop van de achter-
ruitverwarming), worden de functies
weer hersteld. Als de functie van de
ingedrukte knop niet was ingeschakeld
voor de uitschakeling, dan wordt deze
functie ook geactiveerd; als deze daaren-
tegen was ingeschakeld, blijft de functie
gehandhaafd.
Als u de volledig automatische werking
van het systeem weer wilt inschakelen,
druk dan op de knop AUTO.
HULPVERWARMING
(indien aanwezig)
Dit systeem zorgt voor een snellere ver-
warming van het interieur bij koud weer.
De hulpverwarming schakelt automa-
tisch uit als de ingestelde temperatuur is
bereikt.
Automatische tweezone-aircondi-
tioning
De hulpverwarming schakelt automa-
tisch in nadat u de contactsleutel in
stand Mhebt gezet.
Hulpverwarming en handbediende
airconditioning
De hulpverwarming wordt automatisch
ingeschakeld als u de draaiknop M of Iin
het rode gebied draait en de aanjager ten
minste op de eerste snelheid inschakelt
(met de draaiknop D).
BELANGRIJK De hulpverwarming werkt
alleen bij een lage buitentemperatuur en
een lage koelvloeistoftemperatuur.
BELANGRIJK De hulpverwarming
wordt niet ingeschakeld als de accu
onvoldoende is opgeladen.
45
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
BEDIENINGSKNOPPEN fig. 51
Draaiknop A voor regeling van de
luchttemperatuur (menging van
warme/koude lucht)
Rode gebied = warme lucht.
Blauwe gebied = koude lucht.
Draaiknop B voor het inschake-
len/regelen van de aanjager
0= aanjager uitgeschakeld
1-2-3 = aanjagersnelheid
4 p= aanjager op maximale snelheid
fig. 51 F0P0043m
VERSTEL- EN REGELBARE
LUCHTROOSTERS VOOR DE
TWEEDE EN DERDE RIJ STOELEN
fig. 49-50
AVerstelbare luchtroosters voor
ventilatie van de tweede rij stoelen.
BVerstelbare luchtroosters voor
ventilatie van de derde rij stoelen.
Luchtroosters gebruiken: open de lucht-
roosters in de door de pijl aangegeven
richting en zet ze in de gewenste stand.
DRIEZONE-AIRCONDITIONING (indien aanwezig)
fig. 49 F0P0042m
fig. 50 F0P0044m
46
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
VERWARMING VAN HET
INTERIEUR
Ga als volgt te werk:
draai de knop Ain het rode vlak;
draai de knop Bop de gewenste snel-
heid.
SNELLE VERWARMING VAN
INTERIEUR
Ga voor een snelle verwarming als volgt
te werk:
draai de knop Ain het rode vlak;
schakel de recirculatie in;
draai de knop Bin stand 4p(maxi-
male aanjagersnelheid).
Vervolgens kan een stand gekozen wor-
den waarbij het comfort optimaal blijft
en de luchtrecirculatie worden uitge-
schakeld.
BELANGRIJK Bij een koude motor moet
enige minuten worden gewacht totdat
de vloeistof van het systeem de optima-
le bedrijfstemperatuur heeft bereikt.
fig. 52 F0P0045m
In-/uitschakeling airconditioning
Druk op de knop A-fig. 52 om de air-
conditioning in te schakelen.
Bij inschakeling gaan het lampje
B-fig. 52 op de knop zelf en het lampje
C-fig. 51 op het schakelaarpaneel gelijk-
tijdig branden.
Druk opnieuw op de knop A-fig. 52 om
de airconditioning uit te schakelen
(beide lampjes doven om de uitschake-
ling te bevestigen).
VENTILATIE VAN HET
INTERIEUR
Ga voor een goede ventilatie van het
interieur als volgt te werk:
draai de knop Ain het blauwe vlak;
schakel de recirculatie uit;
draai de knop Bop de gewenste snel-
heid.
AIRCONDITIONING (koeling)
Ga voor een snelle koeling als volgt te
werk:
draai de knop Ain het blauwe vlak;
schakel de recirculatie in;
schakel de airconditioning in door de
knop A-fig. 52 in te drukken; het
lampje Bop de knop gaat branden;
draai de knop Bin stand 4p(maxi-
male aanjagersnelheid).
Regeling van de koeling
draai de knop Ain het blauwe vlak;
schakel de recirculatie uit;
draai de knop Bvoor verlaging van de
aanjagersnelheid.
47
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
BUITENVERLICHTING
Met de linker hendel fig. 53 kunt u de
buitenverlichting in- en uitschakelen.
Als u de buitenverlichting inschakelt,
gaan ook de verlichting van het instru-
mentenpaneel en de bedieningsknoppen
op het dashboard branden.
VERLICHTING UIT fig. 53
Draai de draaiknop Ain stand 0.
BUITENVERLICHTING fig. 53
De verlichting wordt ingeschakeld als u de
draaiknop Avan stand 0in stand 6zet.
DIMLICHT fig. 53
De verlichting wordt ingeschakeld als u de
draaiknop Avan stand 6in stand
2
/
1
zet.
Op het instrumentenpaneel gaat het con-
trolelampje
2
branden.
GROOTLICHT fig. 54
De verlichting wordt ingeschakeld als u de
draaiknop Ain stand
2
/
1
zet en de
hendel naar het stuur trekt.
Op het instrumentenpaneel gaat het con-
trolelampje
1
branden.
Het grootlicht wordt uitgeschakeld als u
de hendel opnieuw naar het stuur trekt.
GROOTLICHTSIGNAAL fig. 54
Trek de hendel naar het stuurwiel (1e on-
vergrendelde stand), ongeacht de stand van
de draaiknop. Op het instrumentenpaneel
gaat het controlelampje
1
branden.
fig. 53 F0P0046m
fig. 54 F0P0047m
fig. 55 F0P0048m
MISTLAMPEN VOOR
(indien aanwezig) EN MIST-
ACHTERLICHTEN fig. 55-56
Inschakelen fig. 55:
draai de draaiknop Bin de richting
van de pijl:
eerste impuls, onvergrendelde stand,
inschakeling mistlampen voor; op het
instrumentenpaneel gaat het contro-
lelampje 5branden.
tweede impuls, onvergrendelde stand,
inschakeling mistachterlichten 4.
48
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
RICHTINGAANWIJZERS fig. 57
Ga als volgt te werk:
omhoog (stand 1): inschakeling rech-
ter richtingaanwijzer;
omlaag (stand 2): inschakeling linker
richtingaanwijzer.
Op het instrumentenpaneel knippert het
lampje Rof E.
De richtingaanwijzers schakelen automa-
tisch uit als de auto weer rechtuit rijdt.
Als u kort richting aan wilt geven (bijv.:
(wisselen van rijbaan), druk de hendel
dan iets naar boven of naar beneden
zonder dat de hendel vergrendelt.
Zodra u de hendel loslaat, gaat deze
automatisch terug.
fig. 57 F0P0050m
fig. 56 F0P0049m
Uitschakelen fig. 56:
draai de draaiknop Bin de richting
van de pijl, onvergrendelde stand.
De mistlampen voor en de mistachter-
lichten schakelen automatisch uit als de
verlichting wordt uitgeschakeld of als
uitsluitend de buitenverlichting weer
wordt ingeschakeld 6. Als u de mistach-
terlichten weer wilt inschakelen, moet u
dus de vorige handeling herhalen.
Als de motor weer wordt gestart, wordt
de verlichting automatisch weer inge-
schakeld als deze was ingeschakeld toen
de motor werd uitgezet.
BELANGRIJK Doof bij goed zicht de
mistachterlichten omdat ze hinderlijk
kunnen zijn voor weggebruikers achter
u.
BELANGRIJK De mistlampen voor, de
mistachterlichten en het grootlicht kun-
nen ook worden ingeschakeld als de
contactsleutel in stand Sstaat of is uit-
genomen. Bij geopende portieren klinkt
er een akoestisch signaal als de verlich-
ting is ingeschakeld.
49
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
Follow me home
(indien aanwezig)
Met deze functie kan voor een bepaalde
tijd (45 seconden) de ruimte voor de
auto verlicht worden. U schakelt deze
functie in door de contactsleutel in stand
Ste draaien of uit te nemen en de linker
hendel naar het dashboard te duwen.
Deze functie wordt ingeschakeld als de
hendel binnen 2 minuten na het uitzet-
ten van de motor, wordt bediend.
Als de auto is uitgerust met automatisch
inschakelende buitenverlichting en dim-
licht, wordt de functie follow me home
automatisch ingeschakeld als een portier
wordt geopend.
SCHEMERSENSOR (automatisch
inschakelende koplampen)
(indien aanwezig)
Deze sensor is in staat om de verschillen
in sterkte van het omgevingslicht waar te
nemen op basis van de ingestelde gevoe-
ligheid: hoe hoger de gevoeligheid, hoe
minder buitenlicht er nodig is om de ver-
lichting in te schakelen.
Inschakelen fig. 58
Draai de draaiknop in stand AUTO: op
deze manier gaan, afhankelijk van de
sterkte van het buitenlicht, de buitenver-
lichting en de dimlichten automatisch
branden.
fig. 58 F0P0286m
Uitschakelen fig. 58
Zet de draaiknop terug in stand å; bij uit-
schakeling van de functie verschijnt er een
bericht op het display.
De schemersensor is niet in staat om mist
te signaleren. Daarom moet bij mist de
verlichting handmatig worden ingescha-
keld.
50
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
RUITEN REINIGEN
Met de rechter hendel fig. 59 kunt u de
ruitenwissers/-sproeiers en achterruit-
wisser/-sproeier (indien aanwezig)
bedienen.
RUITENWISSERS/-
SPROEIERS
Deze werken uitsluitend als de contact-
sleutel in stand Mstaat.
De draaiknop van de rechter hendel kan
in vier standen worden gezet:
0ruitenwissers uitgeschakeld;
Iwissen met interval;
1langzaam continu wissen;
2snel continu wissen.
STijdelijk wissen (een slag): als u de
hendel loslaat, springt deze direct
weer in stand 0 en schakelen de
ruitenwissers automatisch uit.
Als u de hendel iets naar het stuur trekt
(onvergrendelde stand), schakelen de
ruitensproeiers in, ongeacht de stand
van de draaiknop. Als het dimlicht of
grootlicht brandt, gaan gelijktijdig ook de
koplampsproeiers (indien aanwezig)
werken. Vervolgens voeren de ruiten-
wissers een cyclus van drie slagen uit.
Gebruik de ruitenwissers niet
om opgehoopte sneeuw of ijs
van de voorruit te verwijde-
ren. In die omstandigheden
grijpt, als de ruitenwissers te zwaar
worden belast, de beveiliging in, die
ervoor zorgt dat de ruitenwissers enke-
le seconden worden uitgeschakeld. Als
hierna de werking niet wordt hervat
(ook na een herstart van de auto met
de contactsleutel), wendt u dan tot de
Fiat-dealer.
Om het onderhoud (bijvoorbeeld het
reinigen van de voorruit of het vervan-
gen van de wisserbladen) eenvoudiger
uit te kunnen voeren, gaan de ruitenwis-
sers in een verticale stand staan als de
hendel naar beneden wordt bewogen
binnen 60 seconden nadat de contact-
sleutel in stand Sis gezet of is uitgeno-
men; de ruitenwissers kunnen nu
omhoog worden geklapt voor het ver-
vangen van de rubbers of voor het reini-
gen.
BELANGRIJK Om eventuele schade aan
de carrosserie te voorkomen, mogen de
ruitenwissers uitsluitend omhoog wor-
den geklapt als ze eerst in verticale stand
zijn gezet volgens de hiervoor beschre-
ven procedure.
fig. 59 F0P0051m
51
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
Om het onderhoud (bijvoorbeeld het
reinigen van de voorruit of het vervan-
gen van de wisserbladen) eenvoudiger
uit te kunnen voeren, moet u met de
contactsleutel in stand Sof uitgenomen,
de hendel naar beneden plaatsen
(impuls) waarna de ruitenwissers in een
verticale stand gaan staan; de ruitenwis-
sers kunnen nu omhoog worden geklapt
voor het vervangen van de rubbers of
voor het reinigen.
Deze functie heeft een tijdschakeling en
is dus alleen mogelijk binnen 60 secon-
den nadat de contactsleutel in stand Sis
gedraaid of is uitgenomen.
De regensensor (indien aanwezig) is een
elektronische voorziening voor de rui-
tenwissers en zorgt ervoor dat de fre-
quentie van de slagen van de ruitenwis-
sers, tijdens het wissen met interval,
automatisch wordt aangepast aan de
hoeveelheid regen op de ruit.
Alle andere door de rechter hendel
geregelde functies worden hier niet
door beïnvloed.
De regensensor wordt automatisch inge-
schakeld als u de rechter hendel in stand
AUTO zet en heeft een regelbereik dat
geleidelijk varieert van stilstaande ruiten-
wissers (geen enkele slag) bij een droge
ruit, tot de eerste snelheid (langzaam
continu wissen) bij veel regenval.
Als de regensensor wordt ingeschakeld,
maken de ruitenwissers 1 slag.
REGENSENSOR
(indien aanwezig)
De regensensor bevindt zich achter de
binnenspiegel en staat in contact met de
voorruit. De sensor zorgt ervoor dat de
frequentie van de slagen van de ruiten-
wissers, tijdens het wissen met interval,
automatisch wordt aangepast aan de
hoeveelheid regen op de ruit.
BELANGRIJK Houd de ruit in de omge-
ving van de sensor schoon.
Als de regensensor fig. 60 aanwezig is:
0Ruitenwissers uitgeschakeld.
IWissen met interval.
1Langzaam continu wissen.
2Snel continu wissen.
AUTO Inschakeling regensensor
(automatische werking). Zodra u de
hendel loslaat, springt deze direct weer
in stand 0.
fig. 60 F0P0052m
52
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
Als de ruitensproeiers worden bediend
bij ingeschakelde regensensor, werkt het
normale reinigingsprogramma. Daarna
hervat de regensensor zijn normale
automatische werking.
Als u de contactsleutel in stand Sdraait,
wordt de regensensor uitgeschakeld. Als
de motor daarna wordt gestart, schakelt
de regensensor niet opnieuw in, ook
niet als de hendel in stand AUTO is blij-
ven staan.
Voor het inschakelen van de regensen-
sor moet de hendel in een andere stand
worden gezet en daarna in stand
AUTO.
De regensensor is in staat om de vol-
gende omstandigheden te herkennen en
zijn gevoeligheid hieraan aan te passen:
vuil op het controle-oppervlak (zout-
aanslag, vuil enz.);
waterstrepen veroorzaakt door ver-
sleten wisserrubbers;
verschil tussen dag en nacht (het zicht
wordt ‘s nachts sterker gehinderd
door vocht op de ruit).
Als u de hendel iets naar het stuur trekt
(onvergrendelde stand), schakelen de
ruitensproeiers in, ongeacht de stand
van de draaiknop. Als het dimlicht of
grootlicht brandt, gaan gelijktijdig ook de
koplampsproeiers (indien aanwezig)
werken. Vervolgens voeren de ruiten-
wissers een cyclus van drie slagen uit.
Schakel de regensensor niet
in als de auto in een
wastunnel wordt gereinigd.
ATTENTIE
Voor het reinigen van de
voorruit moet altijd worden
gecontroleerd of het systeem is uit-
geschakeld.
ATTENTIE
Schakel het systeem niet in
als er ijs op de voorruit zit.
ATTENTIE
53
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
Achterruitwisser (indien
aanwezig) fig. 61
Deze werkt alleen als de contactsleutel
in stand Mstaat.
Draai de draaiknop Avan stand 0in
stand '.
Als de ruitenwissers zijn ingeschakeld en
u de achteruit inschakelt, schakelt de
achterruitwisser automatisch in voor
maximaal zicht achter.
KOPLAMPSPROEIERS (indien
aanwezig) fig. 62
De “verzonken” koplampsproeiers zijn
in de voorbumper van de auto gemon-
teerd en treden in werking als u, bij inge-
schakeld dimlicht, de ruitensproeiers
inschakelt.
BELANGRIJK Controleer regelmatig of
de koplampsproeiers schoon en in
goede staat zijn.
fig. 62 F0P0054m
Gebruik de achterruitwisser
niet om opgehoopte sneeuw
of ijs van de achterruit te ver-
wijderen. In die omstandighe-
den grijpt, als de achterruitwisser te
zwaar wordt belast, de beveiliging in,
die ervoor zorgt dat de wisser enkele
seconden wordt uitgeschakeld. Als
hierna de werking niet wordt hervat
(ook na een herstart van de auto met
de contactsleutel), wendt u dan tot de
Fiat-dealer.
Achterruitsproeier (indien
aanwezig) fig. 61
Deze werkt alleen als de contactsleutel
in stand Mstaat.
Draai de draaiknop Avan stand 'in
stand &(onvergrendelde stand) om
de achterruitsproeier in te schakelen.
Gelijktijdig voeren de ruitenwissers een
cyclus van drie slagen uit.
fig. 61 F0P0053m
54
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
CRUISE-CONTROL
(snelheidsregelaar)
(indien aanwezig)
ALGEMENE INFORMATIE
De elektronische snelheidsregeling
(CRUISE-CONTROL) maakt het
mogelijk een constante, vooraf ingestel-
de snelheid aan te houden, zonder het
gaspedaal ingetrapt te houden. Op deze
manier wordt het rijden, vooral op lange
trajecten, minder vermoeiend omdat de
ingestelde snelheid automatisch gehand-
haafd blijft.
BELANGRIJK Het systeem kan alleen
worden ingeschakeld als de snelheid
hoger is dan 40 km/h en de op een na
hoogste of hoogste versnelling is inge-
schakeld.
Opslaan van een snelheid (alleen in
de op een na hoogste of hoogste ver-
snelling en bij een snelheid boven de 40
km/h): als u de hendel Ain stand ON
zet, wordt de huidige snelheid van de
auto aangehouden en opgeslagen en gaat
ON” branden onder het symbool van
de snelheidsmeter op het kilometertel-
lerdisplay.
De ingestelde snelheid kan, indien nodig,
verhoogd worden door het gaspedaal in
te trappen (bijv. bij inhalen); zodra u het
pedaal weer loslaat, wordt de opgesla-
gen snelheid weer aangehouden.
Handmatig verhogen of verlagen:
bedien bij ingeschakelde cruise-control
de hendel Bof Com de opgeslagen
snelheid respectievelijk te verlagen of te
verhogen.
Systeem uitschakelen: druk op de
knop Dop het uiteinde van de hendel.
Het systeem schakelt automatisch uit als
u het rem- of koppelingspedaal intrapt.
Oproepen van een opgeslagen snel-
heid: druk na het intrappen van het
rem- of koppelingspedaal of na het uit-
schakelen van het systeem, op de knop
Dom de laatst opgeslagen snelheid op
te roepen.
Wissen van een snelheid: zet voor
het wissen van alle opgeslagen snelheden
de hendel van stand ON in stand OFF.
BELANGRIJK Gebruik de cruise-control
uitsluitend als de verkeersomstandighe-
den of het wegdek een constante snel-
heid toelaten.
fig. 63 F0P0055m
De cruise-control mag uit-
sluitend worden gebruikt
als de verkeersomstandigheden en
het traject van dien aard zijn dat,
over een voldoende lange afstand,
volledig veilig een constante snel-
heid kan worden aangehouden.
ATTENTIE
58
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
DIEFSTALALARM
(indien aanwezig)
UITSCHAKELEN
Als u op de knop fig. 73 op de midden-
console drukt, wordt het diefstalalarm
uitgeschakeld.
Als het systeem is uitgeschakeld, brandt
het lampje op de knop.
Als het diefstalalarm is uitgeschakeld,
moet u opnieuw op de knop drukken
om het weer in te schakelen.
fig. 72 F0P0063m
PARKEERSENSOREN
(indien aanwezig)
UITSCHAKELEN
Als u op de knop fig. 72 op de midden-
console drukt, wordt de werking van de
parkeersensoren uitgeschakeld.
Als het systeem is uitgeschakeld, brandt
het lampje op de knop.
Als de parkeersensoren zijn uitgescha-
keld, moet u opnieuw op de knop druk-
ken om ze weer in te schakelen.
fig. 73 F0P0062m
CENTRALE VERGRENDELING
VAN ZIJSCHUIFDEUREN EN
ACHTERDEUREN
(indien aanwezig)
U kunt de centrale vergrendeling van de
zijschuifdeuren en achterdeuren inscha-
kelen door de knop fig. 71 op de mid-
denconsole in te drukken, onafhankelijk
van de stand van de contactsleutel.
Het lampje op de knop gaat branden als
deze functie wordt ingeschakeld.
Druk de knop nogmaals in om de deuren
te ontgrendelen.
fig. 71 F0P0061m
59
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
Als u geen brandstoflekkage waarneemt
en de auto kan nog verder rijden, ga dan
als volgt te werk om de brandstoftoe-
voer weer te herstellen:
draai de contactsleutel in stand S;
neem de contactsleutel uit, steek de
sleutel weer in het contactslot en
start de motor op de normale wijze.
BRANDSTOFNOOD-
SCHAKELAAR
Deze veiligheidsschakelaar, die geregeld
wordt door de regeleenheid van het air-
bagsysteem, werkt bij een botsing (onge-
acht de richting) van een bepaalde
omvang, waardoor de toevoer van
brandstof wordt gestopt en de motor
afslaat.
Op het instelbare multifunctionele dis-
play verschijnt een bericht als de brand-
stofnoodschakelaar inschakelt.
Als u na een ongeval een
brandstoflucht ruikt of
merkt dat het brandstofsysteem
lekt, druk dan de schakelaar niet
weer terug, zodat brand wordt voor-
komen.
ATTENTIE
61
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
OPBERGVAKKEN IN VOOR-
PORTIEREN
In de voorportieren bevinden zich twee
opberg/documentenvakken fig. 79.
OPBERGVAK OP DASHBOARD
Op het dashboard, tegenover de passa-
giersstoel, bevindt zich een opbergvak
A-fig. 80.
FLESSENHOUDER
Aan weerszijden van het dashboard zijn
twee verzonken flessenhouders
geplaatst A-fig. 81. Om ze te gebruiken,
moet u op de klepjes drukken zoals in de
figuur is aangegeven.
fig. 77 F0P0068m
fig. 78 F0P0069m
fig. 80 F0P0072m
fig. 79 F0P0070m
TAFELTJE MET BLIKJESHOU-
DERS EN DOCUMENTENKLEM
(indien aanwezig)
Als u de lip A-fig. 77 van de rugleuning
van de middelste zitplaats voor in de
richting van de pijl trekt, heeft u een
tafeltje A-fig. 78 met blikjeshouders B
en een documentenklem C.
fig. 81 F0P0073m
63
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
BELANGRIJK Gebruik de asbak niet als
prullenbak voor papiertjes; als deze in
contact komen met smeulende peuken
kan er brand ontstaan.
ZONNEKLEPPEN fig. 87
De zonnekleppen zitten aan beide zijden
naast de binnenspiegel. Ze kunnen voor
de voorruit of voor de zijruit worden
gedraaid.
De zonnekleppen zijn voorzien van een
spiegeltje (indien aanwezig).
Om het spiegeltje (indien aanwezig) te
gebruiken, moet het klepje A(bepaalde
uitvoeringen) worden geopend.
fig. 87 F0P0079m fig. 88 F0P0080m
fig. 89 F0P0081m
STEKKERDOZEN
(indien aanwezig)
Afhankelijk van de uitvoering kunnen de
stekkerdozen zich op verschillende
plaatsen in het interieur bevinden.
Open voor gebruik de dop A-fig. 88.
VASTE SCHEIDINGSWAND
(indien aanwezig)
In enkele uitvoeringen is een vaste schei-
dingswand aanwezig fig. 89 tussen de
laadruimte en de bestuurdersstoel om
de bestuurder tijdens het rijden te
beschermen voor de lading in de laad-
ruimte.
68
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
NOOD-
GEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
DASHBOARD
EN BEDIENING
Schakel dit systeem altijd in
als u kinderen vervoert.
ATTENTIE
Controleer nadat u het vei-
ligheidsslot bij beide ach-
terportieren hebt ingeschakeld, of
het slot daadwerkelijk is ingescha-
keld door aan de handgreep aan de
binnenzijde van de portieren te
trekken.
ATTENTIE
ROLHOES VOOR AFDEK-
KEN BAGAGERUIMTE
(indien aanwezig)
Om de rolhoes te gebruiken, moet u de
handgreep A-fig. 100 vastpakken en de
rolhoes uit de rolautomaat Buitrollen
en bevestigen aan de betreffende borgin-
gen.
Indien de rolautomaat moet worden
verwijderd: maak de twee uiteinden los
uit de zittingen door op de schakelaar
A-fig. 101 te drukken.
fig. 100 F0P0091m
fig. 101 F0P0092m


Product specificaties

Merk: Fiat
Categorie: Personenwagen
Model: Scudo 2006

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Fiat Scudo 2006 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden




Handleiding Personenwagen Fiat

Fiat

Fiat Bravo 2006 Handleiding

7 Februari 2022
Fiat

Fiat 500 - 2008 Handleiding

17 Augustus 2022
Fiat

Fiat 500 Abarth Handleiding

16 Augustus 2022
Fiat

Fiat Scudo 2014 Handleiding

1 September 2021
Fiat

Fiat Sedici 2006 Handleiding

1 September 2021
Fiat

Fiat Strada Handleiding

31 Augustus 2021
Fiat

Fiat Sedici 2008 Handleiding

31 Augustus 2021
Fiat

Fiat Strada 2011 Handleiding

31 Augustus 2021
Fiat

Fiat Stilo Handleiding

31 Augustus 2021
Fiat

Fiat Scudo 2012 Handleiding

30 Augustus 2021

Handleiding Personenwagen

Nieuwste handleidingen voor Personenwagen

Kia

Kia Cee-d Handleiding

16 Oktober 2023
Kia

Kia Carens 1 Handleiding

16 Oktober 2023
Kia

Kia Carens II Handleiding

16 Oktober 2023
Audi

Audi A1 Handleiding

5 Oktober 2023
Audi

Audi Q3 Handleiding

5 Oktober 2023
Audi

Audi S3 Handleiding

5 Oktober 2023