Volvo V70 -2010 Handleiding

Volvo Personenwagen V70 -2010

Lees hieronder de 📖 handleiding in het Nederlandse voor Volvo V70 -2010 (322 pagina's) in de categorie Personenwagen. Deze handleiding was nuttig voor 47 personen en werd door 2 gebruikers gemiddeld met 4.5 sterren beoordeeld

Pagina 1/322
Kdakd8Vg8dgedgVi^dcIE&%.+.9jiX]!6I%.'%!Eg^ciZY^cHlZYZc!<iZWdg\'%%.!8deng^\]i'%%%"'%%.Kdakd8Vg8dgedgVi^dc
VOLVO V70 & XC70
Instructieboekje
WEB EDITION
BESTE VOLVO-BEZITTER,
DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben.
Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw pas-
sagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s
ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende
veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan
om vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de
onderhoudsinformatie in dit instructieboekje.
Inhoud
2*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
00
00 Inleiding
Belangrijke informatie................................. 6
Volvo en het milieu...................................... 9
01
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels .................................... 14
Airbagsysteem (SRS)................................ 17
Airbag activeren/deactiveren*................... 20
SIPS-airbags (zij-airbags) ........................ 22
Opblaasgordijnen (IC-systeem) ............... 24
WHIPS ...................................................... 25
Activering van de veiligheidssystemen .... 27
Safety mode.............................................. 28
Kinderen en veiligheid............................... 29
02
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad................. 42
Privacy locking*......................................... 47
Batterij vervangen transpondersleutel/
PCC*......................................................... 49
Keyless drive*............................................ 51
Vergrendelen/ontgrendelen...................... 54
Kinderslot.................................................. 59
Alarm*....................................................... 60
Inhoud
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 3
03
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening. . 66
Sleutelstanden.......................................... 75
Stoelen en achterbank.............................. 77
Stuurwiel................................................... 81
Verlichting................................................. 82
Wissers en -sproeiers............................... 92
Ruiten en spiegels..................................... 95
Kompas*................................................. 100
Elektrisch bedienbaar schuifdak*............ 101
Motor starten.......................................... 103
Motor starten, FlexiFuel.......................... 105
Motor starten, hulpaccu.......................... 107
Versnellingsbakken................................. 108
Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel
Drive)*...................................................... 113
Bedrijfsrem.............................................. 114
Afdalingsregeling, HDC (Hill Descent Con-
trol).......................................................... 116
Parkeerrem.............................................. 118
HomeLink *............................................ 121
04
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties.................... 126
Klimaatregeling....................................... 132
Motor- en interieurverwarming op brand-
stof*......................................................... 140
Extra verwarming op brandstof*............. 143
Audiosysteem......................................... 144
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment)
met twee beeldschermen* ..................... 158
Boordcomputer....................................... 163
Stabiliteits- en tractieregelsysteem,
DSTC....................................................... 165
Rijeigenschappen aanpassen................. 167
Cruisecontrol*......................................... 168
Adaptieve cruisecontrol*......................... 170
Afstandscontrole..................................... 177
Collision Warning met Auto Brake*......... 180
Driver Alert System – DAC*..................... 186
Driver Alert System – (LDW)*.................. 189
Park Assist*............................................. 192
BLIS* – Blind Spot Information System. . 195
Interieurcomfort...................................... 200
Bluetooth handsfree*.............................. 204
Geïntegreerde telefoon*.......................... 209
05
05 Tijdens het rijden
Rijadviezen.............................................. 216
Tanken.................................................... 218
Brandstof................................................ 219
Lading vervoeren.................................... 223
Bagageruimte.......................................... 226
Gevarendriehoek*................................... 231
Rijden met een aanhanger...................... 232
Slepen en bergen.................................... 238
Inhoud
4
06
06 Onderhoud en service
Motorruimte............................................ 242
Gloeilampen............................................ 248
Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof. 255
Accu........................................................ 257
Zekeringen.............................................. 260
Wielen en banden................................... 268
Verzorging............................................... 281
07
07 Specificaties
Type-aanduidingen................................. 288
Maten en gewichten................................ 290
Motorspecificaties................................... 295
Motorolie................................................. 296
Vloeistoffen en smeermiddelen............... 299
Brandstof................................................ 302
Elektrisch systeem.................................. 304
Typegoedkeuring.................................... 305
08
08 Alfabetisch register
Alfabetisch register................................. 306
Inhoud
5
Inleiding
Belangrijke informatie
6
Instructieboekje lezen
Inleiding
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt
u tips hoe u het beste in verschillende situaties
met de auto kunt omgaan en leert u hoe u opti-
maal gebruik kunt maken van alle mogelijkhe-
den die uw auto biedt. Besteed ook aandacht
aan de veiligheidsinstructies in het boekje.
De in het instructieboekje beschreven uitrus-
ting is niet op alle auto’s aanwezig. Als aanvul-
ling op de standaarduitrusting worden in dit
instructieboekje ook de opties (van fabrieks-
wege gemonteerde uitrusting) en bepaalde
accessoires (ingebouwde extra uitrusting)
beschreven. Uw wordt geadviseerd contact op
te nemen met de erkende Volvo-dealer voor
informatie over wat tot de standaarduitrusting
behoort en wat tot de opties/accessoires.
De uitrusting van de auto’s van Volvo hangt af
van de verschillende behoeften op de diverse
markten en de landelijke en/of regionale wet-
en regelgeving.
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet
bindend. We behouden ons het recht voor om
zonder voorafgaande mededeling wijzigingen
aan te brengen.
© Volvo Car Corporation
Optie
Alle soorten opties staan aangegeven met een
sterretje in het instructieboekje.
Het aanbod aan opties kan voor alle auto’s gel-
den, maar soms alleen voor bepaalde uitvoe-
ringen en/of bepaalde markten. De meeste
opties worden in de fabriek gemonteerd en
kunnen niet achteraf worden ingebouwd.
Accessoires worden achteraf ingebouwd.
U wordt geadviseerd voor meer informatie
contact op te nemen met de erkende Volvo-
dealer.
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Teksten met het kopje WAARSCHUWING
geven aan dat er gevaar voor letsel bestaat.
BELANGRIJK
Teksten met het kopje BELANGRIJK geven
aan dat er gevaar voor materiële schade
bestaat.
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips
en adviezen die het gebruik van bepaalde
mogelijkheden en functies vergemakkelij-
ken.
Voetnoot
In het instructieboekje komt informatie voor in
de vorm van een voetnoot onder aan de
pagina. Deze informatie vormt een aanvulling
op de tekst waar het nummer van de voetnoot
naar verwijst. Als de voetnoot naar tekst in een
tabel verwijst, worden letters gebruikt in plaats
van cijfers.
Displaymeldingen
In de auto zijn displays aanwezig waarop mel-
dingen kunnen worden weergegeven. Deze
displaymeldingen worden in het instructie-
boekje in iets groter formaat en in het grijs
weergegeven. Voorbeelden daarvan vindt u in
de menuteksten en displaymeldingen van het
informatiedisplay (bijvoorbeeld Audio-
instellingen).
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de
auto om belangrijke informatie op een simpele
en duidelijke manier over te dragen. De stickers
in de auto zijn van de onderstaande aflopende
waarschuwings-/informatiegraad.
Inleiding
Belangrijke informatie
7
Gevaar voor lichamelijk letsel
Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschu-
wingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waar-
schuwing, kan resulteren in ernstig letsel met
mogelijk dodelijke afloop.
Gevaar voor materiële schade
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeel-
ding in een zwart of blauw waarschuwings- en
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waar-
schuwing, kan resulteren in materiële schade.
Informatie
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeel-
ding in een zwart tekstveld.
N.B.
Het is mogelijk dat de stickers die in de
instructieboek staan geen exacte kopieën
zijn van de stickers die in de auto zitten. Ze
dienen alleen om aan te geven hoe de stic-
kers er bij benadering uitzien en waar ze
ongeveer zitten. De informatie die voor uw
auto geldt staat op de desbetreffende stic-
kers in/op uw auto.
Procedurelijsten
Procedures met handelingen die in een
bepaalde volgorde moeten worden uitgevoerd,
staan genummerd in het instructieboekje.
Inleiding
Belangrijke informatie
8
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de ver-
schillende stappen van de instructie op
dezelfde manier genummerd als de bijbe-
horende afbeeldingen.
Als voor de instructies bij een reeks afbeel-
dingen de onderlinge volgorde niet rele-
vant is, worden de instructies voorafge-
gaan door letters.
Er komen genummerde en ongenummerde
pijlen voor. Ze worden gebruikt om een
bepaalde beweging weer te geven.
Wanneer er geen reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de ver-
schillende stappen op de standaardmanier
genummerd met normale cijfers.
Positielijsten
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde
cijfer wordt gehanteerd in de positielijst bij
de afbeelding, met een beschrijving van de
weergegeven objecten.
Opsommingslijsten
Bij opsommingen in het instructieboekje wordt
gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
Bijvoorbeeld:
•Koelvloeistof
•Motorolie
Zie ommezijde
`` Dit symbool staat rechts onderaan wanneer
een hoofdstuk wordt voortgezet op de vol-
gende pagina.
Vastlegging van gegevens
De rij- en veiligheidssystemen van de auto
maken gebruik van computers die de functie
van de auto controleren en onderling gegevens
uitwisselen. Een of meer van deze computers
leggen bij een aanrijding of bijna-aanrijding
mogelijk informatie vast over de systemen die
ze bij normale ritten bewaken. De vastgelegde
informatie wordt mogelijk gebruikt door:
•Volvo Car Corporation
•Service- of reparatiewerkplaatsen
•Politie en andere instanties
•Derden die wettige aanspraken maken op
kennisname van de informatie of iemand
die door de autobezitter gevolmachtigd is
tot kennisname van de informatie.
Accessoires en opties
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires kan een nadelige invloed hebben
op de werking van de elektronische systemen
van de auto. Bepaalde accessoires werken
alleen, wanneer de bijbehorende software in de
computersystemen van de auto wordt gela-
den. U wordt daarom altijd geadviseerd con-
tact op te nemen met een erkende Volvo-werk-
plaats, voordat u accessoires monteert die in
verbinding staan met of van invloed zijn op het
elektrische systeem.
Informatie op internet
Op www.volvocars.com vindt u meer informa-
tie over uw auto.
Inleiding
Volvo en het milieu
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 9
Milieubeleid van Volvo Car Corporation
G000000
Zorg voor het milieu is een van de kernwaarden
van Volvo Car Corporation die van invloed zijn
op alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat
onze klanten onze zorg voor het milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. Volvo Car Corporation is
gecertificeerd volgens de milieunorm ISO
14001 voor alle fabrieken en de meeste andere
eenheden. We eisen bovendien van onze
samenwerkingspartners dat ze systematisch
aan milieuzorg doen.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het alge-
meen een geringere uitstoot van het broeikas-
gas kooldioxide op.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik.
Lees voor meer informatie de tekst onder het
kopje Spaar het milieu.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
“Schoon aan binnen- en buitenkant” – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënte uit-
laatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaat-
gasemissies ver onder de geldende normen.
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pol-
len niet via de luchtinlaatopening in de passa-
giersruimte kunnen dringen.
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS* (Interior Air Quality System), zorgt ervoor
dat de lucht die de passagiersruimte binnen-
komt schoner is dan de lucht buiten in het ver-
keer.
Inleiding
Volvo en het milieu
10
Het systeem bestaat uit een elektronische sen-
sor en een koolstoffilter. De binnenkomende
lucht wordt continu gecontroleerd en als het
gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals
koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de lucht-
inlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich voor-
doen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tun-
nels.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxi-
den, laaghangend ozon en koolwaterstoffen
niet binnendringen.
Textielnorm
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gerieflijk en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën of
astma. Er is extra veel aandacht besteed aan
de selectie van milieuvriendelijke materialen.
Ze voldoen dan ook aan de eisen van de norm
Öko-Tex 1001 – een enorme stap op weg naar
een gezonder milieu in de passagiersruimte.
Het Öko-Tex-label stelt regels aan bijvoor-
beeld de veiligheidsgordels, de vloerbekleding
en de gebruikte stoffen. De leren bekledings-
varianten zijn chroomvrij gelooid met plantaar-
dige stoffen en voldoen aan de gestelde certi-
ficeringseisen.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaar-
den scheppen voor een lange levensduur en
een laag brandstofverbruik. Op die manier
draagt u bij aan een schoner milieu. Wanneer
u de reparaties en het onderhoud aan de auto
toevertrouwt aan de werkplaatsen van Volvo,
wordt de auto een onderdeel van ons systeem.
We stellen duidelijke milieu-eisen aan de outil-
lage van onze werkplaatsen om te voorkomen
dat er schadelijke stoffen vrijkomen in het
milieu. Het personeel in de werkplaatsen van
Volvo beschikt over de kennis en het gereed-
schap om optimale zorg voor het milieu te kun-
nen garanderen.
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te
beschermen door bijvoorbeeld zuinig te rijden
en de auto te (laten) onderhouden aan de hand
van de aanwijzingen in het instructieboekje.
Hieronder volgen enkele tips voor hoe u het
milieu kunt ontzien (zie pagina’s 280, 216 voor
meer tips om het milieu te ontzien en zuinig te
rijden):
•Verlaag het brandstofverbruik door de
zogeheten ECO-bandenspanning aan te
houden (zie pagina 280).
•Lading op het dak en een skibox resulteren
in een grotere luchtweerstand waardoor
het brandstofverbruik toeneemt. Verwijder
ze daarom meteen na gebruik.
•Laat spullen niet onnodig in de auto liggen.
Hoe groter de belasting van de auto, des
te hoger het brandstofverbruik.
•Gebruik vóór een koude start altijd de
motorverwarming, als de auto hiermee is
uitgerust. Hierdoor nemen het brandstof-
verbruik en de uitstoot af.
•Rijd rustig en vermijd krachtig remmen.
•Rijd in de hoogst mogelijke versnelling.
Een lager toerental zorgt voor een lager
verbruik.
•Rem af op de motor.
•Voorkom stationair draaien. Houd u aan de
plaatselijke voorschriften. Zet de motor af
wanneer u langere tijd stilstaat.
•Hanteer afvalstoffen die schadelijk voor het
milieu zijn, zoals accu’s en olie, op een
milieuvriendelijke manier. U wordt geadvi-
seerd contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats, als u niet zeker
weet hoe u dergelijk afval moet verwerken.
1Meer informatie staat op www.oekotex.com
Inleiding
Volvo en het milieu
11
•Onderhoud uw auto regelmatig.
•Bij hoge snelheden neemt het verbruik
aanzienlijk toe vanwege de grotere lucht-
weerstand. Bij een verdubbeling van de
snelheid neemt de luchtweerstand met een
factor vier toe.
Door deze tips op te volgen kan het brandstof-
verbruik worden verlaagd zonder dat dit van
invloed is op de reistijd of op het rijplezier. U
ontziet uw auto, bespaart geld en gebruikt min-
der van de hulpbronnen op aarde.
Milieu-aspecten van het
instructieboekje
Het FSC-symbool geeft aan dat de papierve-
zels waarvan deze publicatie gemaakt is
afkomstig zijn uit FSC-gecertificeerde bossen
of andere gecontroleerde bronnen.
G020871
12 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Veiligheidsgordels .................................................................................. 14
Airbagsysteem (SRS).............................................................................. 17
Airbag activeren/deactiveren*................................................................. 20
SIPS-airbags (zij-airbags) ....................................................................... 22
Opblaasgordijnen (IC-systeem) ............................................................. 24
WHIPS .................................................................................................... 25
Activering van de veiligheidssystemen .................................................. 27
Safety mode............................................................................................ 28
Kinderen en veiligheid............................................................................. 29
01
VEILIGHEID
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
01
14 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er
daarom op dat alle passagiers hun veiligheids-
gordel omhebben.
Voor optimale bescherming van de veiligheids-
gordel is het van belang dat de gordel goed
tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet
te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel
biedt de beste bescherming bij een normale
rijhouding.
Veiligheidsgordel omdoen
Trek de veiligheidsgordel langzaam uit en
maak deze vast door de borglip in de sluiting
te steken. Een duidelijke “klik” geeft aan dat de
veiligheidsgordel vastzit.
Op de achterbank passen de borglippen van
de veiligheidsgordel alleen in de bijbehorende
sluitingen*.
Veiligheidsgordel losmaken
Druk op de rode knop van de sluiting en laat
het oprolmechanisme de veiligheidsgordel
naar binnen trekken. Als de veiligheidsgordel
niet volledig wordt opgerold, moet u de gordel
handmatig zo ver terugrollen dat deze niet lan-
ger slap hangt.
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en kan niet
verder worden uitgetrokken:
•wanneer u de gordel te snel uittrekt
•wanneer u remt of optrekt
•als de auto sterk overhelt.
Let erop dat:
•u geen klemmen of andere accessoires
gebruikt waardoor u de veiligheidsgordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken
•er geen slagen in de veiligheidsgordel zit-
ten en dat hij nergens achter blijft steken
•de heupgordel laag moet zitten (niet over
de buik)
•u de heupgordel over de heupen spant
door aan de diagonale schoudergordel te
trekken zoals op de voorgaande afbeel-
ding.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afne-
men waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bestemd ter
bescherming van slechts één persoon.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veilig-
heidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te
repareren. Volvo adviseert u daarvoor con-
tact op te nemen met een erkende Volvo-
werkplaats.
Als een veiligheidsgordel aan grote krach-
ten heeft blootgestaan zoals tijdens een
aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in
zijn geheel vervangen. De veiligheidsgordel
kan een deel van zijn beschermende eigen-
schappen hebben verloren, zelfs als de vei-
ligheidsgordel ogenschijnlijk niet bescha-
digd is. Vervang de veiligheidsgordel ook
als deze versleten of beschadigd is. De
nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedge-
keurd en bedoeld voor montage op dezelfde
positie als de vervangen veiligheidsgordel.
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
01
``
15
Veiligheidsgordel en zwangerschap
G020998
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk dat
u de veiligheidsgordel altijd op de juiste manier
draagt. De veiligheidsgordel moet strak langs
de schouder lopen, waarbij het diagonale deel
van de veiligheidsgordel tussen de borsten en
tegen de zijkant van de buik ligt.
Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel
moet vlak tegen de buitenkant van de boven-
benen liggen en zo ver mogelijk onder de buik
liggen. Het mag nooit over de buik omhoog
kunnen glijden. De veiligheidsgordel moet zo
strak mogelijk over het lichaam lopen zonder
onnodige speling. Controleer ook of de veilig-
heidsgordel nergens gedraaid zit.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze met
gemak bij het stuur en de pedalen moeten kun-
nen komen). Streef ernaar de afstand tussen de
buik en het stuur zo groot mogelijk te maken.
Gordelwaarschuwing
G017726
Er gaan waarschuwingslampjes branden en er
worden geluidssignalen afgegeven wanneer
iemand de gordel niet draagt. Of er geluidssig-
nalen klinken, hangt af van de snelheid. De
waarschuwingslampjes zitten in de plafond-
console en op het instrumentenpaneel.
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet
voor kinderzitjes.
Achterbank
De functie van de gordelwaarschuwing voor de
achterbank is tweeledig:
•Aangeven welke veiligheidsgordels van de
achterbank er worden gebruikt. De waar-
schuwing wordt gegeven bij het gebruik
van de veiligheidsgordels of bij het openen
van een van de achterportieren. De mel-
ding wordt na ca. 30 seconden automa-
tisch gewist, maar kan ook handmatig wor-
den bevestigd door op de knop READ op
de richtingaanwijzerhendel te drukken.
•Waarschuwen dat iemand op de achter-
bank de veiligheidsgordel heeft losgeno-
men. Er wordt gewaarschuwd met een
melding op het informatiedisplay in com-
binatie met een geluidssignaal en een
waarschuwingslampje. De waarschuwing
stopt wanneer de gordel weer is omge-
daan, maar kan ook handmatig worden
bevestigd door op de knop READ te druk-
ken.
De melding op het informatiedisplay, die aan-
geeft welke veiligheidsgordels er gebruikt wor-
den, is altijd beschikbaar. Druk op de knop
READ om de opgeslagen meldingen te zien.
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
01
16
Bepaalde markten
Er gaat een waarschuwingslampje branden en
er worden geluidssignalen afgegeven wanneer
de bestuurder en een eventuele voorpassagier
de gordel niet dragen. Op lage snelheden klinkt
de eerste 6 seconden lang een geluidssignaal.
Gordelspanners
Alle veiligheidsgordels zijn uitgerust met gor-
delspanners. Dit is een mechanisme dat bij een
voldoende krachtige aanrijding de veiligheids-
gordel rond het lichaam spant. De veiligheids-
gordel kan de passagier daarmee beter in de
stoel gedrukt houden.
01 Veiligheid
Airbagsysteem (SRS)
01
``
17
Waarschuwingssymbool op
instrumentenpaneel
o
01
G021010
Het airbagsysteem wordt continu gecontro-
leerd door de regelmodule. Het waarschu-
wingssymbool op het instrumentenpaneel gaat
branden, wanneer u de transpondersleutel in
stand II of III zet. Het symbool dooft na ca.
6 seconden, wanneer de regelmodule heeft
vastgesteld dat het airbagsysteem geen sto-
ringen vertoont.
WAARSCHUWING
Als het waarschuwingslampje voor het air-
bagsysteem blijft branden of tijdens het rij-
den korte tijd oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt. Het
lampje kan ook duiden op een storing in de
gordelspanners, het SIPS-, het SRS- of het
IC-systeem. Volvo adviseert u zo spoedig
mogelijk contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
Behalve het brandende waarschuwingssym-
bool verschijnt er, in die gevallen waarin dat
nodig is, een melding op het informatiedisplay.
Als het waarschuwingslampje niet werkt, gaat
het waarschuwingsdriehoekje branden en ver-
schijnt er SRS airbag Service vereist of SRS
airbag Service spoed op het display. Volvo
adviseert u zo spoedig mogelijk contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Overzicht airbagsysteem
G018665
SRS-systeem, auto met het stuur links.
G018666
SRS-systeem, auto met het stuur rechts.
Het SRS-systeem bestaat uit airbags en sen-
soren. Bij een voldoende krachtige aanrijding
reageren de sensoren, waarna één of meer air-
01 Veiligheid
Airbagsysteem (SRS)
01
18
bags worden opgeblazen. Daarbij worden de
airbags warm. Om de klap op te vangen loopt
de airbag leeg wanneer de inzittende de airbag
raakt. Daarbij treedt er rookvorming in de auto
op. Dit is volkomen normaal. Het totale ver-
loop, van het opblazen tot het leeglopen van de
airbag, neemt enkele tienden van een seconde
in beslag.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u voor reparatie contact op
te nemen met een erkende Volvo-werk-
plaats. Verkeerde ingrepen in het airbag-
systeem kunnen aanleiding geven tot sto-
ringen in de werking met mogelijk ernstig
lichamelijk letsel tot gevolg.
N.B.
De reactie van de sensoren hangt af van de
ernst van de aanrijding en van het feit of de
veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde
of de passagierszijde vooraan wordt gedra-
gen of niet.
Het is dan ook mogelijk dat er bij ongeluk-
ken slechts één (of geen enkele) van de air-
bags wordt opgeblazen. Het airbagsysteem
registreert de botskracht waaraan de auto
blootstaat en stemt de activering van een of
meerdere airbags daarop af.
Ook de capaciteit van de airbags wordt
afgestemd op de botskracht waaraan de
auto blootstaat.
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur links.
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur rechts.
Airbag aan de bestuurderszijde
G021011
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordels
aan de bestuurderszijde ook een airbag (SRS -
01 Veiligheid
Airbagsysteem (SRS)
01
19
Supplemental Restraint System) in het stuur-
wiel. De airbag zit opgevouwen in het midden
van het stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van
het opschrift SRS AIRBAG.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afne-
men waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
Airbag aan de passagierszijde
Als aanvulling op de veiligheidsgordel van de
passagiersstoel heeft uw auto ook een passa-
giersairbag die ligt opgevouwen in een ruimte
boven het dashboardkastje. Het paneel is
voorzien van het opschrift SRS AIRBAG.
WAARSCHUWING
Om de kans op letsel bij het opblazen van
de airbags te beperken, moeten de passa-
giers zo rechtop mogelijk zitten met hun
voeten op de vloer en hun rug tegen de rug-
leuning. De veiligheidsgordel moet goed
vastzitten.
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen voor of boven op
het dashboard in het gebied waar de pas-
sagiersairbag is aangebracht.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiers-
stoel als de passagiersairbag geactiveerd
is1.
Laat kinderen nooit voor de passagierstoel
zitten of staan. Personen kleiner dan 1,40 m
mogen nooit op de passagiersstoel plaats-
nemen, als de passagiersairbag geacti-
veerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situ-
aties opleveren voor het kind.
Airbagsticker
G032244
Airbagsticker op de portierstijl.
1Voor informatie over het activeren/deactiveren van de passagiersairbag, zie pagina 20.
01 Veiligheid
Airbag activeren/deactiveren*
01
20 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
PACOS deactiveren met sleutel
Algemene informatie
De passagiersairbag (SRS) voorin kan gedeac-
tiveerd worden met een schakelaar als de auto
is uitgerust met PACOS (Passenger Airbag Cut
Off Switch). Zie de tekst onder het kopje Acti-
veren/deactiveren voor informatie over active-
ring/deactivering.
Schakelaar voor deactivering met sleutel
De schakelaar voor activering/deactivering van
de passagiersairbag, PACOS (Passenger Air-
bag Cut Off Switch) zit aan de passagierszijde
aan de zijkant van het dashboard en u kunt erbij
door het portier aan die kant te openen (zie
onder het navolgende kopje “Schakelaar voor
activering/deactivering passagiersairbag,
PACOS”). Controleer of de schakelaar in de
gewenste stand staat. Volvo adviseert u het
sleutelblad van de transpondersleutel te
gebruiken om de stand te wijzigen.
Voor informatie over het sleutelblad, zie
pagina 46.
WAARSCHUWING
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situ-
aties opleveren voor de inzittenden.
WAARSCHUWING
Als de auto is uitgerust met een passagiers-
airbag maar geen PACOS (Passenger Air-
bag Cut Off Switch, schakelaar voor deac-
tivering van de passagiersairbag) heeft, is
de airbag altijd geactiveerd.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiers-
stoel, als het brandende symbool op
de plafondconsole aangeeft dat de passa-
giersairbag geactiveerd is. Het niet opvol-
gen van deze aanbeveling kan levensge-
vaarlijke situaties opleveren voor het kind.
WAARSCHUWING
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen, als het waarschuwingslampje
voor het airbagsysteem op het instrumen-
tenpaneel oplicht terwijl de melding op het
plafondpaneel (zie pagina 21) aangeeft
dat de airbag (SRS) aan die kant gedeacti-
veerd is. Dit duidt op een ernstige storing.
Bezoek zo spoedig mogelijk een werk-
plaats. Volvo adviseert u daarvoor contact
op te nemen met een erkende Volvo-werk-
plaats.
Activeren/deactiveren
G019030
Locatie van de schakelaar voor activering/deacti-
vering van de passagiersairbag.
De airbag is geactiveerd. Met de schake-
laar in deze stand kunnen passagiers gro-
ter dan 1,40 m aan de passagierszijde op
de voorstoel zitten, maar kinderen in een
kinderzitje of op een kussen beslist niet.
De airbag is gedeactiveerd. Met de scha-
kelaar in deze stand kunnen kinderen in
een kinderzitje of op een kussen aan de
passagierszijde op de voorstoel zitten,
maar passagiers groter dan 1,40 m beslist
niet.
01 Veiligheid
Airbag activeren/deactiveren*
01
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 21
WAARSCHUWING
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiers-
stoel als de airbag geactiveerd is. Laat
evenmin personen die kleiner zijn dan
1,40 m op deze stoel plaatsnemen.
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Personen groter dan 1,40 m mogen nooit op
de passagiersstoel plaatsnemen, als de air-
bag gedeactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situ-
aties opleveren.
Berichten
2
2
G017724
Hiermee wordt aangegeven dat de airbag aan de
passagierszijde gedeactiveerd is.
Een tekstmelding en een brandend symbool op
het plafondpaneel op de plafondconsole geven
aan dat de airbag aan de passagierszijde
gedeactiveerd is (zie voorgaande afbeelding).
G017800
Hiermee wordt aangegeven dat de airbag aan de
passagierszijde geactiveerd is.
Een waarschuwingssymbool op de plafondpa-
neel op de plafondconsole geeft aan of de pas-
sagiersairbag voorin geactiveerd is (zie voor-
gaande afbeelding).
N.B.
Bij het omdraaien van de transpondersleutel
naar stand II of III brandt ca. 6 seconden
lang het waarschuwingssymbool voor de
airbags op het instrumentenpaneel (zie
pagina 17).
Daarna gaat op de plafondconsole de indi-
cator branden die de status van de passa-
giersairbag aangeeft. Voor meer informatie
over de verschillende contactstanden van
de transpondersleutel, zie pagina 75.
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
01
22
SIPS-airbag
G032949
Bij een aanrijding in de zij wordt een groot deel
van de botskracht door het SIPS-systeem
(Side Impact Protection System) over balken,
stijlen, vloer, dak en andere delen van de car-
rosserie verdeeld. De SIPS-airbags aan de
bestuurders- en de passagierszijde bescher-
men de borstkas en de heupen en vormen een
belangrijk onderdeel van het SIPS-systeem.
Het SIPS-systeem bestaat uit twee hoofdon-
derdelen: de SIPS-airbags en de sensoren. De
SIPS-airbags zijn aangebracht in de rugleu-
ningframes van de voorstoelen.
WAARSCHUWING
•Volvo adviseert u reparatiewerk over te
laten aan een erkende Volvo-werk-
plaats. Verkeerde ingrepen in het SIPS-
airbagsysteem kunnen aanleiding
geven tot storingen in de werking met
mogelijk ernstig lichamelijk letsel tot
gevolg.
•Plaats geen voorwerpen tussen de
stoelen en de portierpanelen, omdat dit
gebied binnen de actieradius van de
SIPS-airbag ligt.
•Volvo adviseert u alleen stoelhoezen te
gebruiken die door Volvo zijn goedge-
keurd. Andere stoelhoezen kunnen de
SIPS-airbags in hun werking hinderen.
•De SIPS-airbag vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Draag altijd een
veiligheidsgordel.
Kinderzitjes en SIPS-airbags
De SIPS-airbags beïnvloeden de bescher-
mende werking van kinderzitje en/of comfort-
kussen niet negatief.
Het is mogelijk een kinderzitje/comfortkussen
op de voorstoel te plaatsen, als de auto aan de
passagierszijde niet is uitgerust met een geac-
tiveerde1 airbag.
Positie
G024377
Bestuurdersplaats, auto met stuur links.
G024378
Passagiersplaats, auto met stuur links.
Het SIPS-systeem bestaat uit SIPS-airbags en
sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrij-
1Voor informatie over het activeren/deactiveren van de airbag, zie pagina 20.
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
01
23
ding reageren de sensoren, die op hun beurt
de gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags
worden vervolgens opgeblazen tussen de
inzittende en het portierpaneel. Daarmee van-
gen de SIPS-airbags de klap van de aanrijding
op voor de inzittende, waarna de airbags weer
leeglopen. De SIPS-airbag wordt normaal
gesproken alleen opgeblazen aan de kant van
de aanrijding.
Sticker, SIPS-airbag
G032254
SIPS-airbagsticker op de portierstijl.
01 Veiligheid
Opblaasgordijnen (IC-systeem)
01
24
Eigenschappen
De opblaasgordijnen van het IC-systeem (Infla-
table Curtain) vormen een aanvulling op het
SRS- en SIPS-systeem. Ze zitten verborgen
achter de plafondbekleding langs beide zijden
van de auto en beschermen inzittenden op de
buitenste zitplaatsen van de auto. Bij een vol-
doende krachtige aanrijding reageren de sen-
soren, die op hun beurt de opblaasgordijnen
activeren. Het systeem helpt voorkomen dat
de bestuurder en eventuele passagiers bij een
botsing met hun hoofd tegen de binnenkant
van de auto slaan.
WAARSCHUWING
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen
aan de plafondhandgrepen. De haak is
alleen bedoeld voor niet al te zware kleding-
stukken (en niet voor harde voorwerpen
zoals paraplu’s).
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, portierstijlen of de zijpa-
nelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Volvo
adviseert u uitsluitend originele Volvo-
onderdelen, bestemd voor montage op
deze plaatsen, te gebruiken.
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading in de auto niet uitsteekt
boven de denkbeeldige, horizontale lijn op
50 mm onder de bovenkant van de portier-
ruiten. Anders is het mogelijk dat het
opblaasgordijn dat schuilgaat achter de pla-
fondbekleding geen bescherming meer
biedt.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel.
Draag altijd de veiligheidsgordel.
01 Veiligheid
WHIPS
01
``
25
Bescherming tegen whiplash-letsel,
WHIPS
Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection
System) bestaat uit energieabsorberende rug-
leuningen en speciaal voor het systeem ont-
wikkelde hoofdsteunen voor de beide voor-
stoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij een
aanrijding van achteren, afhankelijk van de
hoek waaronder en de snelheid waarmee het
achteropkomende voertuig de auto raakt en de
materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordels. Draag altijd de vei-
ligheidsgordel.
Eigenschappen van de stoel
Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd,
klappen de rugleuningen van de voorstoelen
naar achteren zodat de zithouding van de
bestuurder en de passagier op de voorstoelen
verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whi-
plash-letsel beperkt.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoel of het
WHIPS-systeem aan en probeer ze nooit
zelf te repareren. Volvo adviseert u daarvoor
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
WHIPS-systeem en kinderzitjes
Het WHIPS-systeem beïnvloedt de bescher-
mende werking van kinderzitje en/of comfort-
kussen niet negatief.
Juiste zithouding
Voor optimale bescherming moeten de
bestuurder en de voorpassagier zoveel moge-
lijk in het midden van de stoel plaatsnemen en
de afstand tussen het hoofd en de hoofdsteun
zo klein mogelijk houden.
Zorg dat u de werking van het WHIPS-
systeem niet nadelig beïnvloedt
Plaats geen voorwerpen op de vloer achter de
bestuurders- of passagiersstoel.
01 Veiligheid
WHIPS
01
26
WAARSCHUWING
Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen
het zitgedeelte van de achterbank en de
rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat
u de werking van het WHIPS-systeem niet
beïnvloedt.
Plaats geen voorwerpen op de achterbank.
WAARSCHUWING
Als u een van de ruggedeelten van de ach-
terbank hebt omgeklapt, moet u de voor-
stoel aan dezelfde kant naar voren schuiven
zodat de rugleuning van de stoel niet tegen
het omgeklapte ruggedeelte van de achter-
bank aankomt.
WAARSCHUWING
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten zoals bij een aanrijding van ach-
teren, moet u het WHIPS-systeem laten
controleren. Volvo adviseert u het te laten
controleren door een erkende Volvo-werk-
plaats.
Het WHIPS-systeem kan een deel van zijn
beschermende eigenschappen hebben ver-
loren, zelfs als de stoel ogenschijnlijk intact
is.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats voor een
controle van het systeem, ook na een lichte
aanrijding van achteren.
01 Veiligheid
Activering van de veiligheidssystemen
01
27
Activering van de veiligheidssystemen
Systeem Activering
Gordelspanners
voorstoelen
Bij een frontale bot-
sing en/of aanrijding
in de zij en/of van
achteren
Gordelspanners
achterbank
Bij een frontale bot-
sing.
Airbags (SRS) Bij een frontale bot-
sing.A
SIPS-airbags Bij een aanrijding in
de zijA
Opblaasgordijnen
(IC)
Bij een aanrijding in
de zijA
WHIPS-systeem Bij aanrijdingen van
achteren
AHet is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen,
ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd
raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het gewicht van
het lichaam waarmee de auto in botsing komt, de snelheid
van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d.
zijn van invloed op de wijze van activering van de verschil-
lende veiligheidssystemen in de auto.
Wanneer de airbags werden opgeblazen, advi-
seert Volvo u het volgende:
•Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u
hem te laten wegslepen naar een erkende
Volvo-werkplaats. Rijd niet met opgebla-
zen airbags.
•Volvo adviseert u het vervangen van de
onderdelen van de veiligheidssystemen in
de auto over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats.
•Neem altijd contact op met een arts.
N.B.
De SRS-, SIPS-, IC-systemen en de gordel-
spanners worden bij een botsing slechts
eenmaal geactiveerd.
WAARSCHUWING
De regelmodule van het airbagsysteem zit
in de middenconsole. Als de middencon-
sole doorweekt geraakt is, moet u de accu-
kabels loskoppelen. Probeer de auto niet te
starten, omdat de airbags daarbij geacti-
veerd kunnen worden. Laat de auto weg-
slepen. Volvo adviseert u hem te laten weg-
slepen naar een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Ze kun-
nen u bij het sturen danig in de weg zitten.
Ook de andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. Langdurige blootstelling
aan de rook- en stofdeeltjes die vrijkomen
bij het opblazen van de airbags kan oog- en
huidirritatie veroorzaken. Spoel bij irritatie
met koud water. De snelheid waarmee de
airbags/gordijnen worden opgeblazen kan
in combinatie met de toegepaste materialen
resulteren in schaaf- en brandwonden aan
de huid.
01 Veiligheid
Safety mode
01
28
Beperkte functionaliteit
G021062
Als de auto betrokken is geweest bij een aan-
rijding, kan de melding Safety mode Zie
instructieb. op het informatiedisplay verschij-
nen. Dit betekent dat de functionaliteit van de
auto is verminderd. Safety mode is een veilig-
heidsfunctie die in werking treedt wanneer de
aanrijding een belangrijke onderdeel van de
auto zoals de brandstofleidingen, de sensoren
voor een van de veiligheidssystemen of het
remsysteem, kan hebben beschadigd.
Auto proberen te starten
Controleer eerst of er geen brandstof uit de
auto is gelopen. Er mag evenmin een brand-
stofgeur waarneembaar zijn.
Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld dat
er geen brandstof lekt, kunt u proberen de
motor te starten.
Haal de transpondersleutel uit het contact en
steek hem er opnieuw in. De elektronica van de
auto probeert te resetten naar de normale
stand. Probeer vervolgens de auto te starten.
Als de melding Safety mode Zie
instructieb. nog steeds op het display staat,
mag u niet met de auto rijden en hem evenmin
verslepen. Verborgen schade kan de auto tij-
dens het rijden onbestuurbaar maken, zelfs als
het lijkt dat u nog met de auto kunt rijden.
Auto verzetten
Als de melding Normal mode wordt weerge-
geven nadat de Safety mode Zie
instructieb. is gereset, mag u de auto voor-
zichtig uit de huidige, gevaarlijke positie verrij-
den. Verrijd de auto niet verder dan nodig.
WAARSCHUWING
Probeer nooit zelf de auto te repareren of de
elektronische onderdelen te resetten nadat
de auto in de Safety mode heeft gestaan. Dit
kan aanleiding geven tot letsel of een
slechte functie van de auto. Volvo adviseert
u de auto altijd in een erkende Volvo-werk-
plaats te laten controleren en naar Normal
Mode te laten resetten nadat de melding
Safety mode Zie instructieb. is versche-
nen.
WAARSCHUWING
Probeer onder geen beding de auto
opnieuw te starten, als u brandstof ruikt ter-
wijl de melding Safety mode wordt weer-
gegeven. Verlaat de auto onmiddellijk.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept
zolang deze in de Safety mode staat. De
auto moet worden weggesleept. Volvo advi-
seert u hem te laten wegslepen naar een
erkende Volvo-werkplaats.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
``
29
Kinderen moeten comfortabel en veilig
kunnen zitten
De plaats van het kind in de auto en de vereiste
uitrusting zijn afhankelijk van het gewicht en de
lengte van het kind (voor meer informatie, zie
pagina 31).
N.B.
De wettelijke bepalingen voor het vervoer
van kinderen in de auto verschillen van land
tot land. Ga na welke regels er in uw land
van kracht zijn.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
De veiligheidsuitrusting voor kinderen die
Volvo biedt, is afgestemd op het gebruik in uw
auto. Volvo adviseert u originele Volvo-onder-
delen te gebruiken om er zeker van te zijn dat
de bevestigingspunten en bevestigingsonder-
delen op de juiste wijze zijn aangebracht en
sterk genoeg zijn.
N.B.
Neem voor duidelijker instructies voor de
bevestiging van kinderveiligheidsproducten
contact op met de producent.
Kinderzitjes
G020739
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen.
Volvo heeft veiligheidsuitrusting voor kinderen
die afgestemd is op uw Volvo en uitvoerig door
Volvo getest is.
N.B.
Bij gebruik van op de markt verkrijgbare kin-
derveiligheidsproducten is het van belang
dat u de bijgeleverde montage-instructies
zorgvuldig doorleest en nauwkeurig
opvolgt.
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje
nooit vast aan de hendel waarmee u de voor-
stoel in de lengterichting verstelt of aan veren,
rails of balken onder de stoel. Door scherpe
randen kunnen de bevestigingsbanden
beschadigd raken.
Raadpleeg voor de juiste montage de mon-
tage-instructies bij het kinderzitje.
Positie van kinderzitjes
Het volgende kan worden gebruikt:
•een kinderzitje/comfortkussen op de pas-
sagiersstoel, zolang de airbag aan de pas-
sagierszijde gedeactiveerd1 is;
•een achterstevoren gemonteerd kinderzitje
op de achterbank.
Plaats een kind altijd op de achterbank als de
airbag aan de passagierszijde geactiveerd is.
Als de airbag wordt opgeblazen, kan een kind
op de passagiersstoel ernstig letsel oplopen.
1Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS), zie pagina 20.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
30
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiers-
stoel als de passagiersairbag (SRS) geacti-
veerd is.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel plaatsnemen, als de
passagiersairbag (SRS) geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situ-
aties opleveren voor het kind.
WAARSCHUWING
Gebruik geen kinderzitjes met stalen beu-
gels of andere constructies die tegen de
ontgrendelingsknop van de gordelsluiting
kunnen aankomen. Dit om te voorkomen
dat de gordels plotseling losschieten.
Zorg dat het kinderzitje niet met de boven-
kant tegen de voorruit aankomt.
Sticker airbag
Sticker op zijwand dashboard, passagierszijde.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
``
31
Aanbevolen kinderzitjes2
Gewicht/Leeftijd Voorstoel Buitenste zitplaats achterbank Middelste zitplaats achterbank
Groep 0
max. 10 kg
(tot 9 maanden)
en
Groep 0+
max. 13 kg
Volvo-kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigings-
band.
Typegoedkeuring: E5 03135
Volvo-kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel, bevestigingsband
en steun.
Typegoedkeuring: E5 03135
Volvo-babyzitje - achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
ISOFIX-systeem.
Typegoedkeuring: E1 03301146
Volvo-babyzitje - achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
ISOFIX-systeem.
Typegoedkeuring: E1 03301146
Volvo-babyzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1 03301146
Volvo-babyzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel
Typegoedkeuring: E1 03301146
Volvo-babyzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigingsband
Typegoedkeuring: E1 03301146
2Om andere veiligheidszitjes te kunnen gebruiken dient uw auto op de lijst van de producent te staan of een universele goedkeuring te hebben conform ECE R44.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
32
Gewicht/Leeftijd Voorstoel Buitenste zitplaats achterbank Middelste zitplaats achterbank
Groep 1
9–18 kg
(9–36 maanden)
Volvo-kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigings-
band.
Typegoedkeuring: E5 03135
Volvo-kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel, bevestigingsband
en steun.
Typegoedkeuring: E5 03135
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje – ach-
terstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje – ach-
terstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
Britax Fixway – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
ISOFIX-systeem en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03171
Britax Fixway – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
ISOFIX-systeem en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03171
Groep 2, 15–25 kg,
jaar
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje – ach-
terstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04191
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje – ach-
terstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04191
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje – ach-
terstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04191
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje – ach-
terstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje – ach-
terstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
3–6
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
``
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 33
Gewicht/Leeftijd Voorstoel Buitenste zitplaats achterbank Middelste zitplaats achterbank
Groep 2/3
15–36 kg
(3–12 jaar)
Volvo-comfortkussen – met of zonder
rugleuning.
Typegoedkeuring: E5 03139
Volvo-comfortkussen – met of zonder
rugleuning.
Typegoedkeuring: E5 03139
Volvo-comfortkussen – met of zonder
rugleuning.
Typegoedkeuring: E5 03139
Volvo-comfortkussen met rugleuning.
Typegoedkeuring: E1 04301198
Volvo-comfortkussen met rugleuning.
Typegoedkeuring: E1 04301198
Volvo-comfortkussen met rugleuning.
Typegoedkeuring: E1 04301198
Geïntegreerd Volvo-kinderzitje met
twee standen – verkrijgbaar als
fabrieksoptie.
Typegoedkeuring: E5 04189
Geïntegreerde kinderzitjes met twee
standen*
G017875
Goede positie: de gordel loopt over de schouder.
G017719
Verkeerde positie: het hoofd mag niet boven de
hoofdsteun uitsteken en de gordel mag niet onder
de schouder lopen.
De geïntegreerde kinderzitjes zijn speciaal ont-
worpen om kinderen optimale bescherming te
bieden. In combinatie met de aanwezige vei-
ligheidsgordels zijn de kinderzitjes goedge-
keurd voor kinderen met een gewicht van 15
tot 36 kg en een lengte van 0,95 tot 1,40 m.
Zorg alvorens weg te rijden dat:
•het geïntegreerde kinderzitje met twee
standen correct ingesteld (zie onder-
staande tabel) en vergrendeld is;
•de veiligheidsgordel goed strak langs het
lichaam van het kind loopt en nergens slap
hangt of verdraaid is;
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
34
•de veiligheidsgordel niet tegen de nek van
het kind aankomt of onder de schouder
langs loopt (zie voorgaande afbeeldingen);
•de heupgordel laag over het bekken loopt,
zodat deze maximale bescherming biedt.
Stand 1 Stand 2
Gewicht 22–36 kg 15–25 kg
Lengte 1,15–1,40 m 0,95–1,20 m
Voor aanwijzingen voor het gebruik van het
kinderzitje met twee standen, zie pagina 33–
35.
Kinderzitje met twee standen uitklappen
Stand 1
Trek de handgreep naar voren en omhoog
om het kinderzitje vrij te geven.
G017697
Duw het kinderzitje naar achteren om het te
vergrendelen.
Stand 2
Werk vanuit de onderste stand. Druk op de
knop.
G017784
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
``
35
Til het kinderzitje aan de voorkant op en
duw het achteruit tegen het ruggedeelte aan
om het te vergrendelen.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u reparatie- en vervangings-
werk over te laten aan een erkende Volvo-
werkplaats. Verricht geen wijzigingen in of
aanpassingen aan het geïntegreerde kin-
derzitje. Als een geïntegreerd kinderzitje aan
grote krachten heeft blootgestaan zoals tij-
dens een aanrijding, moet u het geïnte-
greerde kinderzitje in zijn geheel vervangen.
Ook als het geïntegreerde kinderzitje er
intact uitziet, kunnen er toch beschermende
eigenschappen verloren zijn gegaan. Het
geïntegreerde kinderzitje moet ook worden
vervangen als het erg versleten is.
N.B.
Het is niet mogelijk het kinderzitje vanuit
stand 2 in stand 1 te zetten. U moet het zitje
dan eerst volledig neerklappen in het zitge-
deelte. Zie de tekst onder het kopje Kinder-
zitje met twee standen neerklappen.
Kinderzitje met twee standen
neerklappen
Het kinderzitje is zowel vanuit de bovenste als
vanuit de onderste stand volledig neer te klap-
pen in het zitgedeelte. Het is echter niet moge-
lijk het kinderzitje vanuit de bovenste stand in
de onderste stand te zetten.
Trek de handgreep naar voren om het zitje
vrij te geven.
Duw het zitje met uw hand omlaag om het
zitje te vergrendelen.
WAARSCHUWING
Als u de gebruiksinstructies voor het kin-
derzitje met twee standen niet opvolgt, is
het bij een aanrijding niet uitgesloten dat het
kind ernstig letsel oploopt.
BELANGRIJK
Controleer voordat u het kinderzitje weer
neerklapt of er geen losse voorwerpen
(zoals stukken speelgoed) in het gebied
onder het zitje liggen.
N.B.
Bij het omklappen van het ruggedeelte van
de achterbank dient u eerst het kinderzitje
neer te klappen.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
36
Kinderslot achterportieren
De bedieningsknoppen voor de ruiten in de
achterportieren en de openingshandgrepen op
de achterportieren zijn te blokkeren, zodat de
achterportieren en de zijruiten niet meer van de
binnenzijde kunnen worden geopend. Voor
meer informatie, zie pagina 59.
ISOFIX-bevestigingssysteem voor
veiligheidszitjes
G021064
Achter de onderkant van de ruggedeelten op
de beide buitenste zitplaatsen van de achter-
bank gaan de bevestigingspunten voor het
ISOFIX-systeem schuil.
Symbolen op de bekleding van de ruggedeel-
ten (zie voorgaande afbeelding) geven de posi-
tie van deze bevestigingspunten aan.
Duw het zitgedeelte van de zitplaats omlaag
om bij de bevestigingspunten te komen.
N.B.
Het ISOFIX-bevestigingssysteem is als
accessoire verkrijgbaar voor de passagiers-
stoel.
Houd u altijd aan de montage-instructies van
de fabrikant, wanneer u een kinderzitje/baby-
zitje aan de ISOFIX-bevestigingspunten vast-
zet.
Afmetingscategorieën
Veiligheidszitjes kunnen net als auto’s verschil-
lende afmetingen hebben. Kinderzitjes passen
daardoor niet op alle zitplaatsen van de ver-
schillende modellen.
Voor kinderzitjes met een ISOFIX-bevesti-
gingssysteem werden daarom afmetingscate-
gorieën ingevoerd om gebruikers te helpen bij
het kiezen van het juiste kinderzitje (zie vol-
gende tabel).
Afme-
tingscate-
gorie
Beschrijving
A Normale grootte, in rijrichting
gemonteerd kinderzitje
B Beperkte grootte (optie 1), in
rijrichting gemonteerd kinder-
zitje
B1 Beperkte grootte (optie 2), in
rijrichting gemonteerd kinder-
zitje
C Normale grootte, achterste-
voren gemonteerd kinderzitje
D Beperkte grootte, achterste-
voren gemonteerd kinderzitje
E Achterstevoren gemonteerd
babyzitje
F Overdwars gemonteerd
babyzitje, links
G Overdwars gemonteerd
babyzitje, rechts
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
``
37
WAARSCHUWING
Plaats een kind nooit op de passagiersstoel
voorin, als de auto is uitgerust met een
geactiveerde airbag aan die kant.
N.B.
Als een ISOFIX-kinderzitje geen afmetings-
categorie heeft, dient uw model op de lijst
met auto’s te staan waarvoor het kinderzitje
zich leent.
N.B.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een Volvo-werkplaats over de ISOFIX-kin-
derzitjes die Volvo aanbeveelt.
Verschillende soorten ISOFIX-veiligheidszitjes
Type kinderzitje Gewicht (leeftijd) Afmetingscate-
gorie
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel Buitenste zitplaats ach-
terbank
Babyzitje, overdwars max. 10 kg (tot 9 mnd) F – –
G – –
Babyzitje, achterstevoren max. 10 kg (tot 9 mnd) E OK OK
Babyzitje, achterstevoren max. 13 kg (tot 12 mnd) E OK OK
D OK OK
C – OK
Veiligheidszitje, achterste-
voren
9–18 kg (9–36 mnd) D OK OK
C – OK
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
38
Type kinderzitje Gewicht (leeftijd) Afmetingscate-
gorie
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel Buitenste zitplaats ach-
terbank
Kinderzitje, in rijrichting 9–18 kg (9–36 mnd) B OKAOKA
B1 OKAOKA
AOKAOKA
AVolvo adviseert een achterstevoren gemonteerd veiligheidszitje voor deze categorie.
Bovenste bevestigingspunten voor
kinderzitjes
G017676
De auto is uitgerust met bovenste bevesti-
gingspunten voor bepaalde kinderzitjes die in
de rijrichting worden gemonteerd. Deze beves-
tigingspunten zitten achter op het zitgedeelte
van de achterbank.
De bovenste bevestigingspunten zijn voorna-
melijk bestemd om een in de rijrichting gemon-
teerd kinderzitje aan te bevestigen. Volvo advi-
seert u kleine kinderen zo lang mogelijk in een
achterstevoren gemonteerd kinderzitje te blij-
ven vervoeren.
N.B.
Bij auto’s met hoofdsteunen op de beide
buitenste zitplaatsen van de achterbank
gaat het monteren van dergelijke veilig-
heidszitjes makkelijker, als u deze hoofd-
steunen omklapt.
N.B.
Bij een bagageruimte die met een bagage-
rolhoes kan worden afgedekt, dient de rol-
hoes te worden verwijderd voordat er een
kinderzitje aan de bevestigingspunten kan
worden vastgezet.
Zie de aanwijzingen van de fabrikant van het
kinderzitje voor gedetailleerde informatie over
de manier waarop u het zitje aan de bovenste
bevestigingspunten vastzet.
WAARSCHUWING
Haal de bevestigingsband van een kinder-
zitje altijd onder de hoofdsteun van de ach-
terbank door, voordat u de gordel in de slui-
ting aanbrengt.
01 Veiligheid
01
39
40 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Transpondersleutel/sleutelblad............................................................... 42
Privacy locking*....................................................................................... 47
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*.......................................... 49
Keyless drive*.......................................................................................... 51
Vergrendelen/ontgrendelen.................................................................... 54
Kinderslot................................................................................................ 59
Alarm*...................................................................................................... 60
02
SLOTEN EN ALARM
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
02
42 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie
Bij de auto worden twee transpondersleutels of
twee PCC’s (Personal Car Communicator
geleverd. U gebruikt ze om de auto te starten
en deze te vergrendelen en ontgrendelen.
U kunt extra transpondersleutels bestellen. Er
zijn maximaal zes transpondersleutels voor
één en dezelfde auto te programmeren en te
gebruiken.
PCC’s kennen meer functies dan een trans-
pondersleutel in standaarduitvoering. De rest
van dit hoofdstuk gaat over functies die voor-
komen op zowel de PCC als op de transpon-
dersleutel.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
Let er bij het verlaten van de auto op dat u
de stroomtoevoer naar de elektrisch
bedienbare zijruiten en het schuifdak ver-
breekt door de transpondersleutel uit te
nemen.
Afneembaar sleutelblad
De transpondersleutel bevat een afneembaar
metalen sleutelblad voor het mechanisch ver-
grendelen/ontgrendelen van het bestuurders-
portier, het dashboardkastje en de achterklep
(Privacy locking).
Voor Privacy locking, zie pagina 47.
Het sleutelblad wordt ook gebruik om
PACOS* te deactiveren/activeren, zie
pagina 20.
Voor de functies van het sleutelblad, zie
pagina 46.
De unieke code van de sleutelbladen is bekend
bij de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld.
Zoekgeraakte transpondersleutel
Bij verlies van een transpondersleutel kunt u
een nieuwe bestellen bij een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werk-
plaats. Neem de resterende transpondersleu-
tels mee naar de werkplaats. Ter voorkoming
van diefstal moet de code van de zoekgeraakte
transpondersleutel uit het systeem worden
gewist.
Hoeveel sleutels er voor de auto geprogram-
meerd zijn kunt u controleren onder
Instellingen van de auto
Autosleutelgeheugen Aantal sleutels.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 126.
Sleutelgeheugen, buitenspiegels en
bestuurdersstoel
De instellingen worden automatisch gekop-
peld aan de transpondersleutel die op dat
moment in gebruik is, zie pagina 78 en
97.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Instellingen van de auto
Autosleutelgeheugen Pos. stoelen en
spiegels. Voor een beschrijving van het menu-
systeem, zie pagina 126.
Voor auto’s met Keyless drive-functie, zie
pagina 51.
Knippersignalen bij vergrendelen/
ontgrendelen
Wanneer u de auto vergrendelt of ontgrendelt
met een transpondersleutel, lichten de rich-
tingaanwijzers een bepaalde aantal malen op
om aan te geven dat de auto op de juiste
manier vergrendeld/ontgrendeld is:
•Vergrendelen - lichten eenmaal op
•Ontgrendelen - lichten tweemaal op.
Bij het vergrendelen gebeurt dit alleen als alle
portieren na het sluiten correct zijn vergren-
deld.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
resp. Instellingen van de auto
Lichtinstellingen Auto is op slot, lampje
en Instellingen van de auto
Lichtinstellingen Auto is open, lampje.
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
02
``
43
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 126.
Elektronische startblokkering
Elke transpondersleutel heeft zijn eigen, unieke
code. U kunt de auto alleen starten, wanneer u
een transpondersleutel met de juiste code
gebruikt.
De onderstaande foutmeldingen op het infor-
matiedisplay van het instrumentenpaneel hou-
den verband met de elektronische startblok-
kering:
Melding Betekenis
Sleutelfout
Opnieuw insteken
Storing bij het uitle-
zen van de trans-
pondersleutel tij-
dens het starten.
Probeer de auto
opnieuw te starten.
Autosleutel niet
gevonden
Geldt alleen voor de
functie Keyless drive
van de PCC. Fout bij
het uitlezen van de
PCC tijdens de start.
Probeer de auto
opnieuw te starten.
Startblokkering
Start opnieuw
Functiestoring van
de transpondersleu-
tel tijdens het star-
ten. Het wordt gead-
viseerd contact op
te nemen met een
erkende Volvo-
werkplaats, als de
storing aanhoudt.
Voor het starten van de auto, zie pagina 103.
Functies
G021078
Transpondersleutel.
Vergrendelen
Ontgrendelen
“Approach”-verlichting
Achterklep
Paniekfunctie
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
02
44 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G021079
PCC* (Personal Car Communicator).
Informatie
Functietoetsen
Vergrendelen – Vergrendelt de portieren
en de achterklep en activeert het alarm.
Bij lang indrukken (ten minste 4 seconde) wor-
den alle zijruiten en het schuifdak* tegelijkertijd
gesloten.
WAARSCHUWING
Controleer of niemand met de handen
bekneld raakt wanneer u het schuifdak en
de zijruiten vanaf de transpondersleutel
sluit.
Ontgrendelen – Ontgrendelt de portieren
en de achterklep en deactiveert het alarm.
De ontgrendelingsfunctie kan dusdanig gewij-
zigd worden dat bij eenmaal indrukken van de
toets niet meer alle portieren tegelijk worden
ontgrendeld, maar alleen het bestuurderspor-
tier. Bij een tweede keer indrukken (binnen
10 seconden) worden de overige portieren ont-
grendeld.
U kunt de functie wijzigen onder Instellingen
van de auto Instellingen vergrendelen
Portieren ontgrendelen. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 126.
Duur naderingslicht – Bestemd om de
verlichting van de auto op afstand in te scha-
kelen. Voor meer informatie, zie pagina 88.
Achterklep - Ontgrendelt alleen de ach-
terklep en deactiveert de alarmfunctie voor de
achterklep. Bij auto’s met elektrische achter-
klepbediening* wordt de klep geopend bij lang
indrukken. Voor meer informatie, zie
pagina 56.
Paniekfunctie – Bestemd om in noodge-
vallen de aandacht van anderen te trekken.
Als u de rode toets ten minste 3 seconden lang
ingedrukt houdt of tweemaal achtereen binnen
3 seconden indrukt, worden de richtingaanwij-
zers, de interieurverlichting en de claxon geac-
tiveerd.
U kunt deze functie met dezelfde toets weer
uitschakelen, als de functie minimaal 5 secon-
den actief geweest is. Als u niets doet, wordt
de functie na 2 minuten en 45 seconden auto-
matisch uitgeschakeld.
Bereik transpondersleutel
De transpondersleutel is te gebruiken binnen
een straal van 20 m rond de auto.
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de functies
van de transpondersleutel door radiogolven
in de lucht, omringende gebouwen, topo-
grafische omstandigheden e.d. Het is altijd
mogelijk de auto te vergrendelen/ontgren-
delen met het sleutelblad, zie pagina 46.
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
02
``
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 45
Specifieke functies, PCC*
G021080
Informatietoets
Controlelampjes
Na een druk op de informatietoets kunt u
bepaalde informatie over de auto uitlezen aan
de hand van de controlelampjes.
Gebruik van de informatietoets
±Druk op de informatietoets .
> Ca. 7 seconden lang lichten de contro-
lelampjes op de PCC om de beurt op.
Dit geeft aan dat informatie over de auto
wordt uitgelezen.
Als u gedurende dit tijdsbestek op een
van de andere toetsen drukt, wordt de
uitlezing beëindigd.
N.B.
Als bij herhaaldelijk gebruik van de informa-
tietoets – op verschillende tijdstippen en
verschillende plaatsen – blijkt dat geen van
de controlelampjes gaat branden (en dat
evenmin na 7 seconden alsook nadat de
controlelampjes op de PCC om de beurt
oplichtten), dient u contact op te nemen met
een werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
De controlelampjes verstrekken informatie
zoals aangegeven op de volgende afbeelding:
G030262
Continu groen licht: de auto is vergrendeld.
Continu oranje licht: de auto is ontgren-
deld.
Aangegeven twee controlelampjes lichten
beurtelings rood op: dit geeft met HBS
(Heart Beat Sensor) aan dat er mogelijk
iemand in de auto zit. De indicatie ver-
schijnt alleen, als het alarm is afgegaan.
Continu rood licht: het alarm is afgegaan.
Bereik transpondersleutel
De ontgrendelingsfuncties van de PCC zijn te
gebruiken binnen een straal van 20 m rond de
auto.
De “Approach”-verlichting, de paniekfunctie
en de functies die gekoppeld zijn aan de infor-
matietoets, zijn tot op 100 m van de auto te
gebruiken.
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de functie
van de informatietoets door radiogolven in
de lucht, omringende gebouwen, topogra-
fische omstandigheden e.d.
Buiten bereik PCC
Als de PCC op dermate grote afstand van de
auto is dat er geen informatie over de auto kan
worden uitgelezen, wordt de laatst bekende
status van de auto weergegeven zonder dat de
lampjes op de PCC om de beurt oplichten.
Als er meerdere PCC’s voor de auto in gebruik
zijn, geeft alleen de PCC die gebruikt werd toen
02 Sloten en alarm
Transpondersleutel/sleutelblad
02
46 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
u de auto de laatste keer vergrendelde/ont-
grendelde de juiste status aan.
N.B.
Als geen van de controlelampjes brandt bij
het indrukken van de informatietoets, is het
mogelijk dat er storingen optreden in de
communicatie tussen de PCC en de auto
door radiogolven in de lucht, omringende
gebouwen, topografische omstandigheden
e.d.
Heart Beat Sensor
De functie werkt met behulp van een hart-
slagsensor (HBS, Heart Beat Sensor). HBS
vormt een aanvulling op het alarmsysteem van
de auto die op afstand afgeeft of er mogelijk
iemand in de auto zit. De indicatie verschijnt
alleen, als het alarm is afgegaan.
HBS registreert de hartslag die zich via de car-
rosserie van de auto voortplant. In gebieden
met veel lawaai en trillingen is het dan ook
mogelijk dat de HBS in zijn werking wordt
gestoord.
Afneembaar sleutelblad
U kunt het afneembare sleutelblad van de
transpondersleutel gebruiken om:
•het bestuurdersportier handmatig te ope-
nen, als de centrale vergrendeling niet te
bedienen is vanaf de afstandsbediening;
•de toegang tot het dashboardkastje en de
bagageruimte (Privacy locking*) te blokke-
ren, zie pagina 47
•PACOS* te activeren/deactiveren, zie
pagina 20.
Sleutelblad verwijderen
G021082
Haal de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar ach-
teren.
Sleutelblad aanbrengen
Plaats het verwijderde sleutelblad voorzichtig
terug in de transpondersleutel om beschadi-
ging te voorkomen.
1. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
2. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutel-
blad goed vastzit.
Portier ontgrendelen met sleutelblad
Als de centrale vergrendeling niet op de trans-
pondersleutel reageert (omdat de batterijen bij-
voorbeeld leeg zijn), kunt u het bestuurders-
portier op de volgende manier ontgrendelen en
openen:
N.B.
Wanneer u het bestuurdersportier met het
sleutelblad ontgrendelt en vervolgens
opent, gaat het alarm af.
1. Ontgrendel het bestuurdersportier met het
sleutelblad in het slot van de portierhand-
greep.
2. Schakel het alarm uit door de transpon-
dersleutel in het contactslot te steken.
02 Sloten en alarm
Privacy locking*
02
``
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 47
Privacy locking
G017869
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel
met sleutelblad (Privacy locking niet geactiveerd).
G017870
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel
zonder sleutelblad (Privacy locking geactiveerd).
De functie Privacy locking is bestemd voor als
u de auto afgeeft voor een onderhoudsbeurt of
als u hem bij een hotel of iets dergelijks laat
parkeren. Het dashboardkastje is dan vergren-
deld en het achterklepslot is niet via de centrale
vergrendeling te openen (zodat de achterklep
niet meer met de knoppen op de voorportieren
of die op de transpondersleutel te bedienen is).
De achterklep is dan niet meer met de knoppen
op de voorportieren of die op de transponder-
sleutel te bedienen.
Dit betekent dat de transpondersleutel zonder
het sleutelblad alleen kan worden gebruikt om
het alarm te activeren/deactiveren, de portie-
ren te openen en in de auto te rijden.
U geeft de transpondersleutel af zonder het
afneembare sleutelblad, dat u bij u houdt.
N.B.
Vergeet niet de bagagerolhoes over de
lading heen uit te rollen voordat u de ach-
terklep sluit (zie pagina 229).
Activeren/deactiveren
G020508
Privacy locking activeren.
Privacy locking activeren:
Duw het sleutelblad in het slot van het
dashboardkastje.
Draai het sleutelblad 180 graden rechtsom.
Neem het sleutelblad uit. Ondertussen ver-
schijnt een melding op het informatiedis-
play.
N.B.
Plaats het sleutelblad niet in de transpon-
dersleutel terug, maar houd het bij u en
bewaar het goed.
•Houd voor het deactiveren de omgekeerde
volgorde aan.
02 Sloten en alarm
Privacy locking*
02
48 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Om alleen het dashboardkastje te vergrende-
len, zie pagina 55.
02 Sloten en alarm
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*
02
``
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 49
Accu vervangen
Vervang de batterijen, als:
•het informatiesymbool oplicht en Vervang
batterij autosleutel op het display staat
en/of
•de sloten herhaalde malen achtereen niet
reageren op het signaal van een transpon-
dersleutel die zich binnen een straal van
20 m rond de auto bevindt.
Openen
Haal de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar
achteren.
Steek een kruiskopschroevendraaier
met een dikte van 3 mm in de opening ach-
ter de veerbelaste pal en werk de trans-
pondersleutel voorzichtig open.
N.B.
Houd de transpondersleutel met de toetsen
omhoog om te voorkomen dat de batterijen
bij het openen van de afdekking op de grond
vallen.
BELANGRIJK
Kom niet met uw vingers aan de polen van
de batterijen of de contactvlakken, omdat
ze daardoor slechter kunnen presteren.
Batterij vervangen
Let erop hoe de batterij(en) aan de binnen-
zijde van de afdekking vastzit(ten). Let
daarop op de pluszijde + en de minzijde –.
Transpondersleutel (1 batterij)
1. Werk de batterij voorzichtig los.
2. Plaats een nieuwe met de pluszijde (+)
omlaag.
PCC* (2 batterijen)
1. Werk de batterijen voorzichtig los.
2. Plaats eerst een nieuwe met de pluszijde
(+) omhoog.
3. Leg het witte plasticvel op de geplaatste
nieuwe batterij en breng daarna nog een
nieuwe batterij aan met de pluszijde (+)
omlaag.
Batterijtype
Gebruik batterijen met het opschrift CR2430,
3 V (twee per transpondersleutel en twee per
PCC).
In elkaar zetten
1. Druk de afdekking weer op de transpon-
dersleutel vast.
2. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
02 Sloten en alarm
Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*
02
50 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutel-
blad goed vastzit.
BELANGRIJK
Zorg dat de oude batterij(en) wordt/worden
afgevoerd op een milieuontlastende manier.
02 Sloten en alarm
Keyless drive*
02
``
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 51
Keyless drive (alleen PCC)
Vergrendelings- en startsysteem zonder
sleutel
Met de Keyless drive-functie van de PCC kunt
u zonder een sleutel te gebruiken de auto ont-
grendelen, starten en vergrendelen. U hoeft de
PCC alleen bij u te dragen. Het systeem maakt
het eenvoudiger om de auto te openen wan-
neer u bijvoorbeeld uw handen vol hebt.
De twee PCC’s van de auto ondersteunen de
Keyless drive-functie. U kunt meer PCC’s bij-
bestellen.
Bereik PCC
Om een portier of de achterklep te kunnen ope-
nen moet de PCC zich binnen een straal van
maximaal 1,5 m rond de portierhandgrepen of
de achterklep bevinden. Dit betekent dat u de
PCC bij u moet dragen om een portier te ver-
grendelen of ontgrendelen. Wanneer u aan de
ene kant van de auto staat, is het niet mogelijk
om met de PCC een portier aan de andere kant
te vergrendelen of ontgrendelen.
De rode cirkels op de nevenstaande afbeelding
geven het dekkingsgebied van de systeeman-
tennes aan.
Als alle PCC’s uit de auto worden genomen
terwijl de motor loopt, sleutelstand II actief is
(zie pagina 75) of alle portieren worden geslo-
ten, verschijnt er een waarschuwingsmelding
op het informatiedisplay en klinkt er een
geluidssignaal.
Wanneer een van de PCC’s weer in de auto is
gelegd, verdwijnen de waarschuwingsmelding
en het geluidssignaal nadat:
•er is een portier geopend of gesloten;
•de transpondersleutel is in het contactslot
gestoken;
•de knop READ is ingedrukt.
Veilig gebruik van uw PCC
Als u een PCC met Keyless drive-functie in de
auto laat liggen, wordt de PCC bij het vergren-
delen van de auto tijdelijk gedeactiveerd.
Onbevoegden kunnen de portieren er dan niet
meer mee openen.
Als er echter ingebroken wordt en iemand de
PCC in de auto vindt, wordt de PCC weer
geactiveerd. Pas daarom goed op al uw PCC’s.
BELANGRIJK
Laat een PCC nooit onbeheerd in de auto
liggen.
Storingen in de functie van een PCC
De Keyless drive-functie kan verstoord worden
door elektromagnetische velden en afscher-
mingen. Leg de PCC daarom niet dicht bij een
mobiele telefoon of metalen voorwerpen.
Als er desondanks toch storingen optreden,
moet u de PCC en het sleutelblad op de nor-
male manier gebruiken, zie pagina 43.
Ontgrendelen
Open de portieren met de handgreep of open
de achterklep met de handgreep op de klep.
Ontgrendelen met sleutelblad
Als de Keyless drive-functie van de PCC niet
werkt, kunt u het bestuurdersportier ontgren-
delen met het sleutelblad. In dat geval wordt de
centrale vergrendeling niet geactiveerd.
N.B.
Bij ontgrendelen met het sleutelblad gaat
het alarm af. Voor het deactiveren, zie
pagina 61.
02 Sloten en alarm
Keyless drive*
02
52 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Sleutelgeheugen, bestuurdersstoel en
buitenspiegels
Geheugenfunctie van PCC
Als meerdere personen met elke hun eigen
PCC met Keyless drive-functie naar de auto
lopen, nemen de bestuurdersstoel en de bui-
tenspiegels de stand in die ligt opgeslagen in
de PCC van degene die het bestuurdersportier
opent.
Wanneer het bestuurdersportier bijvoorbeeld
werd geopend door persoon A met PCC A,
maar persoon B met PCC B zal gaan rijden, zijn
de instellingen als volgt te wijzen:
•Staand naast het bestuurdersportier of zit-
tend achter het stuur drukt persoon B op
de ontgrendelingstoets van zijn PCC, zie
pagina 43.
•Kies een van de drie mogelijk positiege-
heugens voor de stoel met de stoelknop-
pen 1–3, zie pagina 78.
•Zet de stoel en de spiegels handmatig in
de juiste stand, zie pagina 78 en 97.
Vergrendelen
Vergrendel de portieren en de achterklep door
op de vergrendelingsknop op een van de por-
tierhandgrepen aan de buitenkant te drukken.
Alle portieren inclusief de achterklep moeten
zijn gesloten, voordat u de auto kunt vergren-
delen. De auto wordt anders niet vergrendeld.
N.B.
Bij een auto met een automatische versnel-
lingsbak dient de keuzehendel in stand P te
worden gezet, aangezien de auto anders
niet vergrendeld of op alarm gezet kan wor-
den.
Instellingen vergrendelen
Onder Instellingen van de auto
Instellingen vergrendelen Op afstand
openen kunt u de Keyless-functie aanpassen
door aan te geven welke portieren van de auto
er moeten worden ontgrendeld. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 126.
Locatie antennes
G021179
Het Keyless drive-systeem werkt met een aan-
tal antennes die op verschillende locaties inge-
bouwd zijn in de auto.
Achterklep, bij de wissermotor
Portierhandgreep, linksachter
Plafond, boven de achterbank, in het mid-
den
Bagageruimte, in het midden, helemaal
voorin, onder de vloer
Portierhandgreep, rechtsachter
Middenconsole, onder achterstuk
Middenconsole, onder voorstuk.
02 Sloten en alarm
Keyless drive*
02
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 53
WAARSCHUWING
Dragers van een pacemaker dienen min-
stens 22 cm afstand te houden tot de anten-
nes van het Keyless drive-systeem. Dit om
eventuele storingen in de pacemaker als
gevolg van het Keyless drive-systeem uit te
sluiten.
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
02
54 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Van de buitenzijde
Met de transpondersleutel kunt u alle portieren
en de achterklep gelijktijdig vergrendelen/ont-
grendelen. Bij vergrendeling zijn de vergrende-
lingsknoppen op de portieren en de openings-
handgrepen aan de binnenzijde niet meer te
bedienen: dit is de zogeheten Safelock-func-
tie*, zie pagina 57.
Als u niet met de transpondersleutel kunt ver-
grendelen/ontgrendelen is de batterij mogelijk
leeg – vergrendel/ontgrendel het portier dan
met het afneembare sleutelblad, zie
pagina 46.
WAARSCHUWING
Let erop dat inzittenden in de auto kunnen
worden opgesloten, als u die van de buiten-
zijde vergrendelt.
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen 2 minuten na ontgrendeling van de bui-
tenzijde met de transpondersleutel opent, wor-
den alle sloten automatisch weer vergrendeld.
Deze functie beperkt de kans dat u de auto per
ongeluk onvergrendeld kunt laten staan. (Voor
auto’s met alarmsysteem, zie pagina 60.)
Van de binnenzijde
Met de knop voor de centrale vergrendeling op
de voorportieren kunt u alle portieren en de
achterklep tegelijkertijd vergrendelen of ont-
grendelen. Druk de rechterkant van de
knop in om te vergrendelen en de linkerkant
om te ontgrendelen.
Ontgrendelen
Een portier kan op twee manieren van de bin-
nenkant worden ontgrendeld:
•Bij het indrukken van de knop voor centrale
vergrendeling .
Bij lang indrukken (ten minste 4 seconde) wor-
den alle zijruiten* tegelijkertijd geopend.
•Trek eenmaal aan de openingshandgreep
en laat deze vervolgens los – het portier is
ontgrendeld. Wanneer u nogmaals aan de
handgreep trekt wordt het portier
geopend.
Vergrendelen
Druk nadat u de voorportieren hebt gesloten op
de knop voor de centrale vergrendeling .
Bij lang indrukken (ten minste 4 seconde) wor-
den alle zijruiten en het schuifdak* tegelijkertijd
gesloten.
Alle portieren zijn eenmaal gesloten handmatig
te vergrendelen met de vergrendelingsknop op
de portieren.
Doorluchtfunctie
Bij lang indrukken van de knop voor centrale
vergrendeling (ten minste 4 seconden)
worden alle zijruiten tegelijkertijd geopend –
om bijv. bij warm weer snel voor frisse lucht in
de auto te zorgen.
Automatische vergrendeling
Bij het wegrijden worden de portieren en de
achterklep automatisch vergrendeld.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Instellingen van de auto Instellingen
vergrendelen Portieren autom. op slot.
(Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 126.)
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
02
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 55
Dashboardkastje
G020548
Het dashboardkastje valt alleen te vergrende-
len/ontgrendelen met het afneembare sleutel-
blad van de transpondersleutel. (Voor informa-
tie over het sleutelblad, zie pagina 46.)
Dashboardkastje vergrendelen:
Duw het sleutelblad in het slot van het
dashboardkastje.
Draai het sleutelblad 90 graden rechtsom.
Het sleutelgat staat horizontaal wanneer
het kastje vergrendeld is.
Neem het sleutelblad uit.
Houd voor het ontgrendelen de omgekeerde
volgorde aan.
Voor meer informatie over Privacy locking, zie
pagina 47.
Achterklep
Ontgrendelen met transpondersleutel
Met de transpondersleutel is het mogelijk om
de alarmfunctie voor de achterklep te deacti-
veren* zodat u de achterklep apart kunt ont-
grendelen en openen*.
N.B.
Bij auto’s met de optie elektrische achter-
klepbediening wordt de achterklep
geopend. Bij andere auto’s wordt de ach-
terklep alleen ontgrendeld
Bij auto’s met alarm* dooft de alarmindicatie op
het dashboard om aan te geven dat niet alle
onderdelen van de auto beveiligd zijn. De
niveausensoren en bewegingsmelders als-
mede de sensoren in de opening van de ach-
terklep worden automatisch buiten werking
gesteld.
De portieren blijven vergrendeld en beveiligd.
N.B.
Bij het sluiten van de achterklep blijft deze
onvergrendeld staan, totdat u de auto met
de vergrendelingsknop op de transponder-
sleutel opnieuw vergrendeld.
Van de binnenzijde ontgrendelen
Voor het ontgrendelen en openen* van het kof-
ferdeksel:
±Druk op de knop (1) op het verlichtingspa-
neel.
.
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
02
56 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Vergrendelen met transpondersleutel
Druk op de toets voor vergrendeling op de
transpondersleutel, zie pagina 43.
Bij auto’s met alarm* gaat de alarmindicatie op
het dashboard knipperen om aan te geven dat
het alarm geactiveerd is.
Elektrische achterklepbediening*
G017876
BELANGRIJK
Let op de dakhoogte bij het gebruik van de
elektrische achterklepbediening. Maak
geen gebruik van de elektrische achterklep-
bediening bij een geringe dakhoogte of
houd de achterklep goed in de gaten om de
openingsfunctie tijdig te kunnen onderbre-
ken (zie onder het kopje “Openingsfunctie
achterklep onderbreken”).
N.B.
•Om oververhitting tegen te gaan wordt
het systeem bij continu gebruik gedu-
rende 60 seconden automatisch uitge-
schakeld. Ca. 10 minuten later is het
opnieuw klaar voor gebruik.
•Als de startaccu ontladen of losgekop-
peld is geweest, moet de achterklep
eenmaal handmatig worden geopend
en gesloten om het systeem te resetten.
Sneeuw en wind
Als de achterklep tijdens het openen omlaag-
komt door bijvoorbeeld een dikke laag sneeuw
of harde wind, dan wordt de achterklep auto-
matisch gesloten.
Beveiliging tegen overbelasting
Als de achterklep tijdens het openen/sluiten in
zekere mate wordt gehinderd door een obsta-
kel treedt de beveiliging tegen overbelasting in
werking.
•Gebeurt dit tijdens het openen dan wordt
de elektrische achterklepbediening uitge-
schakeld en de achterklep vrijgegeven.
•Gebeurt dit tijdens het sluiten dan gaat de
achterklep weer helemaal open.
WAARSCHUWING
Let op het gevaar voor beknelling tijdens het
openen/sluiten. Controleer alvorens de ach-
terklep te openen/sluiten of er niemand in
de buurt van de achterklep staat, omdat
ernstig beknellingsletsel anders niet uitge-
sloten kan worden.
Bedien de achterklep altijd onder toezicht.
Achterklep handmatig bedienen
Het systeem wordt uitgeschakeld, als het met
rubber beklede drukplaatje onder de buiten-
handgreep een tweede maal wordt bediend. U
kunt de achterklep vervolgens handmatig ope-
nen/sluiten.
Achterklep openen
De achterklep is op drie manieren te
openen, waarvan twee met behulp
van deze knop:
•Knop voor achterklep op verlichtingspa-
neel lang indrukken – houd de knop inge-
drukt totdat de achterklep wordt geopend.
•Knop voor achterklep op transpondersleu-
tel lang indrukken – houd de knop inge-
drukt totdat de achterklep wordt geopend.
•Met rubber beklede drukplaatje onder bui-
tenhandgreep licht indrukken en de klep
openen.
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
02
``
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 57
Achterklep sluiten
De achterklep is te sluiten met deze
knop op de achterklep of handmatig.
•Druk op de knop - op de achterklep om de
klep automatisch te sluiten.
Openings-/sluitfunctie achterklep
onderbreken
Dit kan op vier manieren, waarvan
drie met behulp van deze knop:
•Druk op de knop voor de achterklep op het
verlichtingspaneel
•Druk op de toets voor de achterklep op de
transpondersleutel
•Druk op de knop voor de achterklep op de
achterklep zelf
•Druk op het met rubber beklede drukpla-
tje onder de buitenhandgreep.
De beweging van de achterklep wordt op
dezelfde manier onderbroken als bij activering
van de beveiliging tegen overbelasting (zie
“Beveiliging tegen overbelasting” elders in dit
hoofdstuk).
Safelock-functie*
Bij activering van de zogeheten Safelock-func-
tie zijn de portieren niet meer van de binnen-
zijde te openen, als ze eenmaal vergrendeld
zijn.
Met de transpondersleutel activeert u de Safe-
lock-functie die 10 seconden na vergrendeling
van de portieren in werking treedt.
Bij Safelock is de auto alleen met de transpon-
dersleutel te ontgrendelen. Het bestuurders-
portier is ook te ontgrendelen met het afneem-
bare sleutelblad.
Tijdelijk deactiveren
Geactiveerde menu-opties staan aangekruist.
Navigatie
ENTER
MENU
EXIT
Als u de portieren van de buitenzijde wilt ver-
grendelen terwijl er iemand in de auto achter-
blijft, kunt u de Safelock-functie tijdelijk uit-
schakelen. Dat gaat als volgt:
1. Open het menusysteem en ga naar
Instellingen van de auto (voor een gede-
tailleerde beschrijving van het menusys-
teem, zie pagina 126).
2. Kies Verlaagde guard.
3. Kies Eenmalig inschakelen.
> Op het display van het instrumentenpa-
neel verschijnt de melding Beveil.
verlaagd Zie instructieb. en de Safe-
lock-functie wordt uitgeschakeld bij
vergrendeling van de auto.
of
±Kies Vraag bij uitgang.
> Iedere keer dat u de motor afzet, ver-
schijnt op het display van het audiosys-
teem de melding ENTER voor
verlaagde beveiliging tot de motor
weer gestart wordt. EXIT voor
annuleren – kies dan een van de alter-
natieven.
02 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen
02
58 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als u de Safelock-functie wilt uitschakelen
±Druk op ENTER en vergrendel de auto. (Als
de auto uitgerust is met een alarmsysteem
met bewegingsmelders en niveausenso-
ren*, worden ook deze tegelijkertijd uitge-
schakeld, zie pagina 61.)
> De volgende keer dat u de motor start,
wordt het systeem gereset waarna op
het display van het instrumentenpaneel
de melding Beveil. volledig verschijnt.
Daarmee zijn de Safelock-functie en de
bewegingsmelders en niveausensoren
van het alarmsysteem opnieuw inge-
schakeld.
Als u geen wijzigingen in het vergrende-
lingssysteem wenst
±Vergrendel de auto zonder een keuze te
maken.
of
±Druk op EXIT en vergrendel de auto.
N.B.
Bij auto’s met alarmsysteem:
•Let erop dat de auto bij het vergrende-
len op alarm wordt gezet.
•Wanneer een van de portieren van de
binnenzijde wordt geopend, gaat het
alarm af.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto achter zonder eerst
de Safelock-functie te deactiveren. Zo voor-
komt u dat iemand opgesloten raakt.
02 Sloten en alarm
Kinderslot
02
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 59
Handmatig kinderslot op
achterportieren
G021077
De bedieningscilinders van het kinderslot zitten
achter op de korte kant van de achterportieren,
zodat ze alleen bereikbaar zijn wanneer de por-
tieren openstaan.
±Gebruik het sleutelblad om de bedienings-
cilinder te verdraaien en zo het kinderslot
in of uit te schakelen.
Het portier kan niet van de binnenzijde
worden geopend.
Het portier kan van de binnenzijde worden
geopend.
N.B.
Op auto’s met het elektrische kinderslot zit
geen handmatig kinderslot.
Elektrisch kinderslot op
achterportieren en achterste zijruiten*
G019300
Wanneer het elektrische kinderslot actief is:
•zijn de achterste zijruiten alleen vanaf het
bestuurdersportier te bedienen
•zijn de achterportieren niet van de binnen-
zijde te openen.
1. Het kinderslot is te activeren/deactiveren
in sleutelstand I of II, zie pagina 75.
2. Druk op de bijbehorende knop van het
bedieningspaneel op het bestuurderspor-
tier.
> Op het informatiedisplay verschijnt een
melding.
Het lampje in de knop brandt, wanneer
het slot geactiveerd is.
02 Sloten en alarm
Alarm*
02
60 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie
Het alarm gaat af, als:
•een portier, de motorkap of de achterklep
wordt geopend;
•een verkeerde transpondersleutel wordt
gebruikt of als het contactslot wordt gema-
nipuleerd;
•er beweging in de passagiersruimte wordt
waargenomen (als er een bewegingsmel-
der* aanwezig is)
•de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor*)
•een kabel van de startaccu wordt losge-
koppeld
•iemand de sirene probeert los te koppelen.
Als er een storing in het alarmsysteem is opge-
treden, verschijnt er een melding op het infor-
matiedisplay. Neem dan contact op met een
werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
N.B.
De bewegingsmelders laten het alarm
afgaan, wanneer er bewegingen in het inte-
rieur worden waargenomen. Het alarm kan
dan ook afgaan als u bij het parkeren van de
auto een van de zijruiten laat openstaan of
gebruik maakt van een elektrische interieur-
verwarming.
Om dat te voorkomen: Sluit voordat u de
auto verlaat alle ruiten en stel de interieur-
verwarming dusdanig in dat deze geen
warme lucht omhoogblaast.
N.B.
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzigingen
in het alarmsysteem uit. Dergelijke ingrepen
kunnen van invloed zijn op de verzekerings-
voorwaarden.
Alarmindicatie
Een rode led op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
•De led is uit – het alarm is uitgeschakeld;
•De led licht om de twee seconden eenmaal
op – het alarm is ingeschakeld;
•De led knippert snel vanaf het moment van
uitschakelen van het alarm (tot aan het
moment dat u de transpondersleutel in het
contactslot steekt en sleutelstand I wordt
bereikt) – het alarm is afgegaan.
Alarm activeren
±Druk op de vergrendelingstoets op de
transpondersleutel.
Alarm deactiveren
±Druk op de ontgrendelingstoets op de
transpondersleutel.
02 Sloten en alarm
Alarm*
02
``
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 61
Geactiveerd alarm uitschakelen
±Druk op de ontgrendelingstoets op de
transpondersleutel of steek de transpon-
dersleutel in het contactslot.
Overige alarmfuncties
Automatische herinschakeling van het
alarm
De functie voorkomt dat u de auto verlaat zon-
der het alarm in te schakelen.
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na uitschakeling van het
alarm opent wanneer de auto met de trans-
pondersleutel ontgrendeld (en het alarm
gedeactiveerd) werd, wordt het alarm automa-
tisch opnieuw ingeschakeld. De auto wordt
bovendien opnieuw vergrendeld.
Alarmsignalen
Bij alarm gebeurt het volgende:
•Er klinkt 30 seconden lang een sirene. De
sirene heeft zijn eigen accu die volledig
onafhankelijk is van de startaccu in de
auto.
•Alle richtingaanwijzers knipperen totdat u
het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaan
ze na vijf minuten automatisch uit.
Transpondersleutel defect
Als de transpondersleutel defect is, kunt u het
alarm uitschakelen en de auto als volgt starten:
1. Open het bestuurdersportier met het sleu-
telblad.
> Het alarm gaat af en de sirene klinkt.
2. Steek de transpondersleutel in het con-
tactslot.
> Het alarm wordt uitgeschakeld. De
alarmindicatie knippert snel totdat u de
transpondersleutel in het contactslot
hebt gestoken.
Beperkt alarmniveau
Geactiveerde menu-opties staan aangekruist.
Navigatie
ENTER
MENU
EXIT
Om te voorkomen dat het alarm afgaat wan-
neer u bijvoorbeeld een hond in de auto ach-
terlaat of gebruik maakt van een veerboot, kunt
u de bewegingsmelder en de niveausensoren
tijdelijk uitschakelen en wel als volgt. Dat gaat
als volgt:
1. Open het menusysteem en ga naar
Instellingen van de auto (voor een gede-
tailleerde beschrijving van het menusys-
teem, zie pagina 126).
02 Sloten en alarm
Alarm*
02
62 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2. Kies Verlaagde guard.
3. Kies Eenmalig inschakelen:
> Op het display van het instrumentenpa-
neel verschijnt de melding Beveil.
verlaagd Zie instructieb. en de bewe-
gingsmelders en niveausensoren wor-
den uitgeschakeld bij vergrendeling van
de auto.
of
±Kies Vraag bij uitgang.
> Iedere keer dat u de motor afzet, ver-
schijnt op het display van het audiosys-
teem de melding ENTER om guard te
verm. totdat motor is gestart totdat
motor is gestart. EXIT voor
annuleren. – kies dan een van de alter-
natieven.
Als u de bewegingsmelders en niveausen-
soren wilt uitschakelen:
±Druk op ENTER en vergrendel de auto. (Als
de auto is uitgerust met Safelock-functie*,
wordt ook deze functie gedeactiveerd, zie
pagina 57).
> De volgende keer dat u de motor start,
wordt het systeem gereset waarna op
het display van het instrumentenpaneel
de melding Beveil. volledig verschijnt.
Daarmee zijn de Safelock-functie en de
bewegingsmelders en niveausensoren
van het alarmsysteem opnieuw inge-
schakeld.
Als de sensoren niet wilt uitschakelen:
±Vergrendel de auto zonder een keuze te
maken.
of
±Druk op EXIT en vergrendel de auto.
Alarmsysteem testen
Bewegingsmelder in passagiersruimte
testen
1. Sluit alle zijruiten. Blijf in de auto zitten.
2. Alarm activeren, zie pagina 60.
3. Wacht 15 seconden.
4. Laat het alarm afgaan door uw armen op te
heffen tot net boven de rugleuning en ze
vervolgens horizontaal heen en weer te
bewegen.
> Er klinkt een sirene en alle richtingaan-
wijzers knipperen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
Alarmsensoren in portieren testen
1. Alarm activeren, zie pagina 60.
2. Wacht 15 seconden.
3. Ontgrendel het bestuurdersportier met het
sleutelblad.
4. Open het bestuurdersportier.
> Er klinkt een sirene en alle richtingaan-
wijzers knipperen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
Alarmsensoren in motorkap testen
1. Ga in de auto zitten en deactiveer de bewe-
gingsmelder, zie pagina 60.
2. Activeer het alarm, zie pagina 60. Blijf in de
auto zitten en vergrendel de portieren met
de toets op de transpondersleutel.
3. Wacht 15 seconden.
4. Ontgrendel de motorkap met de hand-
greep onder het dashboard.
> Er klinkt een sirene en alle richtingaan-
wijzers knipperen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
02 Sloten en alarm
02
63
G020912
64 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Instrumenten, schakelaars en bediening................................................ 66
Sleutelstanden........................................................................................ 75
Stoelen en achterbank............................................................................ 77
Stuurwiel................................................................................................. 81
Verlichting............................................................................................... 82
Wissers en -sproeiers............................................................................. 92
Ruiten en spiegels................................................................................... 95
Kompas*................................................................................................ 100
Elektrisch bedienbaar schuifdak*.......................................................... 101
Motor starten........................................................................................ 103
Motor starten, FlexiFuel........................................................................ 105
Motor starten, hulpaccu........................................................................ 107
Versnellingsbakken............................................................................... 108
Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel Drive)*.......................................... 113
Bedrijfsrem............................................................................................ 114
Afdalingsregeling, HDC (Hill Descent Control)...................................... 116
Parkeerrem............................................................................................ 118
HomeLink *.......................................................................................... 121
03
BESTUURDERSMILIEU
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
03
66
Instrumentenoverzicht
Auto met stuur links.
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
03
``
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 67
Functie Pagina
Menu- en meldingsfunc-
ties, richtingaanwijzers,
groot licht/dimlicht,
boordcomputer
82,
86, 129,
163
Cruisecontrol 168, 170
Claxon, airbag 18, 81
Instrumentenpaneel 69, 73
Menu-, audio- en tele-
foonfuncties
126,
144, 204
Contactslot 75
Knop START/STOP 103
Alarmlichten 85
Openingshandgreep por-
tier
-
Bedieningspaneel 54, 59,
95, 97
Menufuncties en audio-
systeem
126, 145
Klimaatregeling, ECC 135
Functie Pagina
Versnellingspook/keuze-
hendel
108
Bedieningsknoppen
actieve chassisregeling
(FOUR-C)*
167
Wissers en -sproeiers 92, 93
Stuurwielafstelling 81
Parkeerrem* 118
Ontgrendeling motorkap 242
Stoelinstelling* 77
Bedieningsknoppen ver-
lichting, ontgrendeling
tankvulklep en achterklep
55, 82,
218
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
03
68
Auto met stuur rechts.
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
03
``
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 69
Functie Pagina
Alarmlichten 85
Contactslot 75
Knop START/STOP 103
Cruisecontrol 168, 170
Instrumentenpaneel 69, 73
Claxon, airbag 18, 81
Menu-, audio- en tele-
foonfuncties
126,
144, 204
Wissers en -sproeiers 92, 93
Bedieningsknoppen ver-
lichting, ontgrendeling
tankvulklep en achterklep
55, 82,
218
Openingshandgreep por-
tier
-
Bedieningspaneel 54, 59,
95, 97
Stoelinstelling* 77
Ontgrendeling motorkap 242
Parkeerrem 118
Functie Pagina
Stuurwielafstelling 81
Menu- en meldingsfunc-
ties, richtingaanwijzers,
groot licht/dimlicht,
boordcomputer
82,
86, 129,
163
Bedieningsknoppen
actieve chassisregeling
(FOUR-C)*
167
Versnellingspook/keuze-
hendel
108
Klimaatregeling, ECC 135
Menufuncties en audio-
systeem
126, 145
Informatiedisplays
Informatiedisplays.
Op de informatiedisplays verschijnt informatie
over bepaalde functies van de auto zoals de
cruisecontrol, boordcomputer en meldingen.
De informatie verschijnt in tekstvorm en met
symbolen.
Gedetailleerder informatie vindt u onder de
functies die gebruik maken van de informatie-
displays.
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
03
70
Meters
Meters op het instrumentenpaneel.
Snelheidsmeter
Brandstofmeter. Zie ook boordcomputer,
pagina 163, en tanken, pagina 218.
Toerenteller. De meter geeft het motortoe-
rental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Controle-, informatie- en
waarschuwingssymbolen
Controle- en waarschuwingssymbolen.
Symbolen groot licht en richtingaanwijzers
Controle- en informatiesymbolen
Controle- en waarschuwingssymbolen1
Functietest
Alle controle- en waarschuwingslampjes gaan
branden in sleutelstand II of wanneer u de
motor start. Alle symbolen moeten weer uit-
gaan als de motor is aangeslagen, behalve het
symbool voor de parkeerrem. Dit gaat pas uit,
als de auto van de parkeerrem wordt gehaald.
Als de motor niet aanslaat of als de functietest
wordt uitgevoerd in sleutelstand II, gaan na
5 seconden alle symbolen uit behalve het sym-
bool voor storingen in het uitlaatgasreinigings-
systeem en dat voor een lage oliedruk.
Controle- en informatiesymbolen
Sym-
bool
Betekenis
Storing in ABL
Uitlaatgasreinigingssysteem
Storing in ABS
Mistachterlicht aan
Stabiliteitssysteem
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Laag peil in brandstoftank
Informatie, lees displaymelding
Groot licht aan
1Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding, zie pagina 243.
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
03
``
71
Sym-
bool
Betekenis
Richtingaanwijzers links
Richtingaanwijzers rechts
Storing in ABL
Het symbool brandt, als er een storing is opge-
treden in het ABL-systeem (Active Bending
Lights).
Uitlaatgasreinigingssysteem
Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssys-
teem kan het lampje gaan branden. Rijd voor
een controle naar een werkplaats. Volvo advi-
seert dat u daarvoor een erkende Volvo-werk-
plaats bezoekt.
Storing in ABS
Als het symbool brandt, is het systeem defect.
Het normale remsysteem van de auto werkt
dan nog wel, zij het zonder ABS-regeling.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stil-
stand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
3. Als het symbool blijft branden, rijd dan naar
een werkplaats om het ABS te laten con-
troleren. Volvo adviseert dat u daarvoor
een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Mistachterlicht
Dit symbool brandt wanneer u het mistachter-
licht hebt ingeschakeld.
Stabiliteitssysteem
Het knipperende symbool geeft aan dat het
stabiliteitssysteem werkt. Als het symbool con-
tinu brandt is er sprake van een storing in het
systeem.
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Het symbool gaat branden wanneer de motor
wordt voorverwarmd. De voorverwarming start
als de temperatuur lager wordt dan 2°C. De
auto kan worden gestart als het symbool
gedoofd is.
Laag peil in brandstoftank
Wanneer het lampje gaat branden is het brand-
stofpeil te laag. Tank dan zo spoedig mogelijk.
Informatie, lees displaymelding
Als er een afwijking is in een van de systemen
in de auto, gaat het informatiesymbool bran-
den en verschijnt er een melding op het dis-
play. U verwijdert de melding met behulp van
de knop READ, zie pagina 129. Dit gebeurt
automatisch als u enige tijd niets doet (hoe lang
hangt van de bewuste functie af). Het informa-
tiesymbool kan ook gaan branden in combina-
tie met andere symbolen.
N.B.
Wanneer de servicemelding verschijnt, kunt
u het lampje doven en de melding verwijde-
ren met de knop READ. Ook als u niets doet
gebeurt dat enige tijd later automatisch.
Groot licht aan
Het symbool brandt, wanneer u het groot licht
voert of grootlichtsignalen geeft
Richtingaanwijzers links/rechts
Beide richtingaanwijzersymbolen knipperen bij
gebruik van de alarmlichten.
Controle- en waarschuwingssymbolen
Sym-
bool
Betekenis
Lage oliedrukA
Parkeerrem aangezet
Airbags (SRS)
Gordelwaarschuwing
Dynamo laadt niet bij
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
03
72
Sym-
bool
Betekenis
Storing in remsysteem
Waarschuwing
ABij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk
niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een display-
melding, zie pagina 243 en 244.
Lage oliedruk
Als het symbool tijdens het rijden oplicht, is de
druk van de motorolie te laag. Zet de motor
onmiddellijk af en controleer het motoroliepeil.
Vul zo nodig olie bij. Als het symbool oplicht
terwijl het oliepeil in orde is, moet u contact
opnemen met een werkplaats. Volvo adviseert
dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats
bezoekt.
Parkeerrem aangezet
Het symbool brandt continu, wanneer u de par-
keerrem hebt aangezet. Bij auto’s met een
elektrische parkeerrem knippert het symbool
tijdens het aanzetten en gaat daarna continu
branden.
Een knipperend symbool houdt in dat er een
storing is opgetreden. Lees de melding op het
informatiedisplay.
N.B.
Het symbool gaat ook branden als de
mechanische parkeerrem slechts een wei-
nig is aangezet.
Airbags (SRS)
Als het symbool tijdens het rijden oplicht of
blijft branden, is er een storing geregistreerd in
de gordelsluiting of in het SRS-, SIPS- of IC-
systeem. Rijd de auto zo spoedig mogelijk naar
een werkplaats om het systeem te laten con-
troleren. Volvo adviseert dat u daarvoor een
erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Gordelwaarschuwing
Het symbool brandt als de bestuurder of de
voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt of
als iemand op de achterbank de gordel heeft
losgenomen.
Dynamo laadt niet bij
Het symbool gaat tijdens het rijden branden,
als er sprake is van een storing in het elektrisch
systeem. Bezoek een werkplaats. Volvo advi-
seert dat u daarvoor een erkende Volvo-werk-
plaats bezoekt.
Storing in remsysteem
Als het symbool oplicht, is het remvloeistofpeil
mogelijk te laag. Breng de auto op een veilige
plaats tot stilstand en controleer het peil in het
remvloeistofreservoir, zie pagina 246.
Als de waarschuwingssymbolen voor het rem-
systeem en ABS tegelijkertijd branden, kan er
een storing in de remkrachtverdeling zijn opge-
treden.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stil-
stand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
•Rijd verder als beide symbolen uitgaan.
•Als de symbolen echter blijven branden,
moet u het peil in het remvloeistofreser-
voir controleren, zie pagina 246. Als de
symbolen blijven branden ondanks dat
het peil van de remvloeistof in orde is,
moet u de auto uiterst voorzichtig naar
een werkplaats rijden om het remsys-
teem te laten controleren. Volvo advi-
seert dat u daarvoor een erkende Volvo-
werkplaats bezoekt.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Laat de oorzaak van het remvloeistofverlies
controleren door een werkplaats. Volvo
adviseert dat u daarvoor contact opneemt
met een erkende Volvo-werkplaats.
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
03
``
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 73
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingssymbolen voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
bestaat het gevaar dat de achtertrein bij
krachtig remmen gaat slippen.
Waarschuwing
Het rode waarschuwingssymbool gaat bran-
den, wanneer er een storing is geregistreerd
die van invloed kan zijn op de veiligheid en/of
de rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt
tegelijkertijd een verklarende melding op het
informatiedisplay. Het waarschuwingslampje
blijft branden totdat de storing is verholpen,
maar de melding kunt u verwijderen met de
knop READ, zie pagina 129. Het waarschu-
wingslampje kan ook gaan branden in combi-
natie met andere lampjes.
Actie:
1. Stop zo spoedig mogelijk. Rijd niet verder
met de auto.
2. Lees de informatie op het informatiedis-
play. Voer de handeling uit die de melding
op het display u voorschrijft. Wis de mel-
ding met de knop READ.
Waarschuwing, portieren niet gesloten
Als een van de portieren, de motorkap2 of de
achterklep niet goed afgesloten is, gaat het
informatie- of waarschuwingssymbool bran-
den en verschijnt er een verklarende melding
op het instrumentenpaneel. Breng de auto zo
spoedig mogelijk tot stilstand en sluit het por-
tier, het kofferdeksel of de motorkap dat/die
open is.
Als de auto met een snelheid van maxi-
maal 7 km/h rijdt, gaat het informatie-
symbool branden.
Als de auto met een snelheid van maxi-
maal 7 km/h rijdt, gaat het waarschu-
wingssymbool branden.
Dagtellers
Dagteller en bedieningsknop.
Display voor dagtellers
Knop om te wisselen tussen de dagtellers
T1 en T2 alsook de dagtellers op nul te
stellen.
De dagtellers worden gebruikt om korte afstan-
den te meten.
Door kort op de knop te drukken, kunt u van
dagteller (T1 en T2) wisselen. Als u de knop
lang indrukt (meer dan 2 seconden), zet u de
geactiveerde dagteller op nul. De afgelegde
afstand staat op het display.
2Alleen auto’s met alarm*.
03 Bestuurdersmilieu
Instrumenten, schakelaars en bediening
03
74
Klok
Klok en instelknop.
Knop om de klok in te stellen.
Informatiedisplay voor de tijdaanduiding.
Draai de knop rechts- of linksom om de tijd in
te stellen. De ingestelde tijd verschijnt op het
informatiedisplay.
Bij de weergave van een melding kan de tijds-
aanduiding korte tijd worden vervangen door
een symbool, zie pagina 129.
03 Bestuurdersmilieu
Sleutelstanden
03
``
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 75
Transpondersleutel aanbrengen en
verwijderen
G021126
Contactsleutel met naar binnen getrokken trans-
pondersleutel.
N.B.
Voor auto’s met Keyless drive-functie*, zie
pagina 51.
Sleutel aanbrengen
Breng de transpondersleutel aan in het con-
tactslot, met de symbolen in de juiste richting.
Bij licht indrukken van de sleutel wordt deze
verder naar binnen getrokken.
BELANGRIJK
Vreemde voorwerpen in het contactslot
kunnen tot functiestoringen leiden of
schade aan het slot toebrengen.
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken – pak de sleutel beet aan het uit-
einde met het afneembare sleutelblad. zie
pagina 46.
Sleutel verwijderen
Verwijder de transpondersleutel door er lichte
druk op uit te oefenen. (Een automaatbak*
dient in stand P te staan.)
Functies
De drie verschillende sleutelstanden zijn te
activeren zonder daarvoor de motor te hoeven
starten. De tabel geeft aan welke functies
beschikbaar zijn in de verschillende sleutel-
standen.
N.B.
Om sleutelstand I of II te activeren zonder
de motor te starten – voer een van de vol-
gende punten uit zonder het rem-/koppe-
lingspedaal te bedienen.
Sleutelstand 0
Steek de transpondersleutel in het contactslot
en druk lichtjes op de sleutel – de sleutel wordt
verder naar binnen getrokken.
Sleutelstand I
Met de transpondersleutel naar binnen getrok-
ken in het contactslot – druk kort op START/
STOP ENGINE.
Sleutelstand II
Met de transpondersleutel naar binnen getrok-
ken in het contactslot – druk ca. 2 seconden
lang op START/STOP ENGINE.
Terug naar sleutelstand 0
Om terug te gaan naar sleutelstand 0 vanuit
stand I of II – druk kort op START/STOP
ENGINE.
03 Bestuurdersmilieu
Sleutelstanden
03
76 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Stand Functie
0Kilometerteller, klok en tempera-
tuurmeter worden verlicht. Het
stuurslot is opgeheven. Het
audiosysteem is te gebruiken.
ISchuifdak*, elektrisch bedien-
bare zijruiten, 12V-aansluitingen
in passagiersruimte, RTI*, tele-
foon*, interieurventilator, ECC en
ruitenwissers zijn te gebruiken.
II De koplampen worden ontsto-
ken. Waarschuwings-/controle-
lampjes branden 5 seconden
lang. Alle uitrusting werkt,
behalve de elektrische verwar-
ming van de stoel en die van de
achterruit die pas werken wan-
neer de motor loopt.
Voor informatie over de functie van het audio-
systeem bij een uitgenomen transpondersleu-
tel, zie pagina 144.
Motor starten en afzetten
Voor informatie over het starten/afzetten van
de motor, zie pagina 103.
Slepen
Voor belangrijke informatie over de transpon-
dersleutel bij het slepen, zie pagina 238.
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
03
``
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 77
Voorstoelen
Lendensteun wijzigen, aan de knop1
draaien.
Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en de
pedalen in te stellen. Controleer of de stoel
na het afstellen in de nieuwe stand geblok-
keerd staat.
Voorkant zitting hoger/lager* zetten,
omhoog-/omlaagpompen.
Hellingshoek rugleuning wijzigen, aan de
knop draaien.
Stoel hoger/lager zetten, omhoog-/
omlaagpompen.
Bedieningspaneel voor elektrisch bedien-
bare stoel*.
WAARSCHUWING
Stel de stand van de bestuurdersstoel in
voordat u gaat rijden. Doe dit nooit tijdens
het rijden. Controleer of de stoel in zijn stand
vergrendeld staat.
Rugleuning voorstoel omklappen*
De rugleuning van de passagiersstoel kan wor-
den omgeklapt om ruimte te maken voor lange
lading.
Zet de stoel zo ver mogelijk naar achteren
en omlaag.
Zet de rugleuning rechtop.
Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning omhoog tijdens het omklappen.
4. Duw de stoel zo ver naar voren dat de
hoofdsteun onder het dashboardkastje
“vast” komt te zitten.
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
WAARSCHUWING
Controleer of de rugleuning van de voor-
stoel na het rechtop zetten goed vergren-
deld staat.
1Geldt ook voor een elektrisch bedienbare stoel.
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
03
78 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Elektrisch bedienbare stoel*
Voorkant zitting omhoog/omlaag
Stoel vooruit/achteruit en omhoog/omlaag
Hellingshoek rugleuning
De elektrisch bedienbare stoelen zijn voorzien
van een beveiliging tegen overbelasting, die
geactiveerd wordt als een van de stoelen door
een obstakel wordt geblokkeerd. Als dit het
geval is, moet u de sleutel in stand I of 0 zetten
en enige tijd wachten voordat u de stoel
opnieuw probeert te verstellen.
U kunt slechts één verstelfunctie van de stoel
tegelijk activeren (vooruit/achteruit/omhoog/
omlaag).
Voorbereidingen
Tot enige tijd nadat u het portier met de trans-
pondersleutel hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt er
geen sleutel in het contactslot. U verstelt de
stoel normaal gesproken in sleutelstand I.
Wanneer de motor loopt, is dat altijd mogelijk.
Stoel met geheugenfunctie*
Instelling vastleggen
Geheugenknop
Geheugenknop
Geheugenknop
Knop voor vastlegging van de instelling
1. Stel de stoel en de buitenspiegels in.
2. Houd de knop voor vastlegging van de
instelling ingedrukt, terwijl u op de geheu-
genknop van uw keuze drukt.
Stoel in vastgelegde stand zetten
Houd een van de geheugenknoppen ingedrukt,
totdat de stoel en de buitenspiegels tot stil-
stand komen. Bij het loslaten van de knop zal
de instelling van de stoel onmiddellijk worden
beëindigd.
Geheugen* van transpondersleutel2
De stand van de bestuurdersstoel en de bui-
tenspiegels wordt vastgelegd, wanneer u de
auto met de transpondersleutel vergrendelt.
Een volgende keer dat de auto met dezelfde
transpondersleutel wordt ontgrendeld, nemen
2Voor het sleutelgeheugen bij Keyless drive, zie pagina 51.
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
03
``
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 79
de bestuurdersstoel en de buitenspiegels de in
het sleutelgeheugen vastgelegde standen in.
N.B.
De bestuurdersstoel en de buitenspiegels
worden niet verzet, als ze al in de opgesla-
gen stand staan.
U kunt de standen in het sleutelgeheugen ook
activeren door (terwijl het bestuurdersportier
openstaat) de ontgrendelingsknop op de
transpondersleutel te bedienen.
U kunt het sleutelgeheugen activeren/deacti-
veren onder Autosleutelgeheugen Pos.
stoelen en spiegels. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie pagina 126.
N.B.
Het geheugen van de twee transponders-
leutels en de drie geheugens van de stoel
werken volledig onafhankelijk van elkaar.
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een van de knoppen drukken om de
stoel tot stilstand te brengen.
Om de stoel dan opnieuw in de in het sleutel-
geheugen vastgelegde stand te zetten dient u
de ontgrendelingsknop op de transponder-
sleutel te bedienen. Het bestuurdersportier
dient daarbij open te staan.
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Laat kinderen niet met
de schakelaars spelen. Zorg dat er geen
voorwerpen voor, achter of onder de stoel
liggen tijdens het verstellen. Zorg er tevens
voor dat geen van de passagiers op de ach-
terbank bekneld kan raken.
Stoelen met elektrische verwarming/
ventilatie*
Voor stoelen met elektrische verwarming/ven-
tilatie, zie pagina 135.
Achterbank
Middelste hoofdsteun achterbank
Stem de hoofdsteun af op de lengte van de
passagier zodat deze zo mogelijk het hele ach-
terhoofd bedekt. Trek de hoofdsteun zo ver
omhoog als nodig is.
Als u de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u
de knop (in het midden tussen het ruggedeelte
en de hoofdsteun, zie afbeelding) indrukken
terwijl u de hoofdsteun omlaagduwt.
Buitenste hoofdsteunen achterbank
handmatig omklappen
G018760
Trek aan de pal bij de hoofdsteun om de hoofd-
steun om te klappen.
Zet de hoofdsteun na afloop handmatig
rechtop totdat deze hoorbaar vastklikt.
03 Bestuurdersmilieu
Stoelen en achterbank
03
80
Ruggedeelte achterbank omklappen
De drie ruggedeelten van de achterbank zijn op
verschillende manieren neer te klappen om het
u makkelijk te maken lange voorwerpen te ver-
voeren.
N.B.
Zet de voorstoelen zo nodig naar voren en/
of de rugleuningen ervan rechtop, zodat u
de ruggedeelten van de achterbank hele-
maal kunt neerklappen.
•Het linker ruggedeelte kan apart worden
neergeklapt.
•Het middelste ruggedeelte is eveneens
apart neer te klappen.
•Het rechter ruggedeelte kan samen met
het middelste ruggedeelte worden neerge-
klapt.
•Alle ruggedeelten zijn ook tegelijkertijd
neer te klappen.
G017903
Bij het omklappen van het middelste rug-
gedeelte dient u de middelste hoofdsteun
vrij te geven en omlaag te zetten, zie
pagina 79.
De buitenste hoofdsteunen worden auto-
matisch neergeklapt, wanneer u de buiten-
ste ruggedeelten omklapt. Trek de blok-
keerhandgreep van het ruggedeelte
omhoog en klap het ruggedeelte om. Een
rode markering bij de blokkeerhandgreep
geeft aan dat het ruggedeelte niet lan-
ger geblokkeerd staat.
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
N.B.
De rode markering mag niet langer zicht-
baar zijn, wanneer het ruggedeelte weer
rechtop staat. Het ruggedeelte staat niet
geblokkeerd, als de rode markering wel
zichtbaar is.
WAARSCHUWING
Controleer of de ruggedeelten en hoofd-
steunen van de achterbank na het rechtop
zetten goed vergrendeld staan.
03 Bestuurdersmilieu
Stuurwiel
03
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 81
Instellen
G021138
Stuurwiel afstellen.
Ontgrendelingshendel, stuurwielafstelling
Mogelijke stuurwielstanden
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de diepte verstellen.
1. Trek de hendel naar u toe om het stuur vrij
te geven.
2. Zet het stuurwiel vervolgens in de gewen-
ste stand.
3. Duw de hendel vervolgens terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren.
Als dit moeite kost, kunt u lichtjes op het
stuurwiel drukken en tegelijkertijd de hen-
del terugduwen.
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden en
controleer of het in de gekozen stand ver-
grendeld staat.
Bij auto’s met snelheidsafhankelijke stuurbe-
krachtiging* is de kracht die nodig is om het
stuur te verdraaien in te stellen (zie
pagina 167).
Toetsensets*
Toetsensets op stuurwiel.
Cruisecontrol, zie pagina 168
Adaptieve cruisecontrol, zie pagina 170
Audio- en telefoonfuncties, zie
pagina 144
Claxon
Claxon.
Druk op het midden van het stuurwiel om te
claxonneren.
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
03
82 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bedieningspaneel verlichting
G021141
Overzicht bedieningspaneel verlichting.
Duimwiel voor het afstellen van de verlich-
ting van het display en het instrumenten-
paneel
Mistachterlicht
Mistlampen voorzijde*
Bedieningspaneel verlichting
Duimwiel1 voor koplamphoogteregeling
Instrumentenverlichting
Afhankelijk van de sleutelstand worden
bepaalde displays en instrumenten verlicht, zie
pagina 75.
De displayverlichting wordt bij donker automa-
tisch gedimd. De gevoeligheidsgraad van deze
functie is in te stellen met het duimwiel.
Ook de sterkte waarmee het instrumentenpa-
neel verlicht wordt stelt u in met het duimwiel.
Koplamphoogteregeling
Door de belading van de auto wordt de hoogte
van de koplampen gewijzigd, zodat u tege-
moetkomend verkeer mogelijk verblindt. U
kunt dat voorkomen door de koplamphoogte
bij te stellen. Stel de koplampen lager af als de
auto zwaar beladen is.
1. Laat de motor draaien of zet de transpon-
dersleutel in stand I.
2. Draai het duimwiel omhoog of omlaag om
de koplampen hoger of lager af te stellen.
Auto’s met dual xenonkoplampen* zijn uitge-
rust met automatische koplamphoogterege-
ling, zodat het duimwiel ontbreekt.
Groot licht/dimlicht
G021142
Verlichtingsdraaiknop en stuurhendel.
Stand voor grootlichtsignalen
Stand voor grootlicht
1Niet aanwezig bij auto’s met dual xenonkoplampen*.
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
03
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 83
Stand Betekenis
Automatisch*/uitgeschakeld
dimlicht. Alleen grootlichtsigna-
len.
Stadslichten vóór en achterlich-
ten
Automatisch dimlicht. In deze
stand werken het groot licht en
de grootlichtsignalen.
N.B.
Het groot licht is alleen te activeren in stand
.
Grootlichtsignalen
Trek de stuurhendel voorzichtig tot in de stand
voor grootlichtsignalen naar het stuurwiel toe.
Het groot licht brandt totdat u de hendel los-
laat.
Dimlicht
Als de verlichtingsdraaiknop in stand 2
staat, gaat bij het starten van de motor het
dimlicht automatisch* branden. U kunt het
automatische dimlicht zo nodig in een werk-
plaats buiten werking laten stellen. Volvo advi-
seert dat u contact opneemt met een erkende
Volvo-werkplaats.
In stand is het dimlicht altijd automa-
tisch ingeschakeld wanneer de motor loopt of
als de transpondersleutel in stand II staat.
Groot licht
Het groot licht is alleen te ontsteken met de
verlichtingsdraaiknop in stand . Schakel
het groot licht in of uit door de stuurhendel tot
in de eindstand naar het stuurwiel te halen en
vervolgens los te laten.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt
het symbool op het instrumentenpa-
neel.
Active Bending Lights (ABL)*
Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geacti-
veerde (rechts) functie.
Als de auto is uitgerust met actieve koplampen
(Active Bending Lights, ABL) draaien de licht-
bundels van de koplampen mee om optimale
verlichting te verkrijgen in bochten en op krui-
singen om op die manier de veiligheid te ver-
hogen.
De functie wordt automatisch ingeschakeld bij
het starten van de motor. Wanneer de functie
een storing vertoont, brandt het symbool
op het instrumentenpaneel en op het
informatiedisplay verschijnen een verklarende
melding plus een ander brandend symbool.
2Op bepaalde markten is in deze stand het dimlicht geactiveerd.
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
03
84
Symbool Display Betekenis
Koplamp-
fout Ser-
vice vereist
Het systeem
is defect.
Bezoek een
werkplaats
als de mel-
ding niet
verdwijnt.
Volvo advi-
seert dat u
contact
opneemt
met een
erkende
Volvo-werk-
plaats.
De functie is uitsluitend actief bij schemer of
donker en dan alleen als de auto rijdt.
U kunt de functie3 deactiveren/activeren onder
Instellingen van de auto Lichtinstellingen
Actieve koplampen. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie pagina 126.
Voor het aanpassen van de lichtbundel, zie
pagina 88.
Stadslichten vóór en achterlichten
G021144
Verlichtingsdraaiknop in stand voor stads-/par-
keerlichten vóór en achterlichten.
Draai de verlichtingsdraaiknop naar de middel-
ste stand (ook de kentekenplaatverlichting
gaat branden).
Om het achteropkomende verkeer te waar-
schuwen worden de achterlichten ook bij het
openen van de achterklep automatisch inge-
schakeld.
Remlichten
De remlichten gaan automatisch branden wan-
neer u remt.
Noodremlichten en automatische
alarmlichten
Bij krachtig remmen of ABS-regeling worden
de noodremlichten (Adaptive Brake Lights)
geactiveerd. Dit houdt in dat de remlichten
knipperen om het achteropkomende verkeer
onmiddellijk te waarschuwen.
Het systeem wordt geactiveerd als het ABS
meer dan 0,5 seconden achtereen actief is of
bij krachtig afremmen, maar alleen bij snelhe-
den hoger dan 50 km/h. Wanneer de snelheid
van de auto tot onder de 30 km/h is gedaald,
branden de remlichten weer op de normale
manier en worden de alarmlichten automatisch
ingeschakeld. De alarmlichten blijven knippe-
ren totdat u weer wegrijdt, maar zijn uit te scha-
kelen met de knop voor de alarmlichten.
3Geactiveerd bij levering vanuit de fabriek.
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
03
``
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 85
Mistlampen voorzijde*
G021145
Knop voor mistlampen voorzijde.
De mistlampen vóór zijn in te schakelen in
combinatie met het groot licht/dimlicht of de
stadslichten/parkeerlichten vóór en de achter-
lichten.
Druk op de knop voor in- en uitschakeling. Het
lampje in de knop brandt, wanneer de mist-
lampen aan de voorzijde branden.
N.B.
De regels voor het gebruik van de mist-
lampen vóór verschillen van land tot land.
Mistachterlicht
G021146
Knop voor mistachterlicht.
Het mistachterlicht dat uit een lamp aan de
achterzijde van de auto bestaat, is alleen in te
schakelen wanneer u het groot licht/dimlicht
voert al dan niet gecombineerd met de mist-
lampen aan de voorzijde.
Druk op de knop voor in-/uitschakeling. Het
controlelampje voor het mistachterlicht
op het instrumentenpaneel en het lampje in de
knop branden, wanneer het mistachterlicht
ingeschakeld is.
Het mistachterlicht dooft automatisch bij het
afzetten van de motor.
N.B.
De regels voor het gebruik van het mistach-
terlicht verschillen van land tot land.
Alarmlichten
Knop voor alarmlichten.
Druk op de knop om de alarmlichten te active-
ren. Beide richtingaanwijzersymbolen op het
instrumentenpaneel knipperen bij gebruik van
de alarmlichten.
Als de auto dermate hard wordt afgeremd dat
de noodremlichten in werking treden, worden
zodra de snelheid van de auto tot onder de
30 km/h is gedaald automatisch de alarmlich-
ten ingeschakeld. Ook nadat de auto tot stil-
stand is gekomen blijven de alarmlichten knip-
peren. Wanneer u weer wegrijdt worden ze
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
03
86
automatisch uitgeschakeld. U kunt ook op de
knop voor de alarmlichten drukken.
Richtingaanwijzers/knipperlichten
G021148
Richtingaanwijzers/knipperlichten.
Korte serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eerste stand en laat de hendel ver-
volgens los. De richtingaanwijzers lichten
driemaal op. U kunt de functie activeren/
deactiveren onder Instellingen van de
auto Lichtinstellingen Knipperl.
aan, 3 x
Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie pagina 126.
Onafgebroken serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de tweede stand.
De hendel blijft in deze stand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
worden of veert automatisch terug bij het
terugdraaien van het stuurwiel.
Richtingaanwijzersymbolen
Voor de richtingaanwijzersymbolen, zie
pagina 70.
Verlichting in interieur
G021149
Knoppen op plafondconsole voor bediening lees-
lampjes en interieurverlichting voorin.
Leeslampje linkerzijde
Leeslampje rechterzijde
Interieurverlichting
Alle verlichting in het interieur kan handmatig
in- en uitgeschakeld worden binnen 30 minu-
ten nadat:
•u de motor hebt afgezet en de transpon-
dersleutel in stand 0 staat;
•de auto ontgrendeld is zonder dat de motor
is gestart.
Plafondverlichting voorin
De leeslampjes voorin worden in- en uitge-
schakeld met een druk op de bijbehorende
knoppen op de plafondconsole.
Plafondverlichting achterin
G021150
Plafondverlichting achterin.
U kunt de lampjes in- en uitschakelen met een
druk op de bijbehorende knop.
knipp..
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
03
``
87
Instapverlichting
De instapverlichting (alsmede de interieurver-
lichting) worden in- en uitgeschakeld bij het
openen c.q. sluiten van een portier.
Verlichting dashboardkastje
De verlichting in het dashboardkastje wordt in-
en uitgeschakeld bij het openen en sluiten van
de klep van het kastje.
Make-upspiegel
De verlichting van de make-upspiegel, zie
pagina 202, wordt bij het openen en sluiten
van het klepje in- en uitgeschakeld.
Bagageruimteverlichting
De bagageruimteverlichting wordt bij het ope-
nen en sluiten van de achterklep automatisch
in- en uitgeschakeld.
Automatische verlichting
Met de knop voor de interieurverlichting kunt u
drie verlichtingsstanden selecteren:
•Uit – rechterkant ingedrukt, automatische
interieurverlichting gedeactiveerd.
•Neutrale stand – automatische verlichting
geactiveerd.
•Aan – linkerkant ingedrukt, interieurverlich-
ting brandt.
Neutrale stand
Met de knop in de neutrale stand wordt de
interieurverlichting als volgt automatisch in- en
uitgeschakeld.
De interieurverlichting wordt ingeschakeld en
blijft 30 seconden lang branden, als:
•u de auto met de afstandsbediening ont-
grendelt, zie pagina 43 of 46;
•u de motor hebt afgezet en de transpon-
dersleutel in stand 0 staat.
De interieurverlichting dooft, wanneer:
•u de motor start;
•de auto wordt vergrendeld.
De interieurverlichting gaat aan en blijft twee
minuten lang branden, wanneer een van de
portieren openstaat.
Als u een bepaalde verlichtingsfunctie hand-
matig inschakelt, zal deze na twee minuten
automatisch worden uitgeschakeld.
“Follow Me Home”-verlichting
Het is mogelijk om een deel van de buitenver-
lichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als “Follow Me Home”-verlichting dienst te
laten doen na vergrendeling van de auto.
1. Neem de transpondersleutel uit het con-
tactslot.
2. Haal de linker stuurhendel tot in de eind-
stand naar het stuurwiel toe en laat de hen-
del los. De functie is op dezelfde manier te
activeren als de grootlichtsignalen, zie
pagina 82.
3. Stap uit de auto en vergrendel het portier.
Wanneer de functie wordt geactiveerd, gaan
de dimlichten, de parkeerlichten, de richting-
aanwijzers, de verlichting van de buitenspie-
gels, de kentekenplaatverlichting, de plafond-
lampjes in het interieur en de instapverlichting
branden.
De duur van de “Follow Me Home”-verlichting
kan worden ingesteld onder Instellingen van
de auto Lichtinstellingen Duur
opritverlichting. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie pagina 126.
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
03
88 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
“Approach”-verlichting*
U activeert de “Approach”-verlichting met de
transpondersleutel, zie pagina 43, om de ver-
lichting van de auto op afstand in te schakelen.
Wanneer de functie met de afstandsbediening
wordt geactiveerd, gaan de parkeerlichten, de
verlichting van de buitenspiegels, de kente-
kenplaatverlichting, de plafondlampjes in het
interieur en de instapverlichting branden.
De duur van de “Approach”-verlichting kan
worden ingesteld onder Instellingen van de
auto Lichtinstellingen Duur
naderingslicht. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie pagina 126.
Lichtbundel aanpassen
G021151
Lichtbundel linksrijdend verkeer.
G021152
Lichtbundel rechtsrijdend verkeer.
Om verblinding van tegenliggers te voorkomen
kunt u de lichtbundel van de koplampen aan-
passen voor links- en rechtsrijdend verkeer. Bij
de juiste lichtbundel wordt ook de berm beter
verlicht.
Dual xenon- en actieve dual
xenonkoplampen*
G019442
Hendel voor aanpassing lichtbundel.
Normale stand – de juiste lichtbundel voor
het land waarin de auto werd afgeleverd.
Aangepaste stand – stand voor de tegen-
overgestelde lichtbundel.
WAARSCHUWING
Omdat de xenonkoplampen voorzien zijn
van een ontstekingsgedeelte dat een hoge
spanning opwekt, moet u er voorzichtig
mee omgaan.
Het land waarin de auto werd afgeleverd
bepaalt of de uitgangspositie de juiste is voor
links- of rechtsrijdend verkeer.
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
03
``
89
Voorbeeld 1
Om met een in Nederland geleverde auto in
Engeland te kunnen rijden dient de lichtbundel
van de koplampen te worden ingesteld op de
aangepaste stand (zie voorgaande afbeelding).
Voorbeeld 2
Een in Engeland geleverde auto is bestemd
voor linksrijdend verkeer en daarom kunt u de
lichtbundel van de koplampen in de normale
stand (zie voorgaande afbeelding) laten staan.
Halogeenkoplampen
Bij halogeenkoplampen past u de lichtbundel
aan door bepaalde delen van het koplampglas
af te plakken. De sterkte van de lichtbundel
neemt daardoor iets af.
Koplampen afplakken
1. Trek de mallen A en B over voor een auto
met het stuur links of de mallen C en D voor
een auto met het stuur rechts in een schaal
van 1:2, zie pagina 91. Gebruik bijvoor-
beeld een kopieerapparaat met vergro-
tingsfunctie.
•A = LHD Right (auto met het stuur links,
rechter koplampglas)
•B = LHD Left (auto met het stuur links,
linker koplampglas)
•C = RHD Right (auto met het stuur
rechts, rechter koplampglas)
•D = RHD Left (auto met het stuur rechts,
linker koplampglas)
2. Breng de mallen over op een stuk zelfkle-
vend en watervast materiaal en knip ze uit.
3. Neem de designstreep op de koplampgla-
zen als uitgangspunt, zie stippellijn op
pagina 90. Breng de zelfklevende mallen
aan de hand van de afbeelding en de afme-
tingen in de onderstaande lijst aan op de
juiste afstand tot de designstreep:
•A = LHD Right - ca. 86 mm
•B = LHD Left - ca. 40 mm
•C = RHD Right - 0 mm
•D = RHD Left - ca. 96 mm
03 Bestuurdersmilieu
Verlichting
03
90
Positie van de mallen
G033954
Bovenste regel: afgeplakte gebieden bij een auto met stuur links, mallen A en B. Onderste regel: afgeplakte gebieden bij een auto met het stuur rechts, mallen
C en D.
03 Bestuurdersmilieu
Wissers en -sproeiers
03
92 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Ruitenwissers1
Ruitenwissers en -sproeiers.
Regensensor aan/uit
Duimwiel gevoeligheid regensensor/snel-
heid ruitenwissers
Ruitenwissers uitgeschakeld
Haal de hendel naar stand 0 om de
ruitenwissers uit te schakelen.
Enkele slag
Haal de hendel omhoog en laat deze
los om de wissers een enkele slag te
laten maken.
Intervalstand
Met het duimwiel kunt u het aantal
wisslagen per eenheid van tijd instel-
len wanneer u de intervalstand hebt geselec-
teerd.
Ononderbroken wissen
De wissers bewegen op normale
snelheid.
De wissers bewegen op hoge snel-
heid.
BELANGRIJK
Controleer alvorens de ruitenwissers tijdens
de winter in te schakelen of de wisserbladen
niet zijn vastgevroren en de voorruit (als-
mede de achterruit) sneeuw- en ijsvrij zijn.
BELANGRIJK
Spuit een ruime hoeveelheid ruitensproeier-
vloeistof op de voorruit, wanneer de ruiten-
wissers werken. De voorruit moet nat zijn bij
gebruik van de ruitenwissers.
Regensensor*
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en schakelt automatisch
de ruitenwissers op de voorruit in. De gevoe-
ligheid van de regensensor is in te stellen met
het duimwiel.
Wanneer de regensensor actief is, brandt het
lampje in de bijbehorende knop en verschijnt
het regensensorsymbool op het rechter
display van het instrumentenpaneel.
Activeren en gevoeligheid instellen
Om de regensensor te activeren dient de motor
te lopen of de transpondersleutel in stand I of
II te staan en de ruitenwisserhendel in stand 0
of die voor een enkele wisslag.
Activeer de regensensor door op de knop
te drukken. De ruitenwissers maken een
slag.
Als u de hendel omhooghaalt, maken de rui-
tenwissers een extra slag.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een lagere
gevoeligheid (de wissers maken een extra slag,
als u het duimwiel omhoogdraait).
Deactiveren
Schakel de regensensor uit met een druk op de
knop of haal de hendel omlaag naar een
ander wisprogramma.
1Wisserbladen vervangen (zie pagina255) en sproeiervloeistof bijvullen (zie pagina256).
03 Bestuurdersmilieu
Wissers en -sproeiers
03
``
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 93
De regensensor wordt automatisch uitgescha-
keld, wanneer u de sleutel uit het contactslot
neemt of vijf minuten nadat u de auto van het
contact hebt gezet.
BELANGRIJK
De ruitenwissers op de voorruit kunnen in
een automatische wasstraat spontaan
inschakelen en daarbij beschadigd raken.
Schakel de regensensor uit terwijl de motor
loopt of als de transpondersleutel in stand
I of II staat. Het symbool op het instrumen-
tenpaneel en dat in de knop doven.
Koplamp- en ruitensproeiers
Sproeierfunctie.
Ruitensproeiers voorruit
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken.
Nadat u de hendel hebt losgelaten maken de
ruitenwissers op de voorruit nog enkele slagen.
De koplampen worden om de beurt gesproeid
om te voorkomen dat de sterkte van de ver-
lichting afneemt.
N.B.
De koplampen worden om de beurt
gesproeid.
Verwarmde sproeikoppen*
De sproeikoppen worden bij vorst automatisch
verwarmd om te voorkomen dat de ruiten-
sproeiervloeistof bevriest.
Hogedruksproeiers koplampen*
De hogedruksproeiers van de koplampen ver-
bruiken een grote hoeveelheid sproeiervloei-
stof. Om vloeistof te besparen, worden de
koplampen alleen iedere vijfde keer dat u de
voorruitsproeiers activeert gesproeid.
Ruitenwisser en sproeier achterklep
G017632
Ruitenwisser achterklep – intervalstand
Ruitenwisser achterklep – continu wissen
Wanneer u de hendel naar voren haalt (zie pijl
op bovenstaande afbeelding), activeert u de
ruitenwisser/-sproeier van de achterklep.
Ruitenwisser achterklep, achteruitrijden
Als u de auto in de achteruitversnelling zet ter-
wijl de voorste ruitenwissers actief zijn, zal de
intervalstand van de ruitenwisser op de ach-
terklep starten2. Bij het inschakelen van een
andere versnelling valt de ruitenwisser op de
achterklep stil.
2Deze functie (intervalstand tijdens het achteruitrijden) kunt u desgewenst uitschakelen. Bezoek een werkplaats. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvo-dealer.
03 Bestuurdersmilieu
Wissers en -sproeiers
03
94
Als de ruitenwisser op de achterklep echter al
op continue snelheid werkt, vindt er geen wij-
ziging plaats.
N.B.
Bij auto’s met een geactiveerde regensen-
sor wordt de ruitenwisser op de achterklep
automatisch geactiveerd, als u in de regen
achteruitrijdt.
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
03
``
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 95
Algemene informatie
Gelaagd glas
Het glas is verstevigd voor een ver-
beterde inbraakbeveiliging en
geluidsisolatie van het interieur. De
voorruit en de overige ruiten zijn
gemaakt van gelaagd glas*.
Water- en vuilafstotende laag*
De ruiten zijn voorzien van een spe-
ciale laag die bij hevige regenval voor
een beter zicht zorgt. Voor het onderhoud, zie
pagina 282.
BELANGRIJK
Gebruik geen metalen ijskrabber om de rui-
ten van ijs te ontdoen. Gebruik de elektri-
sche verwarming om de buitenspiegels van
ijs te ontdoen.
Warmtereflecterende voorruit*
Veld waar geen IR-film is aangebracht.
De voorruit is voorzien van een warmtereflec-
terende film (IR) die de ingestraalde warmte in
de passagiersruimte beperkt.
Montage van elektronische uitrusting, zoals
een transponder, achter een ruit met een
warmtereflecterende film heeft mogelijk een
negatieve invloed op de werking en prestaties
van de uitrusting.
Voor optimale werking van dient de elektroni-
sche uitrusting dan ook gemonteerd te worden
op dat deel van de voorruit waar geen warm-
tereflecterende film is aangebracht (zie gemar-
keerd veld op voorgaande afbeelding).
Elektrisch bedienbare ruiten
G018516
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
Elektrisch kinderslot op achterportieren*
en achterste zijruiten, zie pagina 59.
Bedieningsknoppen achterste zijruiten
Bedieningsknoppen voorste zijruiten
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat achterpassagiers niet met
hun handen bekneld raken, wanneer u de
zijruiten vanaf het bestuurdersportier sluit.
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
03
96
WAARSCHUWING
Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor
dat kinderen of andere inzittenden niet met
hun handen bekneld raken. Dit geldt ook als
u gebruik maakt van de transpondersleutel.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten: let er bij het
verlaten van de auto op dat u de stroom-
toevoer naar de elektrisch bedienbare zij-
ruiten verbreekt door de transpondersleutel
uit te nemen.
Bediening
G018517
Bedieningsknoppen elektrisch bedienbare zijrui-
ten.
Handmatige bediening
Automatische bediening
Vanaf het bedieningspaneel op het bestuur-
dersportier kunt u alle ruiten tegelijk bedienen.
Vanaf het bedieningspaneel op een van de
overige portieren kunt u alleen de zijruit in dat
portier bedienen. De zijruiten zijn alleen te
bedienen vanaf één bedieningspaneel tegelijk.
Om de elektrisch bedienbare ruiten te kunnen
gebruiken moet de transpondersleutel in stand
I of II staan. Ook als u na het afzetten van de
motor de transpondersleutel hebt verwijderd,
hebt u nog enkele minuten lang de tijd om de
ruiten te bedienen. Na het openen van een por-
tier is dat echter niet meer mogelijk.
De ruiten komen tot stilstand en worden
geopend, als ze tijdens het sluiten in hun bewe-
ging worden gehinderd. Wanneer de zijruiten
door ijsvorming bijvoorbeeld tweemaal achter-
een niet konden worden gesloten, is het moge-
lijk de beveiliging tegen overbelasting tijdelijk
op te heffen. U doet dat door de bedienings-
knop voor de bewuste zijruit omhoog te trek-
ken en in deze stand vast te houden, totdat de
zijruit dicht is. De beveiliging tegen overbelas-
ting wordt enige tijd later opnieuw geactiveerd.
N.B.
U kunt de rijwindgeluiden tijdens ritten met
geopende achterportierruiten beperken
door ook de voorportierruiten een stukje te
openen.
Handmatige bediening
Trek voorzichtig een van de bedieningsknop-
pen omhoog of duw er een omlaag. De elek-
trisch bedienbare zijruiten komen steeds ver-
der omhoog of omlaag zolang u de bedienings-
knop bedient.
Automatische bediening
Trek een van de bedieningsknoppen omhoog
of duw er een omlaag en laat deze vervolgens
los. De bijbehorende zijruit gaat automatisch
volledig open of dicht.
Afstandbediening en knoppen centrale
vergrendeling
Met de transpondersleutel of de knoppen voor
de centrale vergrendeling kunt u alle zijruiten
automatisch openen en sluiten:
±Houd de vergrendelingsknop ingedrukt
totdat de zijruiten worden geopend of
gesloten. Druk nogmaals op de vergren-
delingsknop om het openen/sluiten te
onderbreken.
Resetten
Als de accu losgekoppeld is geweest, werkt de
automatische openingsfunctie pas weer naar
behoren wanneer u deze hebt gereset.
1. Trek de knop aan de voorkant omhoog om
de ruit helemaal te sluiten en houd de knop
een seconde in deze stand vast.
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
03
``
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 97
2. Laat de knop korte tijd los.
3. Trek de voorkant van de knop opnieuw een
seconde omhoog.
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting werkt
alleen als de automatische openingsfunctie
voor zijruiten gereset is.
Buitenspiegels
G018518
Bedieningsknoppen buitenspiegels.
Instellen
1. Druk op knop L voor de buitenspiegel links
of op R voor de buitenspiegel rechts. Het
lampje in de knop brandt.
2. U kunt de stand afstellen met het hendeltje
in het midden.
3. Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
mag niet langer branden.
WAARSCHUWING
De spiegels zijn groothoekig voor optimaal
zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken
dan ze in werkelijkheid zijn.
Elektrisch inklapbare buitenspiegels*
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het par-
keren en als u op smalle wegen rijdt.
1. Druk tegelijkertijd op de knoppen L en R.
2. Laat ze na ca. 1 seconde los. De spiegels
stoppen automatisch, als ze volledig zijn
ingeklapt.
Klap de spiegels weer uit door tegelijkertijd op
de knoppen L en R te drukken. De spiegels
stoppen automatisch, als ze volledig zijn uit-
geklapt.
Stand vastleggen*
De stand van de buitenspiegels en de bestuur-
dersstoel worden vastgelegd, wanneer u de
auto met de transpondersleutel vergrendelt.
Een volgende keer dat de auto met dezelfde
transpondersleutel wordt ontgrendeld en het
bestuurdersportier wordt geopend, nemen de
buitenspiegels en de bestuurdersstoel de vast-
gelegde standen in.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Autosleutelgeheugen Pos. stoelen en
spiegels. Voor een beschrijving van het menu-
systeem, zie pagina 126.
Buitenspiegel kantelen bij parkeren1
De buitenspiegels kunnen omlaaggekanteld
worden, zodat de bestuurder bijvoorbeeld tij-
dens het parkeren de kant van de weg te kan
zien.
±Schakel de achteruitversnelling in en druk
op de knop L of R.
Bij het inschakelen van een andere versnelling
nemen de gekantelde buitenspiegels na ca.
10 seconden de oorspronkelijke stand weer in.
Dat gebeurt eerder als u de knop L of R drukt.
1Alleen in combinatie met een elektrisch bedienbare stoel met geheugen, zie pagina 78.
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
03
98
Automatische inklapfunctie bij
vergrendelen
Wanneer u de auto vanaf de transpondersleu-
tel vergrendelt/ontgrendelt worden de buiten-
spiegels automatisch in- of uitgeklapt.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Instellingen van de auto Instellingen
zijspiegels Spiegels in bij vegrend.. Voor
een beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 126.
In neutrale stand terugzetten
Spiegels die uit positie zijn geraakt door invloe-
den van buitenaf, moeten eerst elektrisch in de
neutrale stand worden teruggezet zodat het
elektrisch in- en uitklappen weer correct werkt.
1. Klap de spiegels in met de knoppen L
en R.
2. Klap de spiegels weer uit met de knoppen
L en R.
3. Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
De spiegels staan daarmee weer in de neutrale
stand.
“Approach”-verlichting en “Follow Me
Home”-verlichting
De lampjes op de buitenspiegels gaan bran-
den, als u de “Approach”-verlichting of de “Fol-
low Me Home”-verlichting selecteert, zie
pagina 87.
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Gebruik de elektrische verwarming om de ach-
terruit en de buitenspiegels te ontwasemen en
te ontdooien.
Met één druk op de knop schakelt u de gelijk-
tijdige verwarming van de achterruit en de bui-
tenspiegels in. Het brandende lampje in de
knop geeft aan dat de functie actief is. De ver-
warming wordt afhankelijk van de buitentem-
peratuur na een bepaalde tijd automatisch uit-
geschakeld.
De achterruit wordt automatisch ontwasemd/
ontdooid als u de auto start bij een buitentem-
peratuur lager dan +9°C.
U kunt voor automatische ontwaseming kiezen
onder Klimaatinstellingen Aut. defroster
achterr.. Kies vervolgens uit Aan of Uit. Voor
een beschrijving van het menusysteem, zie
pagina 126.
Achteruitkijkspiegel
G021342
Hendeltje voor dimfunctie
Handmatige dimfunctie
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u ver-
blinden. Zet de spiegel met het hendeltje in de
dimstand, wanneer u de verlichting van het
03 Bestuurdersmilieu
Ruiten en spiegels
03
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 99
achteropkomende verkeer als hinderlijk
ervaart:
1. Activeer de dimfunctie door het hendeltje
naar u toe te halen.
2. Deactiveer de dimfunctie door het hendel-
tje naar de voorruit toe te duwen.
Autodimfunctie*
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt
te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automa-
tisch gedimd. Het hendeltje is niet aanwezig op
spiegels met autodimfunctie.
Een kompas* is alleen een optie voor een ach-
teruitkijkspiegel met autodimfunctie, zie
pagina 100.
03 Bestuurdersmilieu
Kompas*
03
100 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bediening
G029737
Achteruitkijkspiegel met kompas.
Aan de onderkant van de achteruitkijkspiegel
(in het midden) zit een display waarop wordt
aangegeven in welke richting de voorkant van
de auto wijst. Er worden acht verschillende
richtingen met Engelse afkortingen weergege-
ven: N (noord), NE (noordoost), E (oost), SE
(zuidoost), S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en
NW (noordwest).
Het kompas wordt automatisch geactiveerd
wanneer u de motor start of wanneer sleutel-
stand II actief is, zie pagina 75. Om het kompas
handmatig in of uit te schakelen kunt u een
paperclip of iets dergelijks nemen en het
knopje aan de achterzijde van de achteruitkijk-
spiegel indrukken.
Kalibreren
Het kompas moet soms voor de nauwkeurig-
heid worden gekalibreerd. Als kalibratie nodig
is, verschijnt C op het display van de spiegel.
1. Breng de auto tot stilstand op een groot en
open terrein waar geen stalen constructies
of hoogspanningsdraden zijn.
2. Start de motor.
N.B.
Voor optimale kalibratie dient u alle elektri-
sche apparatuur (klimaatregeling, ontwase-
ming e.d.) uit te schakelen en de portieren
dicht te houden.
3. Houd het knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel ingedrukt (met bijvoor-
beeld een paperclip), totdat de melding C
opnieuw verschijnt (ca. 6 seconden lang).
4. Rijd op de normale manier weg. C ver-
dwijnt van het display, wanneer de kalibra-
tie is afgerond.
Alternatieve kalibratiemethode: Rijd lang-
zaam een rondje in de auto met een snel-
heid van hoogstens 8 km/h, totdat de mel-
ding C van het display verdwijnt om aan te
geven dat de kalibratie afgerond is.
Zone kiezen
G030295
Magnetische zones.
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld.
Het kompas werkt alleen naar behoren als de
juiste zone geselecteerd is.
1. De transpondersleutel moet daarbij in
stand II staan, zie pagina 75.
2. Houd het knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel ten minste 3 seconden
lang (met een paperclip of iets dergelijks)
ingedrukt. Het nummer van de actuele
geografische zone verschijnt.
3. Druk herhaaldelijk op het knopje totdat het
nummer van de gewenste geografische
zone (1–15) verschijnt.
4. Enkele seconden later geeft het display de
kompasrichting weer aan.
03 Bestuurdersmilieu
Elektrisch bedienbaar schuifdak*
03
``
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 101
Algemene informatie
De bedieningsknoppen voor het schuifdak zit-
ten aan het plafond. Het schuifdak is aan de
achterkant open te kantelen of horizontaal
open te schuiven. Het schuifdak is alleen te
openen in sleutelstand I of II.
Horizontaal openschuiven
G017823
Horizontaal openschuiven, achteruit/vooruit.
Openen, automatisch
Openen, handmatig
Sluiten, handmatig
Sluiten, automatisch
Openen
Trek de bedieningsknop naar achteren in de
stand voor automatisch openen en laat de
knop vervolgens los om het schuifdak zo ver
mogelijk open te schuiven.
U kunt het schuifdak handmatig openen door
de bedieningsknop achteruit naar het weer-
standspunt voor handmatig openen te trekken.
Het schuifdak schuift steeds verder open
zolang u de knop in deze stand vasthoudt.
Sluiten
U kunt het schuifdak handmatig sluiten door de
bedieningsknop vooruit naar het weerstands-
punt voor handmatig sluiten te duwen. Het
schuifdak schuift steeds verder dicht zolang u
de knop in deze stand vasthoudt.
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar bij het sluiten van het
schuifdak. De beveiliging tegen overbelas-
ting van het schuifdak werkt alleen bij auto-
matisch sluiten, niet bij handmatig sluiten.
Het schuifdak gaat automatisch dicht, wan-
neer u de knop in de stand voor automatisch
sluiten duwt en vervolgens loslaat.
Wanneer u de transpondersleutel uit het con-
tactslot neemt, wordt de spanning van het
schuifdak verbroken.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
Let er bij het verlaten van de auto op dat u
de stroomtoevoer naar het schuifdak ver-
breekt door de transpondersleutel uit te
nemen.
Verticaal openkantelen
G028900
Verticaal openkantelen, achterkant omhoogkante-
len.
Kantel het schuifdak open door de achter-
kant van de knop omhoog te duwen.
Kantel het schuifdak dicht door de achter-
kant van de knop omlaag te trekken.
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten
03
``
103
Benzine- en dieselmotoren
G021126
Contactslot met naar binnen getrokken transpon-
dersleutel en START/STOP ENGINE-knop.
BELANGRIJK
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken – pak de sleutel beet aan het uit-
einde met het afneembare sleutelblad. zie
pagina 46.
1. Steek de transpondersleutel in het con-
tactslot – druk lichtjes op de sleutel totdat
deze verder naar binnen wordt getrokken.
2. Houd het koppelingspedaal volledig inge-
drukt1. (Bij auto’s met automatische ver-
snellingsbak – bedien het rempedaal.)
3. Druk op de knop START/STOP ENGINE
en laat deze vervolgens los.
N.B.
Bij auto’s met een dieselmotor van het type
2.0D slaat de motor mogelijk met enige ver-
traging aan, wanneer de melding
Voorgloeifunctie motor actief op het dis-
play staat.
De startmotor blijft maximaal
10 seconden draaien (60 seconden bij diesel-
modellen), totdat de motor is aangeslagen.
Als de motor niet binnen 10 seconden aan-
slaat, kunt u een nieuwe startpoging doen door
de knop START/STOP ENGINE ingedrukt te
houden totdat de motor wel aanslaat.
WAARSCHUWING
Neem bij het verlaten van de auto altijd de
transpondersleutel uit het contactslot – met
name wanneer er kinderen in de auto ach-
terblijven.
WAARSCHUWING
Neem de transpondersleutel nooit tijdens
het rijden of het slepen uit het contactslot.
U loopt anders het gevaar dat het stuurslot
wordt geactiveerd, waardoor de auto onbe-
stuurbaar wordt.
Neem de transpondersleutel bij een auto
met Keyless drive*-functie nooit tijdens het
rijden of slepen uit het contactslot.
N.B.
Tijdens de koude start is het mogelijk dat het
motortoerental merkbaar hoger ligt dan nor-
maal is voor bepaalde motortypes. Dit
omdat ernaar wordt gestreefd het uitlaat-
gasreinigingssysteem zo snel mogelijk op
bedrijfstemperatuur te brengen en tegelij-
kertijd de uitstoot te beperken van stoffen
die schadelijk zijn voor het milieu.
Keyless drive
Loop de punten 2–3 door voor benzinemoto-
ren. Voor meer informatie over Keyless drive,
zie pagina 51.
1Als de auto rolt is het indrukken van de knop START/STOP ENGINE voldoende om de motor te starten.
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten
03
104
N.B.
De motor kan alleen worden gestart, als een
van de transpondersleutels met Keyless
drive*-functie in de passagiersruimte of in
de bagageruimte is.
Motor afzetten
Om de motor af te zetten – druk op START/
STOP ENGINE.
Als de auto een automatische versnellingsbak
heeft en de keuzehendel niet in stand P staat
of als de auto rijdt – druk tweemaal op de knop
of houdt de knop ingedrukt totdat de motor
afslaat.
Stuurslot2
Het stuurslot wordt opgeheven wanneer u de
transpondersleutel in het contactslot steekt en
opnieuw ingeschakeld wanneer u de sleutel
verwijdert.
Wanneer u bij het verlaten van de auto het
stuurslot inschakelt, beperkt u het gevaar voor
diefstal van de auto.
Sleutelstanden
Voor informatie over de verschillende standen
van de transpondersleutel, zie pagina 75
2Bij auto’s met Keyless drive* wordt de eerste keer dat u op de knop START/STOP ENGINE drukt, het stuurslot gedeactiveerd. Het stuurslot wordt opnieuw geactiveerd, wanneer het
bestuurdersportier wordt geopend nadat de motor is afgezet.
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten, FlexiFuel
03
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 105
Algemene informatie over het starten
van een FlexiFuel-motor
De motor wordt op dezelfde manier gestart als
een benzinemotor.
Bij startproblemen
Wanneer de motor niet bij de eerste startpo-
ging aanslaat:
•Doe nog enkele startpogingen met behulp
van de knop START/STOP ENGINE.
Als de motor dan nog niet aanslaat
Is de buitentemperatuur lager dan +5°C:
1. Sluit de elektrische motorverwarming min-
stens 1 uur lang aan.
2. Doe nog enkele startpogingen met behulp
van de knop START/STOP ENGINE.
BELANGRIJK
Als de motor ondanks herhaalde startpo-
gingen niet aanslaat, wordt geadviseerd
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Motorverwarming*
Aansluiting voor motorverwarming.
Als de te verwachten temperatuur lager is dan
–10°C, wordt u geadviseerd de motorverwar-
ming ca. 2 uur in te schakelen om de motor
sneller te kunnen starten wanneer er bio-etha-
nol (E 85) in de tank zit.
Hoe lager de temperatuur hoe langer de motor-
verwarming moet werken. Bij –20°C dient u de
verwarming ca. 3 uur in te schakelen.
Auto’s bestemd voor bio-ethanol (E 85) zijn uit-
gerust met een elektrische motorverwarming*.
Een voorverwarmde motor slaat sneller aan en
loopt beter, wat een aanzienlijke beperking van
de emissies en het brandstofverbruik inhoudt.
Maak daarom tijdens de wintermaanden
zoveel mogelijk gebruik van de motorverwar-
ming.
WAARSCHUWING
De motorverwarming werkt op een hoge
spanning. Laat controle- en reparatiewerk-
zaamheden aan een elektrische motorver-
warming en de elektrische aansluitingen
ervan uitvoeren door een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-
werkplaats.
N.B.
Opmerking voor wie een jerrycan met
brandstof wil meenemen:
Wanneer u de brandstoftank hebt leegge-
reden en bio-ethanol (E 85) bijvult uit een
jerrycan is het bij strenge vorst niet uitge-
sloten dat de motor startproblemen ver-
toont. U kunt dergelijke problemen voorko-
men door de jerrycan gevuld te houden met
benzine (95 RON).
Voor meer informatie over de FlexiFuel-brand-
stof bio-ethanol (E 85), zie pagina 220 en
302.
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten, FlexiFuel
03
106
Brandstofadaptatie
Wanneer u de brandstoftank hebt volgegoten
met benzine nadat u op bio-ethanol (E 85) hebt
gereden (om omgekeerd), kan de motor enige
tijd ietwat onregelmatig lopen. Het is daarom
belangrijk dat de motor de gelegenheid krijgt
tot aanpassing (adaptatie) aan het nieuwe
brandstofmengsel.
Een dergelijke adaptatie gaat automatisch van
start, wanneer u korte tijd op gelijkmatige snel-
heid in de auto rijdt.
BELANGRIJK
Na wijzigingen in het brandstofmengsel in
de tank dient een adaptatie plaats te vinden.
Dit gebeurt wanneer u ca. 15 minuten lang
op gelijkmatige snelheid rijdt.
Als de startaccu ontladen of losgekoppeld is
geweest, moet er voor een correcte adaptatie
iets langer worden gereden aangezien het
geheugen van de elektronica werd gewist.
03 Bestuurdersmilieu
Motor starten, hulpaccu
03
107
Starten met hulpaccu
Als de startaccu uitgeput is, kunt u de auto
starten met stroom van een hulpaccu.
Bij gebruik van een hulpaccu wordt u het vol-
gende geadviseerd om explosiegevaar te voor-
komen:
1. Zet de transpondersleutel in sleutelstand
0, zie pagina 75.
2. Zorg dat de hulpaccu een spanning van
12 V levert.
3. Als de hulpaccu zich in een andere auto
bevindt, moet u de motor van die auto
afzetten en ervoor zorgen dat de auto’s
elkaar niet raken.
4. Sluit de ene klem van de rode startkabel
aan op de pluspool van de hulpaccu .
5. Haal de clips op de voorste dekplaat van
de uitgeputte accu los en verwijder de dek-
plaat (zie pagina 258).
6. Sluit de andere klem van de rode startkabel
aan op de pluspool van de uitgeputte
accu.
7. Sluit de ene klem van de zwarte startkabel
aan op de minpool van de hulpaccu.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het aansluiten van de
startkabels om kortsluiting met andere
onderdelen in de motorruimte te voorko-
men.
8. Sluit de andere klem van de zwarte kabel
aan op het massapunt (rechter motorsteun
bovenaan, buitenste boutkop) . Contro-
leer of de aansluitklemmen van de startka-
bels goed vastzitten om te voorkomen dat
er tijdens de startpoging vonken ontstaan.
9. Start de motor van de “hulpauto”. Laat de
motor enkele minuten draaien op een toe-
rental dat iets hoger ligt dan normaal,
1500 omw/min.
10. Start de motor van de auto met de lege
accu. Raak de aansluitingen niet aan tij-
dens de startpoging. Er bestaat namelijk
gevaar voor vonkvorming.
11. Verwijder de startkabels. Verwijder eerst
de zwarte kabel en daarna de rode.
Zorg dat geen van de klemmen aan de
zwarte startkabel contact kan maken met
de pluspool van de accu of met de aange-
sloten klemmen van de rode startkabel.
WAARSCHUWING
Accu’s kunnen het zeer explosieve knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de start-
kabels, is voldoende om de accu tot ont-
ploffing te brengen. Accu’s bevatten tevens
zwavelzuur dat ernstige chemische brand-
wonden kan veroorzaken. Als u accuzuur in
uw ogen krijgt of op uw huid of kleren morst,
moet u onmiddellijk met grote hoeveelhe-
den water spoelen. Neem onmiddellijk con-
tact op met een arts, als u accuzuur in uw
ogen krijgt.
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
03
108
Handbak, vijfversnellingsbak
G021348
•Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in.
•Haal uw voet na het schakelen weer van
het koppelingspedaal af!
•Houd u aan het aangegeven schakelpa-
troon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zoveel mogelijk gebruik maken
van hoge versnellingen.
Blokkering achteruitversnelling,
vijfversnellingsbak
G021349
De blokkering van de achteruitversnelling
beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden
op normale snelheid onbedoeld de achteruit-
versnelling inschakelt.
Schakel de achteruitversnelling alleen in, wan-
neer de auto stilstaat.
•Om de achteruitversnelling in te schakelen
moet u de versnellingspook eerst in de
neutrale stand N zetten. Door de blokke-
ring van de achteruitversnelling kunt u de
versnellingspook niet rechtstreeks vanuit
de vijfde versnelling in de achteruitversnel-
ling zetten.
Handbak, zesversnellingsbak
G021348
•Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in.
•Haal uw voet na het schakelen weer van
het koppelingspedaal af!
•Houd u aan het aangegeven schakelpa-
troon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zoveel mogelijk gebruik maken
van hoge versnellingen.
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
03
``
109
Blokkering achteruitversnelling,
zesversnellingsbak
G021349
De blokkering van de achteruitversnelling
beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden
op normale snelheid onbedoeld de achteruit-
versnelling inschakelt.
Schakel de achteruitversnelling alleen in, wan-
neer de auto stilstaat.
Automatische versnellingsbak
Geartronic
G021350
Het informatiedisplay geeft de stand van de
keuzehendel aan met behulp van de volgende
tekens: P,R,N,D,S,1,2,3,4,5 of 6, zie
pagina 69.
Schakelstanden
Parkeerstand (P)
Selecteer stand P, wanneer u de motor start of
de auto parkeert. U moet het rempedaal bedie-
nen om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen.
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Activeer de elektrische parkeer-
rem met een druk op de knop, zie
pagina 118.
BELANGRIJK
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel
in stand P zet.
Achteruitrijstand (R)
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in
stand R zet.
Neutrale stand (N)
In deze stand kunt u de motor starten en er is
geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeer-
rem aan, wanneer de auto stilstaat en de keu-
zehendel in stand N staat.
Rijstand (D)
Stand D is de normale rijstand. De versnel-
lingsbak schakelt automatisch op en terug
afhankelijk van de stand van het gaspedaal en
de snelheid. Zorg ervoor dat de auto stilstaat,
voordat u de keuzehendel vanuit stand D in
stand R zet.
Geartronic, handmatig schakelen (M)
Met de automatische versnellingsbak Geartro-
nic kunt u ook handmatig schakelen. Bij het
loslaten van het gaspedaal wordt de auto op
de motor afgeremd.
Handmatig schakelen is te activeren door de
hendel vanuit stand D helemaal naar rechts in
stand M te zetten. Op het informatiedisplay
verandert het teken D in een van de cijfers “1–
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
03
110
6” afhankelijk van de ingeschakelde versnel-
ling, zie pagina 69.
Duw de hendel naar voren naar de + (plus) om
een hogere versnelling in te schakelen en laat
de hendel weer los. De hendel veert terug naar
de neutrale stand M.
Trek de hendel naar achteren naar de – (min)
om een lagere versnelling in te schakelen en
laat de hendel weer los.
Handmatig schakelen M kan op elk moment
tijdens het rijden geactiveerd worden.
Om schokken en afslaan van de motor te voor-
komen, schakelt Geartronic automatisch terug
als de bestuurder langzamer gaat rijden dan
wat voor de gekozen versnelling gepast is.
Om de automatische rijstand te hervatten dient
u de hendel helemaal naar links in stand D te
zetten.
N.B.
Als de versnellingsbak een sportstand kent,
is handmatig schakelen pas te activeren
wanneer u de keuzehendel vooruit of achter
in stand M hebt gezet. Op het informatie-
display verandert de S dan in een van de
tekens 1–6 om aan te geven welke versnel-
ling er ingeschakeld is.
Geartronic, Sportstand (S)1
De sportstand levert een sportiever rijgedrag
op en maakt het mogelijk om hogere toeren te
maken in de versnellingen. De motor reageert
bovendien sneller op de commando’s die u
met het gaspedaal geeft. Bij inschakeling van
de sportstand wordt tevens de voorkeur gege-
ven aan de lagere versnellingen, zodat er met
enige vertraging wordt opgeschakeld.
U schakelt de sportstand in door de hendel
vanuit stand D in stand M te duwen. Op het
informatiedisplay verandert het teken D in een
S.
De sportstand kan op elk moment tijdens het
rijden ingeschakeld worden.
Geartronic, winterstand
Om bij gladheid gemakkelijker weg te kunnen
komen is het soms beter handmatig de 3e ver-
snelling in te schakelen.
1. Bedien het rempedaal en haal de keuze-
hendel vanuit stand D naar stand M – het
symbool D op het display van het instru-
mentenpaneel verandert in een 1.
2. Schakel op naar de 3e versnelling door de
hendel twee keer naar voren naar de +
(plus) te duwen – op het display verandert
de 1 in een 3.
3. Laat het rempedaal los en geef voorzichtig
gas.
Bij activering van de “winterstand” van de ver-
snellingsbak rijdt de auto met een lager motor-
toerental en minder kracht op de aandrijfwielen
weg.
Kickdown
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij
de normale volgasstand), schakelt de versnel-
lingsbak automatisch terug naar een lagere
versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdown-
stand loslaat, schakelt de versnellingsbak
automatisch op.
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Beveiligingsfunctie
Om overtoeren van de motor te voorkomen, is
het stuurprogramma van de versnellingsbak
voorzien van een terugschakelblokkering
waardoor de zogeheten kickdown niet moge-
lijk is.
Geartronic staat geen terugschakeling/kick-
down toe die tot een dusdanig hoog toerental
leidt dat de motor kan worden beschadigd.
Wanneer u bij hoge motortoeren toch probeert
een dergelijke kickdown uit te voeren, gebeurt
1Alleen op T6-model.
03 Bestuurdersmilieu
Versnellingsbakken
03
112
Displaymelding en maatregel
In bepaalde situaties kan er een bepaalde mel-
ding op het display verschijnen in combinatie
met een brandend lampje.
Symbool Display Rijeigenschappen Maatregel
Oververh versnb zet auto stil Problemen om snelheid constant te hou-
den bij hetzelfde toerental.
Versnellingsbak oververhit. Houd de auto
stil met het rempedaal.A
Oververh versnb Stop auto z.s.m. Auto rijdt met hevige schokkerige bewe-
gingen vooruit.
Versnellingsbak oververhit. Parkeer de
auto zo spoedig mogelijk.A
Koeling versn.b. laat motor lopen Geen aandrijving wegens oververhitting
van de versnellingsbak.
Versnellingsbak oververhit. Voor optimale
koeling: Laat de motor stationair lopen met
de keuzehendel in stand N of stand P, tot-
dat de melding verdwijnt.
AVoor optimale koeling: Laat de motor stationair lopen met de keuzehendel in stand N of stand P, totdat de melding verdwijnt.
De tabel schetst drie gevallen van oververhit-
ting van de versnellingsbak met verschillende
ernstigheidsgraad. De elektronica waarschuwt
de bestuurder niet alleen met een displaymel-
ding maar ook middels tijdelijke veranderingen
in het rijgedrag. Volg in het voorkomende geval
de aanwijzingen op het informatiedisplay.
N.B.
De voorbeelden in de tabel duiden niet op
defecten in de auto, maar geven aan dat een
beveiligingsfunctie geactiveerd werd om
schade aan autocomponenten te voorko-
men.
Voor andere displaymeldingen en de voorge-
stelde maatregelen bij auto’s met een automa-
tische versnellingsbak, zie pagina 129.
Na uitvoering van de maatregel verdwijnt de
displaymelding automatisch. U kunt de mel-
ding ook eerder doen verdwijnen met een druk
op de knop READ van de richtingaanwijzer-
hendel.
03 Bestuurdersmilieu
Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel Drive)*
03
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 113
De vierwielaandrijving is altijd
ingeschakeld
Bij vierwielaandrijving worden alle vier de wie-
len van de auto tegelijk aangedreven.
Het motorkoppel wordt automatisch over de
voor- en achterwielen verdeeld. Een elektro-
nisch gestuurd koppelingssysteem verdeelt
het vermogen over het wielpaar dat op dat
moment de beste grip op het wegdek heeft. Dit
om optimale wegligging te verkrijgen en wiel-
spin te voorkomen. Bij normaal rijden worden
de voorwielen naar verhouding iets sterker
aangedreven dan de achterwielen.
De vierwielaandrijving verhoogt de rijveiligheid
tijdens regen- en sneeuwval en bij ijzel.
03 Bestuurdersmilieu
Bedrijfsrem
03
115
WAARSCHUWING
Als en tegelijkertijd branden,
kan er een storing in het remsysteem zijn
opgetreden.
Als het remvloeistofpeil in dat geval in orde
is, moet u de auto voorzichtig naar de
dichtstbijzijnde werkplaats rijden om het
remsysteem te laten controleren – geadvi-
seerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het rem-
vloeistofverlies.
03 Bestuurdersmilieu
Afdalingsregeling, HDC (Hill Descent Control)
03
116
Algemene informatie1
HDC is te vergelijken met een automatische
motorrem. Wanneer u op een aflopende helling
het gaspedaal loslaat, wordt de auto normaal
gesproken op de motor afgeremd doordat
deze in dat geval een laag stationair toerental
nastreeft. Naarmate de helling steiler en de
auto zwaarder beladen is, rolt de auto ondanks
de motorrem sneller omlaag. Om in dergelijke
gevallen snelheid te minderen dient u bij te
remmen met het rempedaal.
Met het HDC-systeem is het mogelijk om op
steile aflopende hellingen de snelheid te ver-
hogen/verlagen met het gaspedaal, zonder het
rempedaal te gebruiken. De gevoeligheid van
het gaspedaal neemt af, doordat het motor-
toerental tot aan de maximale pedaalweg
alleen binnen een beperkt toerentalgebied te
regelen valt. Het remsysteem grijpt in en zorgt
voor een lage en gelijkmatige snelheid, zodat u
zich volledig kunt richten op de besturing.
HDC is met name handig op steile aflopende
hellingen met een oneffen oppervlak en op
gladde weggedeelten. Denk bijvoorbeeld aan
een boot op een trailer die u vanaf een boot-
helling achteruit te water laat.
WAARSCHUWING
HDC heeft niet in alle situaties het beoogde
effect en is uitsluitend bedoeld als hulpmid-
del.
U als bestuurder bent er altijd verantwoor-
delijk voor dat de auto op een veilige manier
wordt bestuurd.
Functie
HDC is met een schakelaar op de middencon-
sole naar wens in en uit te schakelen. Het
lampje in de schakelaar brandt wanneer de
functie ingeschakeld is. Wanneer HDC actief is,
brandt het symbool en op het display
staat de melding Afdalingsrem- regeling
AAN.
Het systeem werkt alleen in de eerste versnel-
ling en in de achteruitversnelling. Bij een auto-
matische versnellingsbak geldt dat de 1e ver-
snelling moet zijn ingeschakeld, wat wordt
aangegeven met het cijfer 1 op het boordcom-
puterdisplay, zie pagina 109.
N.B.
HDC valt niet te activeren wanneer de keu-
zehendel van een automaat in stand D staat.
Bediening
Bij een geactiveerd HDC-systeem kan de auto
bij het afremmen op de motor maximaal
10 km/h voorruit rijden en 7 km/h achteruit. Met
het gaspedaal kunt u echter een willekeurige
andere snelheid binnen het snelheidsinterval
kiezen dat bij de ingeschakelde versnelling
hoort. Zodra u het gaspedaal loslaat wordt de
rijsnelheid snel verlaagd tot 10 of 7 km/h, onge-
acht de hellingshoek en zonder dat u daarvoor
het rempedaal hoeft te bedienen.
Bij activering van het systeem gaan automa-
tisch de remlichten branden. Met het rempe-
1HDC is alleen aanwezig op de XC70.
03 Bestuurdersmilieu
Afdalingsregeling, HDC (Hill Descent Control)
03
117
daal kunt u de auto altijd remmen of helemaal
tot stilstand brengen.
HDC wordt gedeactiveerd:
•bij het indrukken van de aan/uit-knop op
de middenconsole;
•bij het inschakelen van een hogere ver-
snelling dan de 1e bij een handgescha-
kelde versnellingsbak;
•bij het inschakelen van een hogere ver-
snelling dan de 1e bij een automatische
versnellingsbak of bij het inschakelen van
stand D.
Het systeem is op ieder moment uit te scha-
kelen. Als u dit op een steile aflopende helling
doet, zal het remvermogen niet meteen maar
geleidelijk worden verlaagd.
N.B.
Bij een geactiveerd HDC-systeem is het
mogelijk dat de motor met enige vertraging
op het gaspedaal reageert.
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
03
118
Elektrische parkeerrem
De elektrische parkeerrem heeft dezelfde toe-
passingsgebieden als het parkeerrempedaal
zoals bij het wegrijden op een helling.
Functie
Wanneer de parkeerrem wordt geactiveerd,
hoort u een zwak elektromotorgeluid. Het
geluid is tevens waarneembaar bij een auto-
matische functiecontrole van de parkeerrem.
Als de auto stilstaat wanneer u de parkeerrem
aanzet, werkt de rem alleen op de achterwie-
len. Als u de parkeerrem tijdens het rijden aan-
zet, wordt de normale bedrijfsrem geactiveerd.
Daarbij werkt de rem op alle vier de wielen.
Wanneer de auto bijna stilstaat, worden alleen
de achterwielen geremd.
Lage accuspanning
Als de accuspanning te laag is, kunt u de par-
keerrem niet aanzetten noch lossen. Sluit een
hulpaccu aan, als de accuspanning te laag is,
zie pagina 107.
Parkeerrem aanzetten
G021354
Handgreep parkeerrem.
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Druk op de handgreep.
3. Laat het rempedaal los en controleer of de
auto volledig stilstaat.
•Zet de versnellingspook bij het parkeren
altijd in de 1e versnelling (handbak) en de
keuzehendel in stand P (automaat).
Het symbool op het instrumentenpaneel
knippert, totdat de parkeerrem volledig is aan-
gezet. Wanneer het symbool continu brandt, is
de parkeerrem aangezet.
In noodgevallen kunt u de parkeerrem ook tij-
dens het rijden aanzetten door de handgreep
ingedrukt te houden. Wanneer u de handgreep
loslaat of het gaspedaal bedient, wordt de par-
keerrem gelost.
N.B.
Tijdens een noodstop bij snelheden hoger
dan 10 km/h klinkt er gedurende de hele
remmanoeuvre een geluidssignaal.
Op een helling parkeren
Draai bij het parkeren op een oplopende helling
de wielen van de trottoirband af, als de neus
van de auto naar de top van helling wijst.
Draai bij het parkeren op een aflopende helling
de wielen naar de trottoirband toe, als de neus
van de auto naar de voet van de helling wijst.
Parkeerrem lossen
G021359
Handgreep parkeerrem.
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
03
``
119
Auto met handgeschakelde
versnellingsbak
Handmatig lossen
1. Steek de transpondersleutel in het con-
tactslot.
2. Trap het rempedaal stevig in.
3. Trek aan de handgreep.
N.B.
De parkeerrem is ook handmatig te lossen
door het koppelingspedaal te bedienen in
plaats van het rempedaal. Volvo adviseert u
echter het rempedaal te gebruiken.
Automatisch lossen
1. Start de motor.
2. Laat het koppelingspedaal los en geef gas.
BELANGRIJK
Wanneer de motor loopt kan de parkeerrem,
ook met de versnellingspook in de vrijstand,
automatisch worden gelost.
Auto met automatische versnellingsbak
Handmatig lossen
1. Doe de veiligheidsgordel om.
2. Steek de transpondersleutel in het con-
tactslot.
3. Trap het rempedaal stevig in.
4. Trek aan de handgreep.
Automatisch lossen
1. Doe de veiligheidsgordel om.
2. Start de motor.
3. Zet de keuzehendel in stand D of R en geef
gas.
N.B.
Om veiligheidsredenen wordt de parkeer-
rem alleen automatisch gelost wanneer bij
het starten van de motor is gebleken dat de
bestuurder de veiligheidsgordel draagt. Bij
auto’s met een automatische versnellings-
bak wordt de parkeerrem onmiddellijk
gelost bij het bedienen van het gaspedaal
met de keuzehendel in stand D of R.
Zware belading op oplopende hellingen
Bij een zware belading zoals een aanhanger is
het mogelijk dat de auto op een steile, oplo-
pende helling achteruitrolt, wanneer de par-
keerrem automatisch wordt gelost. U kunt dit
voorkomen door bij het wegrijden de hand-
greep ingedrukt te houden. Laat de handgreep
weer los zodra de koppeling aangrijpt.
Auto met Keyless drive-functie
Los de parkeerrem handmatig door op de knop
START/STOP ENGINE te drukken, het rem- of
koppelingspedaal te bedienen en aan de hand-
greep te trekken.
Symbolen
Sym-
bool
Betekenis
Lees de melding op het infor-
matiedisplay
Een knipperend symbool houdt
in dat de parkeerrem wordt aan-
gezet. Als het symbool in een
andere situatie gaat knipperen,
is er sprake van een storing.
Lees de melding op het infor-
matiedisplay.
03 Bestuurdersmilieu
Parkeerrem
03
120
Berichten
G016166
Parkeerrem niet geheel gelost - Door een
storing kan de parkeerrem niet worden gelost.
Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt
een erkende Volvo-werkplaats. Als u bij deze
foutmelding wegrijdt zonder de parkeerrem te
lossen, klinkt er een waarschuwingszoemer.
Parkeerrem niet aangezet - Door een storing
kan de parkeerrem niet worden aangezet. Pro-
beer of u de rem kunt aanzetten en lossen.
Bezoek een werkplaats als de melding niet ver-
dwijnt – geadviseerd wordt een Volvo-werk-
plaats.
Dezelfde melding verschijnt ook op auto’s met
een handbak, wanneer er langzaam wordt
gereden met het portier open. De melding
maakt u erop attent dat de parkeerrem moge-
lijk onbedoeld werd gelost.
Parkeerrem Service vereist - Er is een sto-
ring opgetreden. Bezoek een werkplaats als de
storing aanhoudt – geadviseerd wordt een
Volvo-werkplaats.
Als u de auto moet parkeren voordat de storing
kon worden verholpen, dient u de wielen net als
bij het parkeren op een helling van de trottoir-
band/berm af te draaien en de versnellings-
pook in de 1e versnelling (handbak) te zetten
en de keuzehendel in stand P (automaat).
Remblokken vervangen
Laat de remblokken op de achterwielen ver-
vangen in een werkplaats met het oog op de
constructie van de elektrische parkeerrem –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werk-
plaats.
03 Bestuurdersmilieu
HomeLink*
03
``
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 121
Algemene informatie
HomeLink is een programmeerbare afstands-
bediening waarmee u tot drie verschillende
systemen (bijvoorbeeld elektrische garage-
deur, alarmsysteem, huis- en tuinverlichting)
kunt bedienen en daarmee de originele
afstandsbedieningen vervangt. HomeLink
wordt geleverd in een uitvoering die inge-
bouwd is in de linker zonneklep.
Het HomeLink-paneel bestaat uit drie pro-
grammeerbare knoppen en een controle-
lampje.
N.B.
HomeLink is dusdanig geconstrueerd dat
het niet werkt als de auto van de buitenzijde
vergrendeld is.
Let erop dat u de originele afstandsbedie-
ningen wel goed bewaart voor eventuele
programmering in een later stadium (zoals
bij de aankoop van een nieuwe auto).
Wis de programmering van de knoppen
wanneer u de auto verkoopt.
Gebruik geen zonwering bestaande uit
metaalfolie op auto’s die zijn uitgerust met
HomeLink. Het gebruik ervan kan namelijk
negatieve gevolgen hebben voor de wer-
king van HomeLink.
Bediening
Zodra HomeLink geprogrammeerd is, vormt
het een vervanging voor de afzonderlijke origi-
nele afstandsbedieningen.
Druk de geprogrammeerde knop in voor acti-
vering van de elektrische garagedeur, het
alarmsysteem, etc. Het controlelampje brandt
zolang u de knop ingedrukt houdt.
N.B.
Als het contact niet wordt ingeschakeld,
blijft HomeLink tot 30 minuten na opening
van het bestuurdersportier werken.
Uiteraard kunt u de originele afstandsbedie-
ningen naast HomeLink blijven gebruiken.
WAARSCHUWING
Als u HomeLink gebruikt om een garage-
deur of toegangshek te bedienen, dient u
erop toe te zien dat er niemand in de buurt
van de garagedeur of het toegangshek is
tijdens de bediening.
Maak geen gebruik van de HomeLink-
afstandsbediening voor een elektrische
garagedeur zonder veiligheidsstop en vei-
ligheidsretour. De garagedeur dient onmid-
dellijk te reageren bij registratie van een
obstakel, tot stilstand te komen en meteen
de omgekeerde beweging te maken. Een
garagedeur die dat niet doet kan aanleiding
geven tot lichamelijk letsel. Neem voor meer
informatie contact op met de leverancier via
internet: www.homelink.com.
Eerste keer programmeren
Bij stap 1 wordt het complete geheugen van
HomeLink gewist. Voer dit punt dan ook niet
uit, wanneer u slechts één knop wilt ompro-
grammeren.
1. Druk de buitenste twee knoppen in en laat
deze ca. 20 seconden later los wanneer het
controlelampje gaat knipperen. Het knip-
perende lampje geeft aan dat HomeLink
03 Bestuurdersmilieu
HomeLink*
03
122 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
in de “inleerstand” staat en klaar is voor
programmering.
2. Leg de originele afstandsbediening op
5–30 cm afstand van HomeLink. Houd het
controlelampje in de gaten.
De juiste afstand tussen de originele
afstandsbediening en HomeLink hangt af
van de programmering van het te bedienen
systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogin-
gen op verschillende afstand nodig. Laat
de afstandsbediening bij iedere poging ca.
15 seconden op dezelfde afstand liggen
voordat u een andere afstand probeert.
3. Druk de te programmeren knop van
HomeLink en de te kopiëren knop van de
originele afstandsbediening gelijktijdig in.
Laat de knoppen pas los wanneer het con-
trolelampje dat langzaam knippert sneller
gaat knipperen. Een snel knipperend
lampje geeft aan dat de programmering
gelukt is.
4. Test de programmering door de gepro-
grammeerde knop van HomeLink in te
drukken en op het controlelampje te letten:
•Brandt continu: Het controlelampje
brandt continu terwijl u de knop inge-
drukt houdt, wat aangeeft dat de pro-
grammering afgerond is. De garage-
deur, het toegangshek e.d. moet vervol-
gens geactiveerd worden bij het indruk-
ken van de bijbehorende HomeLink-
knop.
•Brandt niet continu: Het controle-
lampje knippert eerst ca. 2 seconden
lang snel en brandt daarna ca. 3 secon-
den continu. Dit herhaalt zich ca. 20
seconden lang en geeft aan dat het te
kopiëren systeem een zogeheten rol-
lende code gebruikt. De garagedeur,
het toegangshek e.d. worden niet geac-
tiveerd bij het indrukken van de bijbe-
horende HomeLink-knop. Vervolg in
dat geval de programmering als volgt.
5. Zoek de “inleerknop1” van de ontvanger
van bijv. de garagedeur op (meestal in de
buurt van de antennevoet op de ontvan-
ger). Raadpleeg als u de knop niet kunt
vinden, de gebruiksaanwijzing van de leve-
rancier of neem contact op met de leve-
rancier via internet: www.homelink.com.
6. Druk de “inleerknop” in en laat deze los. De
knop knippert ca. 30 seconden en binnen
deze periode moet u het volgende punt uit-
voeren.
7. Druk op de geprogrammeerde knop van
HomeLink terwijl de “inleerknop” van het
te bedienen systeem nog knippert. Houd
de HomeLink-knop ca. 3 seconden lang
ingedrukt en laat deze vervolgens los. Her-
haal deze volgorde van indrukken, vast-
houden en loslaten tot driemaal achtereen
om de programmering te beëindigen.
Afzonderlijke knop programmeren
Doe het volgende om één afzonderlijke knop te
programmeren:
1. Druk op de gewenste knop van
HomeLink en houd deze ingedrukt totdat
punt 3 afgerond is.
2. Plaats wanneer het controlelampje van
HomeLink begint te knipperen (na ca. 20
seconden) de originele afstandsbediening
op 5–30 cm afstand van HomeLink. Houd
het controlelampje in de gaten.
De juiste afstand tussen de originele
afstandsbediening en HomeLink hangt af
van de programmering van het te bedienen
systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogin-
gen op verschillende afstand nodig. Laat
de afstandsbediening bij iedere poging ca.
15 seconden op dezelfde afstand liggen
voordat u een andere afstand probeert.
3. Druk de te kopiëren knop op de originele
afstandsbediening in. Het controlelampje
1De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
03 Bestuurdersmilieu
HomeLink*
03
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 123
begint te knipperen. Laat beide knoppen
weer los, wanneer het lampje dat langzaam
knipperde sneller gaat knipperen. Een snel
knipperend lampje geeft aan dat de pro-
grammering gelukt is.
4. Test de programmering door de gepro-
grammeerde knop van HomeLink in te
drukken en op het controlelampje te letten:
•Brandt continu: Het controlelampje
brandt continu terwijl u de knop inge-
drukt houdt, wat aangeeft dat de pro-
grammering afgerond is. De garage-
deur, het toegangshek e.d. moet vervol-
gens geactiveerd worden bij het indruk-
ken van de bijbehorende HomeLink-
knop.
•Brandt niet continu: Het controle-
lampje knippert eerst ca. 2 seconden
lang snel en brandt daarna ca. 3 secon-
den continu. Dit herhaalt zich ca. 20
seconden lang en geeft aan dat het te
kopiëren systeem een zogeheten rol-
lende code gebruikt. De garagedeur,
het toegangshek e.d. worden niet geac-
tiveerd bij het indrukken van de bijbe-
horende HomeLink-knop. Vervolg in
dat geval de programmering als volgt.
5. Zoek de “inleerknop2” van de ontvanger
van bijv. de garagedeur op (meestal in de
buurt van de antennevoet op de ontvan-
ger). Raadpleeg als u de knop niet kunt
vinden, de gebruiksaanwijzing van de leve-
rancier of neem contact op met de leve-
rancier via internet: www.homelink.com.
6. Druk de “inleerknop” in en laat deze los. De
knop knippert ca. 30 seconden en binnen
deze periode moet u het volgende punt uit-
voeren.
7. Druk op de geprogrammeerde knop van
HomeLink terwijl de “inleerknop” van het
te bedienen systeem nog knippert. Houd
de HomeLink-knop ca. 3 seconden lang
ingedrukt en laat deze vervolgens los. Her-
haal deze volgorde van indrukken, vast-
houden en loslaten tot driemaal achtereen
om de programmering te beëindigen.
Programmering wissen
Het is alleen mogelijk de programmering van
alle HomeLink-knoppen tegelijk te wissen en
niet van één bepaalde knop afzonderlijk.
±Druk de buitenste twee knoppen in en laat
deze ca. 20 seconden later los wanneer het
controlelampje gaat knipperen.
>HomeLink staat vervolgens in de
“Learn Mode” waarna deze opnieuw
geprogrammeerd kan worden, zie
pagina 121.
2De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
G020908
124 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Menu- en meldingsfuncties................................................................... 126
Klimaatregeling..................................................................................... 132
Motor- en interieurverwarming op brandstof*....................................... 140
Extra verwarming op brandstof*........................................................... 143
Audiosysteem....................................................................................... 144
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen* . . 158
Boordcomputer..................................................................................... 163
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC........................................... 165
Rijeigenschappen aanpassen............................................................... 167
Cruisecontrol*....................................................................................... 168
Adaptieve cruisecontrol*....................................................................... 170
Afstandscontrole................................................................................... 177
Collision Warning met Auto Brake*....................................................... 180
Driver Alert System – DAC*................................................................... 186
Driver Alert System – (LDW)*................................................................ 189
Park Assist*........................................................................................... 192
BLIS* – Blind Spot Information System................................................ 195
Interieurcomfort..................................................................................... 200
Bluetooth handsfree*............................................................................ 204
Geïntegreerde telefoon*........................................................................ 209
04
COMFORT EN RIJPLEZIER
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
04
``
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 127
openen, wanneer deze geluidsbron actief is,
zie pagina 145.
De volgende menu-opties maken deel uit van
Hoofdmenu:
Autosleutelgeheugen
Pos. stoelen en spiegels*
Instellingen van de auto
Informatie
Lichtinstellingen
Instellingen vergrendelen
Verlaagde guard1
Bandenspanning*
Instellingen zijspiegels*
Inst. botswaarschuwing*
Instellingen parkeercam.*
Lane departure warning*
Stuurkrachtniveau*
Instellingen unit
Driver Alert ingesch.
Klimaatinstellingen
Autom. blower afstellen
Timer recirculatie
Aut. defroster achterr.
Reset klimaatinst.
Hoofdmenu AM
Audio-instellingen
Geluidspodium
Equalizer voor
Equalizer achter
Autom. volumeregeling
Reset alle audio-instellingen
Hoofdmenu FM
FM-instellingen
Nieuws
TP (verkeersinformatie)
Radiotekst
PTY (programmatype)
Geav. radio-instellingen
Audio-instellingen2
Hoofdmenu DAB*3
Hoofdmenu CD
Random
Uit
Map4
Disc4
Enkele disc5
Alle discs5
Cd-instellingen
Nummer-informatie*
Nieuws
TP (verkeersinformatie)
Audio-instellingen2
Hoofdmenu AUX
AUX-ingangsvolume
Audio-instellingen2
1Aanwezig bij bepaalde modellen.
2Voor submenu’s, zie “Hoofdmenu AM/Audio-instellingen”.
3Zie pagina 154.
4Alleen bij systemen die audiobestanden in de formaten mp3 en wma kunnen afspelen.
5Alleen bij systemen met een cd-wisselaar.
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
04
128 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Hoofdmenu USB
USB-instellingen
Nieuws
TP (verkeersinformatie)
Audio-instellingen2
Nummer-informatie
Hoofdmenu iPod
iPod-instellingen
Nieuws
TP (verkeersinformatie)
Audio-instellingen2
Nummer-informatie
Hoofdmenu Bluetooth
Laatste 10 gemiste opr.
Laatste 10 ink. opr.
Laatste 10 gekozen nummers
Telefoonboek
Zoeken
Kopiëren van mob. tel.
Bluetooth*
Telefoon aansluiten
Telefoon wijzigen
Telefoon verwijderen
Car Bluetooth-info
Telefooninstellingen
Gespreksopties
Geluiden en volume
Telefoonboek synchr.
Hoofdmenu geïntegreerde telefoon
Oproepregister
Laatste 10 gemiste opr.
Laatste 10 ink. opr.
Laatste 10 gekozen nummers
Lijst wissen
Gespreksduur
Telefoonboek
Nieuwe contactpersoon
Zoeken
Alles kopiëren
SIM wissen
Telefoon wissen
Geheugenstatus
Sneltoetsfunctie
Berichten
Lezen
Nieuw bericht schrijven
Berichtinstellingen
Bericht wissen
Gespreksopties
Verzend mijn nummer
Wisselgesprek
Automatisch antwoord
Autom. terugbellen
Voicemail-nummer
Omleidingen
Telefooninstellingen
Netwerkselectie
SIM-beveiliging
PIN-code bewerken
Geluiden en volume
IDIS
Reset Telefooninst.
2Voor submenu’s, zie “Hoofdmenu AM/Audio-instellingen”.
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
04
``
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 129
Instrumentenpaneel
G021364
Informatiedisplay en bedieningstoetsen voor
menufuncties.
READ – meldingenlijst openen en meldin-
gen bevestigen.
Duimwiel – menu-opties doorbladeren.
RESET – geactiveerde functie op nul stel-
len. Wordt in bepaalde gevallen gebruikt
om een functie te selecteren/activeren (zie
de uitleg bij de verschillende functies).
Met de linker stuurhendel bedient u de menu’s
die op de informatiedisplays van het instru-
mentenpaneel verschijnen. Welke menu’s ver-
schijnen hangt af van de sleutelstand, zie
pagina 75. Als er een melding is, moet u deze
eerst bevestigen met de knop READ voordat u
de menu’s kunt bekijken.
Menu-overzicht6
Actieradius
Gemiddeld
Momentaan
Gem. snelheid
Lane departure warning
Bandenspanning Kalibratie*
Actuele snelheid
Timer standkach 1/27
Timer standvent 1/2
Timerstand verw.
Directe start Standverw.
Directe start El standverw
Directe start Standvent.
Extra verwarming auto
Start restverw.
DSTC
Melding
Melding op informatiedisplay.
Wanneer er een waarschuwings-, informatie-
of controlesymbool oplicht, verschijnt er
tevens een aanvullende melding op het infor-
matiedisplay. Foutmeldingen blijven in het
geheugen opgeslagen, totdat u de onderlig-
gende storing hebt laten verhelpen.
Druk op READ om de meldingen door te bla-
deren en te bevestigen.
6Bepaalde menu-opties*.
7Alleen in te stellen wanneer de motor is afgezet.
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
04
130
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding ver-
schijnt bij gebruik van de boordcomputer,
moet u de melding lezen (druk op de knop
READ) voordat u de eerdere activiteit kunt
hervatten.
Melding Betekenis
Stop auto
z.s.m.
Breng de auto tot stil-
stand en zet de motor
af. Grote kans op
schade. Volvo adviseert
dat u contact opneemt
met een erkende Volvo-
werkplaats.
Zet motor af Breng de auto tot stil-
stand en zet de motor
af. Grote kans op
schade. Volvo adviseert
dat u contact opneemt
met een erkende Volvo-
werkplaats.
Service spoed Volvo adviseert u de
auto onmiddellijk te
laten controleren door
een erkende Volvo-
werkplaats.
Melding Betekenis
Service vereist Volvo adviseert u de
auto zo spoedig moge-
lijk te laten controleren
door een erkende
Volvo-werkplaats.
Zie instructieb. Lees het instructie-
boekje.
Bespreek tijd
voor onder-
houd
Het is tijd om een
afspraak te maken voor
een servicebeurt. Volvo
adviseert dat u contact
opneemt met een
erkende Volvo-werk-
plaats.
Melding Betekenis
Tijd voor peri-
odiek onder-
houd
Het is tijd voor een ser-
vicebeurt. Volvo advi-
seert dat u contact
opneemt met een
erkende Volvo-werk-
plaats. Het moment
hangt af van de afge-
legde afstand, het aan-
tal maanden dat sinds
de laatste servicebeurt
is verstreken, het aantal
draaiuren van de motor
en de gebruikte olie-
kwaliteit.
Onderhoud-
ster- mijn ver-
streken
Als u de onderhouds-
termijn niet respecteert,
vallen beschadigde
onderdelen niet langer
onder de garantie.
Volvo adviseert dat u
voor servicewerk con-
tact opneemt met een
erkende Volvo-werk-
plaats.
04 Comfort en rijplezier
Menu- en meldingsfuncties
04
131
Melding Betekenis
Versn.olie Ver-
versen
Volvo adviseert u de
auto zo spoedig moge-
lijk te laten controleren
door een erkende
Volvo-werkplaats.
Versnellings-
bak beperkte
werking
De versnellingsbak
werkt niet op maximale
capaciteit. Rijd voor-
zichtig totdat de mel-
ding verdwijntA.
Doe bij herhaaldelijke
verschijning het vol-
gende: Volvo adviseert
dat u contact opneemt
met een erkende Volvo-
werkplaats.
Versn.bak heet
Rijd langzamer
Rijd voorzichtiger of
breng de auto zo spoe-
dig mogelijk tot stil-
stand. Zet de versnel-
lingsbak in de neutraal
en laat de motor statio-
nair draaien totdat de
melding verdwijntA.
Melding Betekenis
Versn.bak heet
Stop auto
z.s.m.
Kritieke storing. Breng
de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand.
Volvo adviseert dat u
contact opneemt met
een erkende Volvo-
werkplaatsA.
Tijdelijk UIT De bijbehorende functie
is tijdelijk uitgeschakeld
en wordt na enige tijd
rijden of de volgende
keer dat u de motor
start automatisch
opnieuw ingeschakeld.
Spaarstand Het audiosysteem is
uitgeschakeld om
stroom te besparen.
Laad de accu bij.
AVoor meer meldingen met betrekking tot de automatische
versnellingsbak, zie pagina 111.
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
04
132 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie
Airconditioning
De auto is voorzien van elektronische klimaat-
regeling (ECC). De klimaatregeling zorgt ervoor
dat de lucht in het interieur gekoeld, verwarmd
of van vocht ontdaan wordt.
N.B.
U kunt de airconditioning uitschakelen. Voor
optimaal klimaatcomfort in de passagiers-
ruimte en om te voorkomen dat de ruiten
beslaan, dient u de airconditioning echter
altijd te laten aanstaan.
Werkelijke temperatuur
De ingestelde temperatuur komt overeen met
de gevoelstemperatuur op basis van de heer-
sende omstandigheden in en rond de auto wat
de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad,
de ingestraalde warmte* enz. betreft.
Het systeem beschikt over een zonnesensor*
die de stand van de zon registreert. Daardoor
kan de temperatuur van de lucht uit de blaas-
monden links en rechts afwijken, ondanks dat
de temperatuurknoppen voor de beide zijden
in dezelfde stand staan.
Positie van de sensoren
•De zonnesensor* zit boven op het dash-
board.
•De interieurtemperatuursensor zit onder
het bedieningspaneel van de klimaatrege-
ling.
•De buitentemperatuursensor zit op de bui-
tenspiegel.
•De vochtsensor* zit in de achteruitkijkspie-
gel.
N.B.
Dek de sensoren niet met kleding of andere
voorwerpen af.
Zijruiten en schuifdak
Voor optimale werking van de airconditioning
moet u de zijruiten en een eventueel schuifdak
gesloten houden.
Beslagen ruiten
Maak in eerste instantie gebruik van de ontwa-
semingsfunctie om condens van de binnen-
kant van de ruiten te verwijderen.
Houd de binnenzijde van de ruiten schoon om
de kans te beperken dat ze beslaan.
Tijdelijke uitschakeling van
airconditioning
Wanneer de motor het maximale vermogen
nodigt heeft (bijvoorbeeld als u volgas optrekt
of met een aanhanger achter de auto een hel-
ling oprijdt), is het mogelijk dat de airconditio-
ning tijdelijk wordt uitgeschakeld. Er kan dan
een tijdelijke temperatuurstijging optreden.
Condenswater
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje water
onder de auto ontstaan. Dit is volkomen nor-
maal.
Sneeuw en ijs
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (de opening tussen de motor-
kap en de voorruit).
Storingen opsporen en verhelpen
Wend u tot een werkplaats die gecertificeerd is
om storingen in de klimaatregeling op te spo-
ren en te verhelpen. Volvo adviseert u contact
op te nemen met een erkende Volvo-werk-
plaats.
Koudemiddel
De airconditioning maakt gebruik van het kou-
demiddel R134a, zie pagina 299. Het bevat
geen chloor, waardoor het koudemiddel
onschadelijk is voor de ozonlaag. Laat het bij-
vullen/vervangen van koudemiddel over een
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
04
``
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 133
gecertificeerde werkplaats. Volvo adviseert u
contact op te nemen met een erkende Volvo-
werkplaats.
Doorluchtfunctie
Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie
gebruiken om alle zijruiten tegelijk korte tijd te
openen en weer te sluiten en op die manier snel
voor frisse lucht in de auto te zorgen, zie
pagina 54.
Interieurfilter
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt gereinigd door een filter. U moet het filter
regelmatig vervangen. Raadpleeg het Service-
programma van Volvo voor het aanbevolen
vervangingsinterval. In zeer sterk verontrei-
nigde gebieden moet u het filter mogelijk vaker
vervangen.
N.B.
Er bestaan twee verschillende soorten inte-
rieurfilters. Let erop dat u het juiste filter
aanbrengt.
Clean Zone Interior Package (CZIP)*
Wanneer u voor deze optie hebt gekozen zijn
er nog minder stoffen in het interieur verwerkt
die aanleiding kunnen geven tot allergieën of
astma. Zie voor meer informatie over CZIP de
brochure die u bij aankoop hebt ontvangen.
Het volgende is inbegrepen:
•Een geavanceerde ventilatorfunctie die
inhoudt dat de ventilator aanslaat wanneer
de auto via de transpondersleutel wordt
ontgrendeld. De ventilator vult het interieur
op die manier met verse lucht. De functie
start als dat nodig is en stopt na bij het
openen van een van de portieren. Bij inac-
tiviteit wordt de functie na enige tijd auto-
matisch beëindigd. De tijd dat de ventila-
torfunctie werkt zal langzaam maar zeker
korter worden, totdat de auto 4 jaar oud is.
•Het luchtreinigingssysteem (IAQS) is een
volautomatisch systeem dat de lucht in de
passagiersruimte ontdoet van verontreini-
gingen in de vorm van stofdeeltjes, kool-
waterstoffen, stikstofoxiden en laaghan-
gend ozon.
N.B.
Bij auto’s met CZIP dient het IAQS-filter om
de 15.000 km of tenminste eenmaal per jaar
te worden vervangen (afhankelijk van wat
het eerst wordt bereikt). Echter, maximaal
75.000 km per 5 jaar. Bij auto’s zonder CZIP
dient het IAQS-filter tijdens de reguliere
onderhoudsbeurt te worden vervangen.
Gebruik van beproefde materialen in het
interieur.
De gebruikte materialen zijn erop geselecteerd
de hoeveelheid stof in de passagiersruimte te
beperken, zodat de passagiersruimte gemak-
kelijker schoon te houden is. De vloerbekleding
in zowel de passagiersruimte als de bagage-
ruimte zijn eenvoudig te verwijderen en schoon
te maken. Gebruik daarvoor schoonmaakmid-
delen en autoverzorgingsproducten die door
Volvo worden geadviseerd, zie pagina 283.
Menu-instellingen
Het is mogelijk de basisinstellingen voor drie
van de functies van de klimaatregeling te wij-
zigen via de middenconsole, zie pagina 126:
•Ventilatorfunctie in automatische stand*,
zie pagina 136.
•Tijdgestuurde recirculatie van lucht in pas-
sagiersruimte, zie pagina 137.
•Automatische verwarming van de achter-
ruit, zie pagina 98.
Bij gebruik van RESET via het display worden
de standaardinstellingen hervat voor alle func-
ties van de klimaatregeling.
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
04
134 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Luchtverdeling
G017699
De binnenkomende lucht wordt verdeeld over
20 blaasmonden verspreid over het interieur.
In de stand AUTO* vindt de luchtverdeling
geheel automatisch plaats.
De luchtverdeling valt zo nodig handmatig bij
te regelen, zie pagina 139.
Blaasmonden in dashboard
G021367
Open
Dicht
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag
Richt de buitenste blaasmonden op de voorste
zijruiten om deze te ontwasemen.
Om de temperatuur in de passagiersruimte
aangenaam te houden komt er altijd een
bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmon-
den.
Blaasmonden in portierstijlen
G021368
Dicht
Open
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag
Richt de blaasmonden op de achterste zijruiten
om deze te ontwasemen.
Richt de blaasmonden naar binnen toe voor
een behaaglijke temperatuur achter in de auto.
N.B.
Let erop dat kinderen gevoelig kunnen zijn
voor luchtstromen en tocht.
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
04
``
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 135
Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
Geventileerde voorstoel*, linkerzijde
Ventilator
Elektrisch verwarmde voorstoel, linkerzijde
Luchtverdeling
Elektrisch verwarmde voorstoel, rechter-
zijde
AUTO
Geventileerde voorstoel*, rechterzijde
Temperatuurregeling, rechterzijde
AC ON/OFF – Airconditioning aan/uit
Elektrische achterruit- en buitenspiegel-
verwarming, zie pagina 98
Max. ontwaseming
Recirculatie/Interior Air Quality System
Temperatuurregeling, linkerzijde
Gebruik
Geventileerde voorstoelen*
Geventileerde voorstoelen
vormen alleen een optie bij
auto’s met ECC. Het ventila-
tiesysteem bestaat uit ventila-
toren in de zittingen en de rug-
leuningen die lucht door de
bekleding heen aanzuigen.
Naarmate de lucht in het interieur kouder is,
neemt het koelingseffect toe.
De ventilatie wordt geregeld door de klimaat-
regeling op basis van de temperatuur van de
stoel, de ingestraalde warmte en de buiten-
temperatuur.
Het is mogelijk de stoelventilatie te combineren
met de elektrische stoelverwarming. U kunt de
functie bijvoorbeeld gebruiken om uw kleding
van vocht te ontdoen.
Het ventilatiesysteem is te activeren, wanneer
de motor loopt. Er zijn drie comfortniveaus met
elk hun eigen koel- en droogeffect:
•Comfortniveau III: eenmaal indrukken van
de knop levert het maximale vermogen op
– alle drie de lampjes branden.
•Comfortniveau II: tweemaal indrukken van
de knop levert het lagere vermogen op –
twee lampjes branden.
•Comfortniveau I: driemaal indrukken van
de knop levert het minimale vermogen op
– er brandt één lampje.
De vierde maal dat u op de knop drukt wordt
de functie uitgeschakeld – geen van de lampjes
brandt.
N.B.
Wie tochtgevoelig is dient de stoelventilatie
met beleid te gebruiken. Voor langdurig
gebruik wordt comfortniveau één geadvi-
seerd.
BELANGRIJK
Bij een interieurtemperatuur lager dan 5°C
is het niet mogelijk de stoelventilatie in te
schakelen. Dit om te voorkomen dat de
inzittende die op de bewuste stoel zit het te
koud krijgt.
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
04
136
Ventilator
Draai aan de knop om de ven-
tilatorsnelheid te verhogen of
te verlagen. De ventilatorsnel-
heid wordt automatisch gere-
geld, als u AUTO selecteert.
De eerder ingestelde ventila-
torsnelheid wordt dan gene-
geerd.
N.B.
Als de ventilator volledig uitgeschakeld is,
start de airconditioning niet wat kans op
beslagen ruiten kan geven.
Elektrisch verwarmde stoelen/
achterbank
Voorstoelen
Eenmaal op de knop drukken
levert het maximale verwar-
mingsniveau op – alle drie de
lampjes branden.
Tweemaal op de knop druk-
ken levert een lager verwar-
mingsniveau op – twee van de lampjes bran-
den.
Driemaal op de knop drukken levert het laagste
verwarmingsniveau op – een van de lampjes
brandt.
De vierde maal dat u op de knop drukt wordt
de verwarming uitgeschakeld – geen van de
lampjes brandt.
WAARSCHUWING
De stoelverwarming niet gebruiken wanneer
u de temperatuurstijging door verminderde
gevoeligheid niet waarneemt of om enigerlei
reden de stoelverwarming niet goed weet te
bedienen. Brandwonden zijn anders niet uit-
gesloten.
Luchtverdeling
De gestileerde menselijke
gedaante op de neven-
staande afbeelding bestaat
uit drie knoppen. Bij het
indrukken van een van de
luchtverdelingsknoppen licht
het lampje op dat bij dat deel
van de gestileerde menselijke gedaante hoort,
zie pagina 139.
Auto
De functie AUTO regelt auto-
matisch de temperatuur, de
airconditioning, de ventilator-
snelheid, de recirculatie en de
luchtverdeling.
Als u een of meer handmatige functies selec-
teert, worden de overige functies nog steeds
automatisch geregeld. Wanneer u op de knop
AUTO drukt, vindt activering van de Air Quality
Sensor plaats waarbij alle handmatige instel-
lingen worden opgeheven. Op het display ver-
schijnt AUTO KLIMAAT.
U kunt de ventilatorsnelheid in de automati-
sche stand instellen onder
Klimaatinstellingen Autom. blower
afstellen. Kies uit Laag,Normaal of Hoog:
•Laag - Automatische ventilatorregeling.
Geringe luchtstroom geniet de prioriteit.
•Normaal - Automatische ventilatorrege-
ling.
•Hoog - Automatische ventilatorregeling.
Grotere luchtstroom geniet de prioriteit.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 126.
04 Comfort en rijplezier
Klimaatregeling
04
138 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Wanneer u de ontwaseming selecteert,
wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
Interior Air Quality System*
Het Interior Air Quality System
ontdoet de binnenkomende
lucht van gassen en stofdeel-
tjes om zo hinderlijke geurtjes
en verontreinigingen in de
passagiersruimte te beper-
ken. Als de Air Quality Sensor
een verhoogde concentratie van verontreini-
gingen in de buitenlucht meet, wordt de lucht-
inlaat afgesloten waarna de lucht in de passa-
giersruimte wordt gerecirculeerd. Wanneer u
de knop AUTO hebt ingedrukt, is de Air Quality
Sensor altijd ingeschakeld.
Recirculatie/Interior Air Quality Sensor
activeren
Selecteer een van de drie
functies door verschillende
malen op de knop te drukken.
•Het oranje lampje links brandt – de Air Qua-
lity Sensor is uitgeschakeld. Er is geen
recirculatie, maar alleen verse lucht van
buiten.
•Het groene lampje in het midden brandt –
de recirculatie is niet actief (tenzij dit nodig
is voor koeling bij warm weer).
•Het oranje lampje rechts brandt – de recir-
culatie is ingeschakeld.
N.B.
Voor optimale kwaliteit van de lucht in de
passagiersruimte dient u de Air Quality Sen-
sor ingeschakeld te houden.
Bij koud weer gelden er beperkingen voor
de recirculatiefunctie om te voorkomen dat
de ruiten beslaan.
Als de ruiten toch beslaan, moet u de Air
Quality Sensor uitschakelen en alle ruiten
(voorruit, zijruiten en achteruit) ontwase-
men.
Recirculatie activeren
Schakel de recirculatie in of
uit door verschillende malen
op de nevenstaande knop te
drukken. Het lampje brandt
wanneer de recirculatie actief
is.
04 Comfort en rijplezier
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
04
142 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Meteen inschakelen/uitschakelen
1. Gebruik het duimwiel om naar Directe
start Standverw. te gaan.
2. Druk op RESET om te kiezen uit AAN en
UIT.
AAN: De standverwarming is handmatig of via
de timerfunctie ingeschakeld.
UIT: De standverwarming is uitgeschakeld.
Bij directe start van de standverwarming zal
deze 50 minuten lang geactiveerd blijven.
De interieurverwarming gaat van start, zodra
de koelvloeistof in de motor de juiste tempe-
ratuur heeft bereikt.
N.B.
Het is mogelijk de motor starten en weg te
rijden, terwijl de standverwarming aanstaat.
Timers instellen
Met de timers geeft u het tijdstip aan dat de
auto op temperatuur moet zijn omdat u die
wenst te gebruiken.
Kies uit TIMER 1 en TIMER 2.
N.B.
De timers zijn alleen te programmeren met
de transpondersleutel in slotstand I, zie
pagina 75.
1. Gebruik het duimwiel om naar Timer
standkach 1 te gaan.
2. Druk kort op de knop RESET zodat de uur-
aanduiding gaat knipperen.
3. Stel de gewenste uuraanduiding in met het
duimwiel.
4. Druk kort op de knop RESET, zodat de
minuutaanduiding gaat knipperen.
5. Stel de gewenste minuutaanduiding in met
het duimwiel.
6. Druk kort op de knop RESET om de instel-
ling te bevestigen.
7. Druk op de knop RESET om de timer te
activeren.
Wanneer u Timer standkach 1 hebt ingesteld,
kunt u een tweede uitschakeltijd programme-
ren onder Timer standkach 2 door aan het
duimwiel te draaien.
U stelt de andere uitschakeltijd op dezelfde
manier in als bij Timer standkach 1.
Timergestuurde verwarming voortijdig
uitschakelen
U kunt de timergestuurde verwarming uitscha-
kelen voordat de timer dat doet. Doe dat als
volgt:
1. Druk op READ.
2. Ga met het duimwiel naar Timer
standkach 1 of 2.
>De tekst AAN knippert op het display.
3. Druk op RESET.
>De tekst UIT brandt continu en de ver-
warming wordt uitgeschakeld.
Een timergestuurde verwarming is ook uit te
schakelen volgens de instructies in het
gedeelte “Meteen inschakelen/uitschakelen”
zie pagina 142.
Klok/timer
De timers van de verwarming zijn gekoppeld
aan de klok in de auto.
N.B.
Als u de klok van de auto bijstelt, worden
eventuele timerinstellingen gewist.
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
04
144 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie
Het audiosysteem is te verkrijgen met verschil-
lende opties en in drie basisuitvoeringen:
•Performance
•High Performance
•Premium Sound
Bij het inschakelen van het audiosysteem geeft
het display de uitvoering aan.
Dolby Surround Pro Logic II en het symbool
zijn handelsmerken van Dolby
Laboratories Licensing Corporation. Dolby
Surround Pro Logic II System is vervaardigd
onder licentie van Dolby Laboratories
Licensing Corporation.
Transpondersleutel en sleutelstanden
U kunt het audiosysteem 15 minuten achtereen
beluisteren, wanneer er geen transpondersleu-
tel in het contactslot steekt.
N.B.
Neem de transpondersleutel uit het con-
tactslot om het audiosysteem te beluisteren
wanneer de motor afgezet is. Zo voorkomt
u dat de accu onnodig belast wordt.
Als het audiosysteem aanstaat wanneer u de
motor afzet, wordt het de volgende keer dat u
de motor start automatisch ingeschakeld.
Overzicht
Ingang voor externe geluidsbron: AUX en
USB* (bijv. iPod1)
Toetsenset op stuurwiel
Bedieningspaneel in middenconsole
Bedieningspaneel met hoofdtelefoonaan-
sluiting*
Toetsenset op stuurwiel*
Menu-opties bevestigen, telefoongesprek-
ken aannemen.
Naar een hoger niveau gaan binnen het
menusysteem. Actieve functie annuleren,
telefoongesprekken beëindigen/weigeren,
ingevoerde tekens wissen.
Volume
Kort indrukken om een track op een cd of
een van de voorkeurzenders te selecteren.
Lang indrukken om een track op een cd
vooruit/achteruit te spoelen of de eerstvol-
gende goed doorkomende radiozender te
zoeken.
1iPod is het gedeponeerde handelsmerk van Apple Computer Inc.
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
04
``
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 145
Achterste bedieningspaneel met
hoofdtelefoonaansluiting
Voor de beste geluidsweergave adviseren wij u
een hoofdtelefoon te gebruiken met een impe-
dantie van 16–32 ohm en een gevoeligheid van
102 dB of meer.
VOLUME – Volume, resp. links en rechts.
Vooruit-/achteruitspoelen en zoeken.
MODE – Kiezen uit AM, FM, CD, AUX,
USB*(bijvoorbeeld iPod), DAB1/DAB2*
en Aan/Uit. Voor aansluiting via AUX of
USB, zie pagina 147.
Hoofdtelefoonaansluiting (3,5 mm).
Activeren/deactiveren
U activeert het bedieningspaneel met een druk
op MODE. Het bedieningspaneel wordt hand-
matig gedeactiveerd, wanneer u MODE lang
indrukt of automatisch bij het uitschakelen van
het contact.
Vooruit-/achteruitspoelen en zoeken
Kort op (2) drukken om een track op een cd of
een van de voorkeurzenders te selecteren.
Lang indrukken om een track op een cd voor-
uit/achteruit te spoelen of de eerstvolgende
goed doorkomende radiozender op te zoeken.
Beperkingen
•Welke geluidsbron (FM, AM, CD e.d.) er via
de luidsprekers wordt weergegeven valt
niet te sturen vanaf het achterste bedie-
ningspaneel.
Audiofuncties
Middenconsole, bedieningstoetsen voor audio-
functies.
AM,FM en CD, interne geluidsbronnen
MODE – Kiezen uit de externe geluids-
bronnen (AUX, USB* en DAB1/DAB2*).
Voor aansluiting via AUX of USB, zie
pagina 147
SOUND – Druk- en draaiknoppen voor het
aanpassen van de geluidsweergave
Navigatietoets
VOLUME – Volume en aan/uit
Geluidssterkte en automatische
volumeregeling
Het audiosysteem zorgt voor compensatie van
hinderlijke rijgeluiden in de passagiersruimte
door het volume af te stemmen op de snelheid
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
04
150
Willekeurige afspeelvolgorde
Bij activering van deze functie speelt de speler
de tracks/muziekbestanden in willekeurige
volgorde af. U kunt de willekeurig gekozen
tracks/muziekbestanden op de cd op de
gebruikelijke manier doorbladeren.
N.B.
Bij gebruik van de linker of rechter pijl wordt
alleen een nieuwe willekeurige track op de
afgespeelde cd geselecteerd.
Afhankelijk van het type willekeurige afspeel-
volgorde dat geselecteerd is, verschijnt er een
bepaalde displaymelding:
•RANDOM houdt in dat de tracks op
slechts een van de muziek-cd’s worden
afgespeeld
•RND ALL houdt in dat alle tracks op alle
muziek-cd’s in de cd-speler worden afge-
speeld.
•RANDOM FOLDER houdt in dat de
muziekbestanden in een willekeurige map
op de gekozen cd worden afgespeeld.
Cd-speler
Activeer/deactiveer de functie tijdens het
afspelen van een normale muziek-cd onder
Random.
Activeer/deactiveer de functie bij het beluiste-
ren van een disc met muziekbestanden onder
Random Map.
Cd-wisselaar
Activeer/deactiveer de functie bij het afspelen
van een normale muziek-cd onder Random
Enkele disc of Random Alle discs. Het
alternatief Alle discs geldt alleen voor de
muziek-cd’s die in de cd-wisselaar zitten.
Activeer/deactiveer de functie bij het beluiste-
ren van een cd met muziekbestanden onder
Random Map. Wanneer u een andere cd
kiest, wordt de functie gedeactiveerd.
Nummer-informatie
Eventuele nummer-informatie op de muziek-
cd kan via het display worden weergegeven.
Bij Premium Sound en High Performance geldt
dit ook voor cd’s met mp3- en wma-bestan-
den. Activeer/deactiveer de functie in de stand
CD onder Cd-instellingen Nummer-
informatie.
Radiofuncties
Middenconsole, bedieningstoetsen voor radio-
functies.
Navigatietoets voor het automatisch zoe-
ken van zenders
Geselecteerde functie beëindigen
Handmatig zenders zoeken
Frequentieband doorzoeken
Automatisch zenders vastleggen
Voorkeurtoetsen en handmatig voorkeur-
zenders vastleggen
Frequentieband AM en FM (FM1 en FM2)
kiezen
Automatisch zenders zoeken
1. Kies een frequentieband met FM of AM.
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
04
152
opnieuw weer op het volume dat u daarvoor
had ingesteld.
De programmafuncties alarm (ALARM!), ver-
keersinformatie (TP (verkeersinformatie)),
nieuws (Nieuws) en programmatype (PTY
(programmatype)) worden in volgorde van
belangrijkheid weergegeven, waarbij geldt dat
alarm de hoogste prioriteit geniet en de pro-
grammatypes de laagste. Voor meer instellin-
gen die te maken hebben met het onderbreken
van uitzendingen (EON en Regionaal), zie
pagina 153. Druk op EXIT om de weergave
van de onderbroken geluidsbron te hervatten.
Alarm
De functie wordt gebruikt om de bevolking
attent te maken op ernstige ongelukken of
calamiteiten. U kunt de functie alarm niet tijde-
lijk onderbreken of deactiveren. De melding
ALARM! verschijnt op het display, wanneer er
een alarmmelding wordt verzonden.
Verkeersinformatie, TP
Bij activering van deze functie wordt de weer-
gave van de actieve geluidsbron onderbroken
voor een uitzending met verkeersinformatie via
het RDS-netwerk van de zender waarop is
afgestemd. Het symbool TP
(verkeersinformatie) geeft aan dat de functie
actief is. Als de zender waarop u hebt afge-
stemd verkeersinformatie kan doorgeven,
staat er op het display.
±Activeer/deactiveer de functie onder FM-
instellingen TP (verkeersinformatie).
TP via beluisterde zender/alle zenders
De radio kan de weergave van de actieve
geluidsbron onderbreken voor verkeersinfor-
matie via de (actuele) zender die u beluistert of
via alle zenders.
±Ga naar FM-instellingen Geav. radio-
instellingen TP-zender... om wijzigin-
gen aan te brengen.
Nieuws
Bij activering van deze functie wordt de weer-
gave van de actieve geluidsbron onderbroken
voor een nieuwsuitzending via het RDS-net-
werk van de zender waarop is afgestemd. Het
symbool NEWS geeft aan dat de functie actief
is.
±Activeer/deactiveer de functie onder FM-
instellingen Nieuws.
Nieuws via beluisterde zender/alle
zenders
De radio kan de weergave van de actieve
geluidsbron onderbreken voor een nieuwsuit-
zending via de (actuele) zender die u beluistert
of via alle zenders.
±Ga naar FM-instellingen Geav. radio-
instellingen Nieuwszender... om wijzi-
gingen aan te brengen.
Programmatype, PTY
Met de functie PTY is het mogelijk verschil-
lende programmatypes te kiezen zoals pop-
muziek en klassieke muziek. Het symbool
PTY geeft aan dat de functie actief is. Bij acti-
vering van deze functie wordt de weergave van
de actieve geluidsbron onderbroken voor een
uitzending van het gekozen programmatype
via het RDS-netwerk van de zender waarop is
afgestemd.
1. Activeer de functie in de stand FM door een
programmatype te selecteren onder FM-
instellingen PTY PTY selecteren.
2. Deactiveer de functie door de PTY te wis-
sen onder FM-instellingen Alle PTY's
wissen.
PTY zoeken
Bij activering van deze functie wordt de gehele
frequentieband doorzocht op uitzendingen van
het gekozen programmatype.
1. Kies een PTY onder FM-instellingen
PTY PTY selecteren.
2. Ga naar FM-instellingen PTY
(programmatype) PTY zoeken.
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
04
``
153
Als de radio een uitzending van een van de
gekozen programmatypes vindt, verschijnt >|
om te zoeken op het display.
±Druk op van de navigatietoets om ver-
der te zoeken naar een andere uitzending
van een van de gekozen programmatypes.
Programmatype weergeven
Het is mogelijk het programmatype van de zen-
der die u op dat moment beluistert op het dis-
play weer te geven.
±Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-instellingen PTY
PTY weergeven
N.B.
Niet alle radiozenders ondersteunen deze
functie.
Radiotekst
Sommige RDS-zenders geven informatie door
over de inhoud van de uitzendingen, uitvoe-
rende artiesten e.d. Deze informatie kan op het
display worden weergegeven.
±Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder Radiotekst.
Automatische afstemfunctie, AF
Bij activering van deze functie wordt er auto-
matisch afgestemd op het sterkste signaal
voor een bepaalde radiozender. Soms moet de
radio de gehele FM-band doorzoeken om een
sterk zendersignaal te vinden. In dat geval valt
de radio stil en verschijnt de melding PI
zoeken EXIT voor annuleren op het display.
±Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-instellingen Geav.
radio-instellingen AF.
Regionale radioprogramma’s, REG
Deze functie maakt het mogelijk om op een
bepaalde regionale zender afgestemd te blij-
ven ondanks dat het signaal zwak is. Het sym-
bool REG geeft aan dat de handsfree-functie
actief is.
±Activeer/deactiveer deze functie in de
stand FM onder FM-instellingen Geav.
radio-instellingen Regionaal.
EON (Enhanced Other Networks)
Deze functie is met name handig in stedelijke
gebieden met een groot aantal regionale radio-
zenders. Bij activering van de functie is de
afstand tot de zendmast van een radiozender
bepalend voor de vraag of de weergave van de
actieve geluidsbron kan worden onderbroken
voor uitzendingen van een bepaald program-
matype.
±Activeer/deactiveer de functie in de stand
FM door een van de alternatieven te kiezen
onder FM-instellingen Geav. radio-
instellingen EON:
•Plaatselijk – Alleen onderbreking wanneer
de zendmast van de radiozender dichtbij
is.
•Afstand4 – Ook onderbreking als de zend-
mast van de zender ver weg staat en zijn
signaal storingen vertoont.
•Uit – Geen onderbreking voor een uitzen-
ding van een bepaald programmatype via
andere zenders.
RDS-functies resetten
Met deze kunt u alle fabriekinstellingen voor
RDS herstellen.
±Reset in de stand FM onder FM-
instellingen Geav. radio-instellingen
Alles resetten.
Volumeregeling programmatypes
De onderbrekende uitzendingen van het geko-
zen programmatype (bijv. NEWS of TP) wor-
den weergegeven op het volume dat voor het
4Fabrieksstandaard.
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
04
154 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
programmatype is gekozen. Als u het volume
tijdens de onderbreking bijregelt, wordt het
nieuwe volume opgeslagen voor een volgende
onderbreking.
Menusysteem FM
Hoofdmenu FM
FM-instellingen
1.1 Nieuws
1.2 TP (verkeersinformatie)
1.3 Radiotekst
1.4 PTY (programmatype)
1.4.1 PTY selecteren
Alle PTY's wissen
Actualiteit
Informatie
Sport
Educatie
Drama
Cultuur
Wetenschap
Varia
Popmuziek
Rockmuziek
Melodie
Licht klassiek
Klassiek
Overige muziek
Het weer
Economie
Voor kinderen
Maatschappelijk
Religie
Doe mee!
Reizen
Vrije tijd
Jazzmuziek
Countrymuziek
Nationale muziek
Gouwe Ouwe
Volksmuziek
Documentaires
1.4.2 PTY zoeken
1.4.3 PTY-tekst weergeven
1.5. Geav. radio-instellingen
1.5.1 TP-zender
1.5.2 Nieuwszender
1.5.3 AF
1.5.4 EON
Uit
Plaatselijk
Afstand
1.5.5 Regionaal
1.5.6 Reset FM-instellingen
Digitale radio (DAB)*
Algemene informatie
DAB (Digital Audio Broadcasting) is een sys-
teem voor digitale overdracht van radiosigna-
len.
N.B.
Dit systeem biedt geen ondersteuning voor
DAB+.
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
04
``
155
Service en Ensemble
•Voor onderhoud - Kanaal, radiokanaal
(het systeem biedt alleen ondersteuning
voor geluidsdiensten).
•Ensemble - Een groep radiokanalen die
op dezelfde frequentie zenden.
Radiokanalen programmeren (Groep
leren)
Wanneer de auto een nieuw zendgebied bin-
nenrijdt is het mogelijk het systeem de gele-
genheid te geven de te ontvangen kanaalgroe-
pen te programmeren.
Tijdens het programmeren van de kanaalgroe-
pen wordt een bijgewerkte lijst van al de te
beluisteren kanaalgroepen aangemaakt. De
lijst wordt niet automatisch bijgewerkt. U start
de programmeerfunctie via het menu Groep
leren of rechtstreeks door lang op AUTO te
drukken. Het kan tot één minuut duren voordat
een kanaalgroep geprogrammeerd is als u
zowel Band III als LBand hebt geselecteerd.
Frequentieband
DAB zendt uit op twee frequentiebanden5:
Band III en LBand.
•Band III – Over het hele land6
•LBand - Voornamelijk in de grote steden
Wanneer u alleen voor Band III kiest, verloopt
het programmeren van kanalen sneller dan als
u voor zowel Band III als LBand hebt gekozen.
Het is echter niet zeker dat alle kanaalgroepen
ook daadwerkelijk worden gevonden. De
gekozen frequentieband is niet van invloed op
de opgeslagen voorkeuren.
Navigeren aan de hand van lijsten
Er zijn drie soorten basislijsten die u kunt
gebruiken om te navigeren:
•Ensemble - Geeft de te beluisteren
kanaalgroepen weer na programmering
van de kanaalgroepen.
•Voor onderhoud - Geeft de kanalen weer
ongeacht de kanaalgroep waartoe ze
behoren. De lijst is tevens te filteren met
behulp van DAB PTY (zie onder).
•Subkanaal - Subkanalen van het gekozen
kanaal.
De lijsten zijn toegankelijk via het menu. U kunt
de kanaalgroepen ook bereiken door op
ENTER te drukken.
Scannen
Tijdens het scannen wordt van alle kanalen een
fragment van 10 seconden weergegeven.
±Druk op SCAN om de functie te activeren
De scanfunctie is ook te kiezen in de stand
DAB-PTY. Dan worden alleen kanalen van het
gekozen programmatype weergegeven.
±Beëindig de scanfunctie door nogmaals op
de SCAN te drukken of druk op EXIT.
Subkanaal
Secundaire componenten worden vaak aan-
geduid als subkanalen. Dergelijke componen-
ten zijn van tijdelijke aard en kunnen bijvoor-
beeld uit vertalingen van het hoofdprogramma
bestaan.
Als er een of meer subkanalen bestaan ver-
schijnt het symbool > rechts van de kanaal-
naam op het display. Als er slechts één sub-
kanaal bestaat verschijnt het symbool > links
van de kanaalnaam op het display.
Om een subkanaal te bereiken:
±Druk op
Om te navigeren tussen subkanalen:
±Druk op of op
Subkanalen zijn alleen te bereiken via het geko-
zen hoofdkanaal en niet via een ander hoofd-
kanaal.
5De beide frequentiebanden zijn niet in alle gebieden/landen in gebruik.
6In de aanloopfase is de dekking van DAB-radio beperkt tot de grote steden.
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
04
156
DAB-PTY (programmatype)
DAB PTY selecteert een specifiek type radio-
programma. Er bestaan 29 verschillende pro-
grammatypes voor verschillende soorten pro-
grammacategorieën. Wanneer u een bepaald
programmatype hebt gekozen, navigeert u
alleen binnen de kanalen die programma’s van
het gekozen type uitzenden.
Verlaat deze stand als volgt:
±Druk op EXIT
Het is ook mogelijk een voorkeurkanaal te kie-
zen of DAB PTY te beëindigen via het menu.
Bij gebruik van DAB-links tussen kanalen (zie
onder) is het mogelijk dat de DAB-radio de
PTY-stand verlaten.
DAB naar DAB link
Het is mogelijk om van een kanaal die slecht of
helemaal niet te ontvangen is over te schakelen
op hetzelfde kanaal in een andere kanaalgroep
met een betere ontvangst. Bij het veranderen
van kanaalgroep kan enige vertraging in de
geluidsweergave optreden. Vanaf het moment
dat het huidige kanaal verdwijnt en het nieuwe
kanaal toegankelijk wordt kan het geluid dan
ook enige tijd stilvallen.
DAB-displayinstellingen
1. Basis - Alleen de kanaalnaam verschijnt
als de hoofdcomponent wordt beluisterd.
Bij het beluisteren van een subkanaal ver-
schijnt de subkanaalnaam
2. Ensemble - Voegt de naam van de kanaal-
groep toe aan de kanaalnaam.
3. Ensemble +PTY - Voegt de naam van het
programmatype toe aan de kanaalnaam.
Preset
U kunt per frequentieband 10 voorkeurzenders
vastleggen. DAB heeft 2 geheugenbanken met
voorkeurzenders: DAB1 en DAB2. U kiest een
voorkeurzender met de voorkeurtoetsen.
Een preset bestaat uit een kanaal zonder even-
tuele subkanalen. Als er tijdens het beluisteren
van een subkanaal een voorkeurkanaal vast-
gelegd wordt, wordt alleen de kanaal-ID gere-
gistreerd. Dit komt omdat de subkanalen van
tijdelijke aard zijn. Bij activering van het bijbe-
horende voorkeurkanaal zal dan ook het
hoofdkanaal worden weergegeven waartoe het
subkanaal behoorde. De voorkeurkanalen zijn
niet gebonden aan de kanalenlijst.
Een vastgelegd kanaal hoeft niet in de kana-
lenlijst te staan om te kunnen worden beluis-
terd. Als u een kanaal kiest dat niet beschik-
baar is, verschijnt het nummer van het voor-
keurkanaal waarna het geluid stilvalt totdat u
een ander voorkeurkanaal hebt gekozen dat
wel beschikbaar is. U kunt uiteraard ook een
ander kanaal kiezen.
N.B.
De DAB-functie van het audiosysteem biedt
geen ondersteuning voor alle mogelijkhe-
den van de DAB-standaard.
Menusysteem DAB
Hoofdmenu DAB
1. Selecteer groep
2. Selecteer dienst
3. Selecteer subkanaal
4. DAB PTY
4.1. DAP PTY uit
4.2. Nieuws
4.3. Actualiteit
4.4. Informatie
4.5. Sport
4.6. Educatie
4.7. Drama
4.8. Cultuur
4.9. Wetenschap
4.10. Varia
04 Comfort en rijplezier
Audiosysteem
04
157
4.11. Popmuziek
4.12 Rockmuziek
4.13. Rustige muziek
4.14. Licht klassiek
4.15. Klassieke muziek
4.16. Overige muziek
4.17. Het weer
4.18. Economie
4.19 Kinderprogramma’s
4.20. Feitelijk
4.21. Religie
4.22. Doe mee!
4.23. Reizen
4.24. Vrije tijd
4.25. Jazz en blues
4.26. Countrymuziek
4.27. Nationale muziek
4.28. Gouwe Ouwe
4.29. Volksmuziek
4.30. Documentaires
5. Groep leren
6. DAB-instellingen
6.1. DAB-displayinstellingen
6.1.1. Groepsnaam
6.1.2. Groepsnaam en PTY
6.1.3. Basis
6.2. DAB naar DAB link
6.3. FM-verkeer
6.4. DAB-band selecteren
6.4.1. Band III
6.4.2. LBand
6.4.3. LBand & Band III
6.5. DAB resetten
04 Comfort en rijplezier
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen*
04
160 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
> Het systeem registreert automatisch dat
het nieuwe informatie ontvangt.
5. Gebruik de zoekfunctie om de nieuwe
kanalen te vinden die u kunt bekijken (zie
onder “Tv-kanalen met smartcard” ver-
derop).
Tv-kanalen met smartcard
Gebruik de zoekfunctie om de kanalen te vin-
den die u met de smartcard kunt bekijken.
1. Druk op MEDIA MENU op de afstandsbe-
diening.
2. Kies Kanaalzoeken Automatisch
zoeken.
3. Kies het land waarin u zich bevindt en druk
op .
Door de digitale tv-ontvanger
ondersteunde formaten
Het systeem kan tv-programma’s in MPEG-2-
formaat weergeven. Na aanschaf van een spe-
ciale module zijn ook programma’s in
MPEG-4-formaat weer te geven. Deze module
wordt op dezelfde manier als de CI-module
voor smartcards in de digitale tv-ontvanger
aangebracht. Zie onder “Betaalkanalen” eer-
der in dit boekje.
Muziek
Cd beluisteren
1. Plaats een cd met de etiketzijde van de
toetsen af gericht.
> De cd wordt automatisch afgespeeld.
2. Schakel de draadloze koptelefoon(s) in
(kies CH A voor het linker beeldscherm of
CH B voor het rechter beeldscherm).
> Het geluid wordt via de koptelefoon(s)
weergegeven.
3. Stel het volume van de koptelefoon(s) in via
de volumeregeling of met het instelwieltje
op de koptelefoon(s) zelf.
U kunt het audiosysteem ook in MODE-
AUX zetten en op de toets A B van de
afstandsbediening drukken om het geluid
via de luidsprekers weer te geven.
Map op de cd kiezen
1. Plaats de cd.
2. Druk op .
3. Kies met de navigatietoetsen het bestand
van uw keuze.
4. Druk op om een submap te kiezen.
Verschillende afspeelmethoden
De cd is op verschillende manieren af te spe-
len. Kies met de navigatietoetsen de gewenste
afspeelmethode.
Wanneer het dialoogvenster zichtbaar is:
1. Druk op de rechter navigatietoets om naar
het rechter menu te springen.
2. Blader met de navigatietoetsen om een
keuze te maken uit de afspeelopties.
3. Bevestig uw keuze met .
Andere cd-track
±Kies een andere cd-track met of
. Spoel voor- of achteruit door de
toetsen ingedrukt te houden.
Pauze
1. Met kunt u de cd-weergave pau-
zeren of voortzetten.
2. Met kunt u de cd-weergave beëin-
digen.
3. Druk nogmaals op om de cd uit te
werpen.
04 Comfort en rijplezier
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen*
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 161
Zelfgebrande cd’s/dvd’s zijn te
beluisteren.
De afspeelbaarheid en de geluidskwaliteit zijn
echter afhankelijk van het bronbestand, het
gehanteerde formaat en de kwaliteit van de
gebruikte cd/dvd.
AUX-ingang, 12 V-aansluiting
De ingang dient om randapparatuur te kunnen
aansluiten. Volg altijd de aansluitinstructies op
van de fabrikant of de verkoper van de
gebruikte randapparatuur. Randapparatuur die
via de AUX-ingang van het RSE-systeem is
aangesloten kan gebruik maken van de beeld-
schermen, de draadloze koptelefoons, de uit-
gangen voor koptelefoons met een snoeraan-
sluiting en de luidsprekers van het audiosys-
teem.
Aansluiten op AUX-ingang RSE-systeem
G030382
De AUX-ingang van het RSE-systeem zit onder
aan de achterkant van de middenarmsteun.
1. Sluit de videokabel aan op de gele ingang.
2. Sluit de linker geluidskabel aan op de witte
ingang en de rechter op de rode ingang.
3. Sluit de voedingskabel aan op de 12 V-aan-
sluiting als de apparatuur op 12 V werkt.
Voor de positie van de elektrische aansluiting,
zie pagina 202
Systeem
Formaten die door het systeem worden onder-
steund.
Audio-
forma-
ten
CD-DA, DVD-Audio Playback,
MP3, WMA
Video-
forma-
ten
DVD-video, VCD, SVCD, Divx/
MPEG-4, WMA-video, Photo CD
Kodak, Photo CD JPG
Schijf-
forma-
ten
DVD-RAM, DVD-ROM, DVD-RW,
DVD+RW, DVD-R, DVD+R, CD-R,
CD-ROM, CD-RW, CD-3, HDCD
Geavanceerde systeeminstellingen
Deze instellingen zijn alleen toegankelijk wan-
neer de dvd-speler leeg is.
±Druk op MEDIA MENU.
GENERAL SETUP ANGLE MARK
CAPTION
AUDIO SETUP COMPRESSION
04 Comfort en rijplezier
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen*
04
162 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
DVX(R)
REGISTRATION
PREFERENCES TV TYPE
AUDIO
SUBTITLE
DEFAULTS
Batterijen in afstandsbediening en
koptelefoon(s) vervangen
De afstandsbediening en de koptelefoon(s)
werken op twee batterijen van het type AAA.
Neem bij lange ritten extra batterijen mee.
1. Draai het boutje los en haal het dekseltje
van het batterijvakje.
2. Verwijder beide batterijen en leg de nieuwe
batterijen op de aangegeven manier in het
batterijvakje.
3. Breng het dekseltje aan en draai het boutje
vast.
Draadloze koptelefoons
1. Draai het boutje los en haal het dekseltje
van het batterijvakje.
2. Verwijder beide batterijen en leg de nieuwe
batterijen op de aangegeven manier in het
batterijvakje.
3. Breng het dekseltje aan en draai het boutje
vast.
N.B.
Als het systeem te heet is of als de accu-
spanning te laag is, geeft een melding op
het scherm dat aan.
Milieuzorg
Lege batterijen moet u op een milieuvriende-
lijke manier inzamelen!
04 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 163
Algemene informatie
G021364
Informatiedisplay en bedieningstoetsen.
READ - bevestigen
Duimwiel – menu’s en opties binnen de
cruisecontrol-lijst doorbladeren.
RESET – op nul stellen
Om toegang te krijgen tot de informatie in de
boordcomputer, moet u het duimwiel in stap-
pen omhoog- of omlaagdraaien. Wanneer u na
het laatste menu nogmaals aan het wieltje
draait, keert u terug naar de uitgangspositie.
Functies
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding ver-
schijnt terwijl de boordcomputer in gebruik
is, moet u deze melding eerst bevestigen
om naar de boordcomputerfunctie terug te
keren. U bevestigt door op READ te druk-
ken.
Neem contact op met een werkplaats, als u de
eenheid wilt wijzigen waarin de afstand en de
snelheid worden weergegeven. Volvo advi-
seert dat u daarvoor een erkende Volvo-werk-
plaats bezoekt.
Gemiddelde snelheid
De auto berekent de gemiddelde snelheid
sinds de laatste maal dat u deze waarde op nul
hebt gesteld. U stelt de waarde op nul met
RESET.
Momentaan
Het momentane (actuele) brandstofverbruik
wordt eenmaal per seconde berekend. De
waarde op het display wordt om de paar
seconden bijgewerkt. Wanneer de auto stil-
staat, geeft het display “----” aan.
Gemiddeld
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat u de waarde op nul hebt
gesteld. U stelt de waarde op nul met RESET.
N.B.
Er kunnen iets afwijkende waarden verschij-
nen, als u een extra verwarming1 en/of
standkachel* op brandstof hebt gebruikt.
Km actieradius
De actieradius wordt berekend aan de hand
van het gemiddelde brandstofverbruik over de
laatste 30 km en de resterende hoeveelheid
brandstof. Het display geeft de afstand aan die
bij benadering kan worden afgelegd met de
resterende hoeveelheid brandstof in de tank.
Een zuinige rijstijl betekent doorgaans een lan-
gere actieradius. Voor meer informatie over de
wijze waarop u het brandstofverbruik kunt
beperken, zie pagina 10.
Wanneer “--- km actieradius” op het display
staat, zijn geen garanties meer te geven voor
de resterende actieradius. Tank dan zo spoe-
dig mogelijk.
1Alleen dieselmodellen.
04 Comfort en rijplezier
Boordcomputer
04
164 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Er kunnen iets afwijkende waarden verschij-
nen, als u van rijstijl verandert.
Op nul stellen
1. Selecteer Gem. snelheid of Gemiddeld.
2. Houd RESET ca. 1 seconde ingedrukt om
de waarde voor de gekozen functie op nul
te stellen. Als u RESET ten minste
3 seconden lang ingedrukt houdt, stelt u de
gemiddelde snelheid en het gemiddelde
brandstofverbruik gelijktijdig op nul.
Actuele snelheid*
Bij een snelheidsmeter met een kilometer-
schaal wordt de actuele snelheid weergegeven
in km/h. Bij een snelheidsmeter met een miles-
schaal wordt de actuele snelheid weergegeven
in mph.
04 Comfort en rijplezier
Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC
04
``
165
Algemene informatie over DSTC
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC
(Dynamic Stability and Traction Control) helpt
de bestuurder voorkomen dat de wielen door-
slippen en verbetert de tractie van de auto.
Tijdens het afremmen kunnen de ingrepen van
het systeem waarneembaar zijn in de vorm van
pulserende geluiden. Tijdens het gas geven
kan de auto langzamer optrekken dan u ver-
wacht.
Antislipregeling
Deze regeling beperkt de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen
om de auto op die manier te stabiliseren.
Antispinregeling
Deze regeling voorkomt dat de aangedreven
wielen tijdens het optrekken doorslippen.
Tractieregeling
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend aan-
drijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet slipt.
Bediening
Beperkte functie
Het is mogelijk de werking van het systeem te
beperken, wanneer de wielen doorslippen en u
gas geeft. Het systeem grijpt bij doorslippende
wielen dan later in, zodat er een hogere mate
van doorslippen mogelijk is. Dit levert een gro-
tere bedieningsvrijheid op bij dynamisch rijden.
De aandrijving in diepe lagen sneeuw of zand
wordt verbeterd, omdat er dan geen beperkin-
gen meer gelden voor de tractie.
G021409
1. Draai aan het duimwiel totdat het menu
DSTC verschijnt. DSTC AAN betekent dat
de werking van het systeem ongewijzigd is.
DSTC Spin Control UIT betekent dat er
beperkingen gelden voor de werking van
het systeem.
2. Houd RESET ingedrukt totdat het
menu DSTC zich wijzigt.
De beperkingen voor de werking van het sys-
teem blijven van kracht totdat u de motor een
volgende keer opnieuw start.
WAARSCHUWING
Er kunnen wijzigingen optreden in de rijei-
genschappen van de auto, als de werking
van het systeem wordt beperkt.
Berichten op informatiedisplay
DSTC Tijdelijk UIT
Wegens een te hoge temperatuur van de rem-
schijven gelden er tijdelijk beperkingen voor
het systeem. Het systeem wordt automatisch
opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen
weer voldoende zijn afgekoeld.
DSTC Service vereist
Wegens een storing werd het systeem uitge-
schakeld.
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand
en zet de motor af. Bezoek een werkplaats, als
de melding opnieuw verschijnt nadat u de
motor weer hebt gestart – geadviseerd wordt
een erkende Volvo-werkplaats.
04 Comfort en rijplezier
Rijeigenschappen aanpassen
04
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 167
Actief chassis (FOUR-C)*
Het actieve chassissysteem FOUR-C
(Continously Controlled Chassis Concept)
stemt de eigenschappen van de schokdem-
pers af op de gewenste rijeigenschappen van
de auto. U hebt de keuze uit drie standen:
Comfort, Sport en Advanced.
Comfort
Bij deze stand die wordt geadviseerd voor
lange ritten rijdt de auto comfortabeler dan nor-
maal. De vering verloopt soepel waardoor de
bewegingen van de carrosserie minimaal en
aangenaam zijn.
Sport
Bij deze stand die wordt geadviseerd voor een
actievere rijstijl heeft de auto een sportiever
karakter. De auto reageert sneller op de bewe-
gingen van het stuurwiel dan in de stand
Comfort. De vering is stugger dan normaal en
de carrosserie volgt het wegdek om bij het
snelle bochtenwerk de mate van overhellen te
beperken.
Advanced
U wordt geadviseerd deze stand alleen te acti-
veren op zeer rechte en vlakke wegen.
De bewegingen van de schokdempers zijn
geoptimaliseerd voor maximale grip en mini-
male overhelling in bochten.
Bediening
Chassisstanden.
Gebruik de knoppen op de middenconsole om
van stand te veranderen. De chassisstand die
actief is bij het afzetten van de motor zal de
volgende keer dat u de motor start opnieuw
geactiveerd worden.
Snelheidsafhankelijke
stuurbekrachtiging*
Naarmate de rijsnelheid hoger wordt neemt de
stuurbekrachtiging af, waardoor u een beter
gevoel met de weg krijgt. Op snelwegen stuurt
de auto zwaarder en directer. Bij het parkeren
en op lage snelheden is de auto lichter en met
minder moeite te besturen.
De mate van stuurbekrachtiging is in te stellen
op drie niveaus, zodat u altijd het niveau kunt
vinden dat bij u past qua weggevoel en stuur-
gevoeligheid. Ga naar Instellingen van de
auto Stuurkrachtniveau in het menusys-
teem.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie pagina 126. Dit menu is niet te openen wan-
neer de auto rijdt.
04 Comfort en rijplezier
Cruisecontrol*
04
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 169
op . Het systeem hervat dan de eerder inge-
stelde snelheid.
N.B.
Wanneer u de ingestelde snelheid hebt her-
vat met kan er een duidelijke snelheids-
verhoging optreden.
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
04
174 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G021414
Bereik van de radarsensor (grijs gearceerd).
Soms kan de radarsensor een voertuig op
geringe afstand niet registreren, bijvoor-
beeld als een inhalend voertuig invoegt
tussen u en uw voorligger.
Ook kleine voertuigen, zoals motorfietsen
of voertuigen die niet in het midden van de
rijstrook rijden, kunnen onopgemerkt blij-
ven.
In bochten kan de radarsensor op het ver-
keerde voertuig reageren of een eerder
opgemerkt voertuig uit het zicht verliezen.
Storingen opsporen en verhelpen
Als op het display de melding Radar afgedekt
Zie instructieb. verschijnt, worden de radar-
signalen van de radarsensor gehinderd zodat
voorliggers niet kunnen worden geregistreerd.
Dit betekent dat de adaptieve cruisecontrol, de
afstandscontrole en de Collision Warning with
Auto Brake evenmin werken.
In de onderstaande tabel staan mogelijke oor-
zaken van het verschijnen van de melding en
passende maatregelen.
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
04
``
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 175
Oorzaak Maatregel
Het radaroppervlak van de grille is vuil of bedekt met sneeuw of ijs. Ontdoe het radaroppervlak van de grille van vuil, sneeuw en ijs.
De radarsignalen worden gehinderd door hevige regen- of sneeuwval. Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de radar soms niet.
De radarsignalen worden gehinderd door opspattend water en opdwar-
relende sneeuw van het wegdek.
Valt niets aan te doen. Op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuw werkt de radar soms niet.
De melding blijft ook na schoonmaak van het radaroppervlak staan. Wacht even. Het kan enige minuten duren voordat de radar doorheeft
dat de radarsignalen niet langer worden geblokkeerd.
Symbolen en meldingen op display
Symbool Melding Betekenis
Stand-bystand of geen voertuig ontdekt in actieve stand.
Voertuig ontdekt in actieve stand waarop de adaptieve cruisecontrol uw snelheid afstemt.
Ingestelde volgtijd tijdens regeling.
Ingestelde volgtijd ná regeling.
DSTC inschakelen
voor ACC
De adaptieve cruisecontrol kan alleen worden geactiveerd wanneer het stabiliteits en tractieregel-
systeem (DSTC) ingeschakeld is.
ACC
Gedeactiveerd
De adaptieve cruisecontrol werd uitgeschakeld.
U dient zelf uw snelheid aan te passen.
04 Comfort en rijplezier
Adaptieve cruisecontrol*
04
176 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Symbool Melding Betekenis
ACC
Niet beschikbaar
De adaptieve cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld.
Dit kan onder meer gebeuren wanneer:
•de remmen een hoge temperatuur hebben
•de radarsensor wordt gehinderd door natte sneeuw of regen.
Radar afgedekt
Zie instructieb.
De adaptieve cruisecontrol werkt tijdelijk niet.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren wanneer deze wordt gehinderd door bijvoor-
beeld hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor, zie pagina 173.
ACC
Service vereist
De adaptieve cruisecontrol werkt niet.
Geadviseerd wordt contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
04 Comfort en rijplezier
Park Assist*
04
192 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op
het audiodisplay geven de afstand aan tot een
waargenomen obstakel.
Park Assist is verkrijgbaar in twee varianten:
•Park Assist aan de achterzijde
•Park Assist aan de voor- en achterzijde.
WAARSCHUWING
Hoewel de Hulp bij parkeren handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig bij
eventuele fouten. Wanneer er obstakels in
de dode hoeken van de sensoren zitten, zal
het systeem ze niet kunnen ontdekken.
Houd kinderen en dieren in de buurt van de
auto in de gaten.
Functie
Bij het starten van de motor wordt het systeem
automatisch geactiveerd wat wordt aangege-
ven door het brandende lampje in de Aan/Uit-
knop. Wanneer u Park Assist met deze knop
uitschakelt, dooft het lampje.
Op het display van de middenconsole ver-
schijnt een schematische weergave van de
onderlinge posities van de auto en een even-
tueel obstakel.
Markeringsbalkjes geven aan welke van de vier
sensoren een obstakel heeft waargenomen. De
markeringsbalkjes zijn langer naarmate de
afstand tussen de auto en het waargenomen
obstakel kleiner is.
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, des te sneller volgen de geluids-
signalen elkaar op. Wanneer u ondertussen
naar het audiosysteem luistert, wordt het
volume daarvan tijdelijk verlaagd.
Active
Active
Active
1
2
3
Displayweergave in verschillende situaties.
Displayweergave bij een auto met alleen
sensoren aan de achterzijde. Beide senso-
ren aan de rechterzijde hebben een obsta-
kel waargenomen.
Displayweergave bij een auto met senso-
ren aan voor- en achterzijde. De sensor
rechtsvoor heeft een obstakel waargeno-
men op een afstand van 30 cm of kleiner.
Displayweergave bij een auto met senso-
ren aan voor- en achterzijde. De achteruit-
versnelling is ingeschakeld en er zijn geen
obstakels voor of achter de auto waarge-
nomen.
04 Comfort en rijplezier
BLIS* – Blind Spot Information System
04
198 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Laag staande zon in de camera.
04 Comfort en rijplezier
BLIS* – Blind Spot Information System
04
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 199
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
04
200
Opbergmogelijkheden
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 201
Opbergvak in portierpaneel
Opbergzak* aan de voorkant van de voor-
stoelzittingen
Parkeerkaarthouder
Dashboardkastje
Opbergvakken, bekerhouder
Kledinghaak
Bekerhouder* in armsteun, achterin
Opbergvak
Kledinghaak
De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al
te zware kledingsstukken.
Middenconsole
Opbergvak (bijvoorbeeld voor cd’s),
ingang/aansluiting voor AUX en USB*1 (bij-
voorbeeld iPod) onder de armsteun (en
het aflegvlak*).
Bevat een bekerhouder voor de bestuurder
en een voorpassagier alsmede een 12 V-
aansluiting en een opbergvakje. (Als u voor
een asbak en aansteker hebt gekozen, zit
er een aansteker op de plaats van de 12 V-
aansluiting voorin en een uitneembare
asbak in het opbergvakje.)
Aansteker en asbak*
De asbak in de middenconsole is te verwijde-
ren door deze recht omhoog te tillen.
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de aan-
steker uit de opening en gebruik het roodgloei-
ende deel om bijvoorbeeld een sigaret mee aan
te steken.
Dashboardkastje
Hier kunt u bijvoorbeeld het instructieboekje en
eventuele kaarten opbergen. Aan de binnen-
kant van de klep zit een houders voor pennen.
Het dashboardkastje kan worden vergrendeld
met behulp van het sleutelblad, zie pagina 46.
1Bij auto’s met RSE* zit de USB-aansluiting op een andere locatie, zie pagina 144.
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
04
202 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Vloermatten*
Volvo biedt vloermatten die speciaal vervaar-
digd zijn.
WAARSCHUWING
Zorg dat de vloermat voor de bestuurders-
stoel goed in de bevestigingsklemmen op
de vloer vastzit om te voorkomen dat de mat
kan gaan glijden en achter of onder de
pedalen blijft haken.
Make-upspiegel
G021438
Make-upspiegel met verlichting.
De verlichting van de make-upspiegel (aan res-
pectievelijk de bestuurderszijde* en de passa-
gierszijde) wordt bij het openen en sluiten van
het klepje in- en uitgeschakeld.
12 V-aansluiting
G021439
12V-aansluiting in middenconsole, voorin.
G021440
12V-aansluiting in middenconsole, achterin.
U kunt de elektrische aansluiting voor verschil-
lende accessoires gebruiken die op een span-
ning van 12 V werken, zoals een mobiele tele-
foon of koelbox. U kunt maximaal 10 A via de
aansluiting afnemen. De transpondersleutel
moet ten minste in sleutelstand I staan, anders
geeft de aansluiting geen stroom, zie
pagina 75.
WAARSCHUWING
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten als
u deze niet gebruikt.
Elektrische aansluiting in bagageruimte*
G017825
Open het klepje om bij de elektrische aanslui-
ting te komen. De aansluiting werkt ook wan-
neer de transpondersleutel niet in het contact-
slot steekt.
04 Comfort en rijplezier
Interieurcomfort
04
203
N.B.
Let erop dat u de aansluiting niet gebruikt
wanneer de motor is afgezet, omdat anders
het risico bestaat dat de accu uitgeput
raakt.
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
04
204 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie
Systeemoverzicht.
Mobiele telefoon
Microfoon
Toetsenset op stuurwiel
Middenconsole
BluetoothTM
Een mobiele telefoon met BluetoothTM is
draadloos aan te sluiten op het audiosysteem.
Het audiosysteem werkt dan als handsfree en
biedt u de mogelijkheid om enkele functies van
uw mobiele telefoon op afstand te bedienen. U
kunt de mobiele telefoon via de knoppen op de
telefoon bedienen of de telefoon nu aangeslo-
ten is of niet.
N.B.
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel met de handsfree-functie van
het audiosysteem. Volvo adviseert u con-
tact op te nemen met een erkende Volvo-
werkplaats of www.volvocars.com te
bezoeken voor informatie over compatibele
telefoons.
Telefoonfuncties, overzicht
bedieningstoetsen
Bedieningspaneel op middenconsole.
VOLUME – De toetsenset op het stuurwiel
biedt dezelfde functie.
Cijfer- en lettertoetsen
PHONE – Aan/uit en stand-by
Navigatietoets
EXIT - Telefoongesprekken beëindigen/
weigeren, ingevoerde tekens wissen,
actieve functie annuleren. De toetsenset
op het stuurwiel biedt dezelfde functie.
ENTER – Gesprek aannemen. Met een
druk op de toets ziet u de laatst gekozen
nummers. De toetsenset op het stuurwiel
biedt dezelfde functie.
Beknopte bedieningsinstructies
U regelt de menufuncties vanaf de middencon-
sole of via de toetsenset op het stuurwiel. Voor
algemene informatie over de menufuncties, zie
pagina 126.
Activeren/deactiveren
Wanneer u kort op PHONE drukt, activeert u
de handsfree-functie. De melding
TELEFOON boven aan het display geeft aan
dat het systeem in de telefoonstand staat. Het
symbool geeft aan dat de handsfree-
functie actief is.
Wanneer u PHONE lang indrukt, deactiveert u
de handsfree-functie en koppelt u een aange-
sloten telefoon los.
Mobiele telefoon aansluiten
Hoe u een mobiele telefoon aansluit hangt af
van de vraag of dezelfde mobiele telefoon al
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
04
``
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 205
dan niet eerder aangesloten was. Als het de
eerste keer is dat u de mobiele telefoon aan-
sluit, dan moet u de onderstaande instructies
volgen:
Alternatief 1 – via het menusysteem van de
auto
1. Maak de mobiele telefoon identificeerbaar/
zichtbaar via BluetoothTM (zie daarvoor de
gebruiksaanwijzing bij de mobiele telefoon
of www.volvocars.com).
2. Activeer de handsfree-functie met
PHONE.
>De menu-optie Telefoon toevoegen
verschijnt op het display. Als u al eerder
een of meer mobiele telefoons hebt
geregistreerd, worden ook deze weer-
gegeven.
3. Kies Telefoon toevoegen.
> Het audiosysteem zoekt naar mobiele
telefoons in de nabije omgeving. Er
wordt ongeveer 30 seconden gezocht.
De gevonden mobiele telefoons ver-
schijnen met hun BluetoothTM-naam op
het display. De handsfree-functie ver-
schijnt onder de BluetoothTM-naam My
Car op de mobiele telefoon.
4. Kies een van de mobiele telefoons op het
display van het audiosysteem.
5. Voer via het toetsenblok van de te regis-
treren mobiele telefoon de cijfercode in die
op het display van het audiosysteem staat.
Alternatief 2 – via het menusysteem van de
telefoon
1. Activeer de handsfree-functie met
PHONE. Schakel een eventueel eerder
aangesloten telefoon uit.
2. Zoek met de BluetoothTM-functie van de
mobiele telefoon (zie gebruiksaanwijzing
bij de mobiele telefoon).
3. Kies My Car in de lijst met gevonden een-
heden op uw mobiele telefoon.
4. Voer de pincode ‘1234’ in op uw mobiele
telefoon, als er om de pincode wordt
gevraagd.
5. Kies voor aansluiting op My Car vanaf de
mobiele telefoon.
De mobiele telefoon wordt vervolgens geregis-
treerd en automatisch aangesloten op het
audiosysteem, terwijl de melding Bezig met
synchr. op het display staat. Voor meer infor-
matie over het registreren van mobiele tele-
foons, zie pagina 207.
Wanneer er een aansluiting tot stand gebracht
is, verschijnen het symbool en de
BluetoothTM-naam op het display. U kunt de
mobiele telefoon vervolgens bedienen via het
audiosysteem.
Bellen
1. Controleer of de melding TELEFOON
boven aan het display staat en of het sym-
bool zichtbaar is.
2. Voer het gewenste nummer in of gebruik
het telefoonboek, zie pagina 207.
3. Druk op ENTER.
U beëindigt het gesprek met EXIT.
Mobiele telefoon uitschakelen
De mobiele telefoon wordt automatisch losge-
koppeld, als de telefoon buiten het bereik van
het audiosysteem komt. Voor meer informatie
over de aansluiting, zie pagina 207.
U kunt een aansluiting handmatig verbreken
wanneer u de handsfree-functie deactiveert
door PHONE lang in te drukken. De handsfree-
functie wordt eveneens gedeactiveerd bij het
afzetten van de motor of het openen van een
portier1.
1Alleen Keyless drive.
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
04
206 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Wanneer de mobiele telefoon is losgekoppeld,
kunt u een eventueel lopend gesprek voortzet-
ten via de ingebouwde microfoon en luidspre-
ker van de mobiele telefoon.
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons moet u om
over te schakelen van de handsfree op de
handset eerst ter bevestiging op het toet-
senblok van de mobiel drukken.
Gespreksfuncties
Inkomend gesprek
U neemt een gesprek aan met ENTER, ook al
staat het audiosysteem in bijvoorbeeld de
stand CD of FM. Met EXIT kunt u een gesprek
weigeren of beëindigen.
Automatisch antwoord
Met de functie Automatisch antwoord is het
mogelijk gesprekken automatisch te beant-
woorden.
±Activeer/deactiveer de functie onder
Telefooninstellingen Gespreksopties
Automatisch antwoord.
Menu tijdens gesprek
Druk tijdens een gesprek op MENU of op
ENTER om toegang te krijgen tot de volgende
functies:
•Microfoon dempen – Microfoon van het
audiosysteem uitschakelen.
•Gesprek naar mobiel – Gesprek door-
schakelen naar de mobiele telefoon.
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons wordt de
aansluiting verbroken bij gebruik van de
ruggespraakfunctie (dempen). Dit is volko-
men normaal. De handsfree-functie stelt
vervolgens de vraag of u opnieuw wilt aan-
sluiten.
•Telefoonboek – In het telefoonboek van
de mobiele telefoon zoeken.
N.B.
Tijdens een lopend gesprek is het niet
mogelijk een tweede gesprek te beginnen.
Audio-instellingen
Tel.-gespreksvol.
U kunt het gespreksvolume bijregelen wanneer
de handsfree-functie in de telefoonstand staat.
Maak gebruik van de toetsenset op het stuur-
wiel of van VOLUME.
Volume audiosysteem
Zolang er geen telefoongesprek wordt
gevoerd, kunt u het volume van het audiosys-
teem op de gebruikelijke wijze bijregelen met
VOLUME. Om het volume van het audiosys-
teem echter tijdens een lopend telefoonge-
sprek bij te regelen moet u eerst overschakelen
op een van de geluidsbronnen.
Het is mogelijk de weergave van de actieve
geluidsbron te onderdrukken bij inkomende
telefoongesprekken onder
Telefooninstellingen Geluiden en volume
Radio dempen.
Beltoonvolume
Ga naar Telefooninstellingen Geluiden en
volume Beltoonvolume en stel bij met /
van de navigatietoets.
Belsignalen
U kunt een van de ingebouwde beltonen van
de handsfree-functie kiezen onder
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 207
Telefooninstellingen Geluiden en volume
Belsignalen Belsignaal 1, 2, 3 enz.
N.B.
Ook bij gebruik van een van de ingebouwde
beltonen van het handsfree-systeem, zijn de
beltonen van de aangesloten mobiele tele-
foon nog altijd hoorbaar.
Ga om de beltonen2 van de aangesloten tele-
foon te gebruiken naar Telefooninstellingen
Geluiden en volume Belsignalen
Gebruik signaal mob. tel.
Meer informatie over registratie en
aansluiting
Er kunnen maximaal vijf mobiele telefoons wor-
den geregistreerd. U hoeft een mobiele tele-
foon slechts eenmaal te registreren. Wanneer
een mobiele telefoon eenmaal geregistreerd is,
hoeft deze niet langer zichtbaar/identificeer-
baar te zijn. U kunt slechts één mobiele tele-
foon tegelijk aansluiten. Het is mogelijk de regi-
stratie van een telefoon te verwijderen onder
Bluetooth Telefoon verwijderen.
Automatische aansluiting
Wanneer de handsfree-functie actief is en de
laatst aangesloten mobiele telefoon binnen het
bereik ligt, wordt deze telefoon automatisch
opnieuw aangesloten. Terwijl het audiosys-
teem op zoek is naar de laatst aangesloten
telefoon staat de naam van deze telefoon op
het display. Druk op EXIT om handmatig een
andere telefoon aan te sluiten.
Handmatige aansluiting
Ga als volgt te werk, als u in plaats van de laatst
aangesloten mobiele telefoon een nieuwe
mobiele telefoon wilt aansluiten of wilt over-
schakelen op een andere eerder aangesloten
mobiele telefoon:
1. Zet het audiosysteem in de telefoonstand.
2. Druk op PHONE en kies een van de tele-
foons in de lijst.
Aansluiting is ook mogelijk via het menusys-
teem onder Bluetooth Telefoon
aansluiten of Telefoon wijzigen.
Telefoonboek
Voor alle telefoonboekfuncties geldt dat de
melding TELEFOON boven aan het display
moet staan en dat het symbool zichtbaar
moet zijn.
Het audiosysteem slaat van elk van de geregi-
streerde mobiele telefoons een kopie van het
telefoonboek op. Het telefoonboek wordt bij
iedere aansluiting automatisch naar het audio-
systeem gekopieerd.
±U kunt de functie deactiveren onder
Telefooninstellingen Telefoonboek
synchr.. Bij het zoeken van contacten
werkt u alleen met het telefoonboek van de
aangesloten mobiele telefoon.
N.B.
Als de mobiele telefoon geen ondersteuning
biedt voor het kopiëren van het telefoon-
boek, verschijnt na afloop van het kopiëren
de melding Lijst is leeg.
Als het telefoonboek de contactgegevens
bevat van de persoon die belt, verschijnen
deze op het display.
2Niet ondersteund door alle mobiele telefoons.
04 Comfort en rijplezier
Bluetooth handsfree*
04
208 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Contacten zoeken
U kunt het eenvoudigst naar bepaalde gege-
vens in het telefoonboek zoeken door de knop-
pen 2–9 lang in te drukken. Het telefoonboek
wordt dan doorzocht op posten die beginnen
met de eerste letter van de ingedrukte toets.
Het telefoonboek is eveneens te bereiken met
/ van de navigatietoets of met /
van de toetsenset op het stuurwiel. U een zoek-
opdracht tevens starten vanuit het zoekmenu
van het telefoonboek onder Telefoonboek
Zoeken:
1. Voer de eerste letter in van het contact dat
u zoekt en druk op ENTER of druk meteen
op ENTER.
2. Ga naar het contact van uw keuze en druk
op ENTER om het bijbehorende nummer
te bellen.
Spraakherkenning
U kunt gebruik maken van de spraakherken-
ningsfunctie (voice tags) van de mobiele tele-
foon door ENTER ingedrukt te houden.
Voicemail-nummer
U kunt het voicemail-nummer wijzigen onder
Telefooninstellingen Gespreksopties
Voicemail-nummer. Als er nog geen nummer
opgeslagen is, kunt u het bijbehorende menu
openen door lang op 1 te drukken. Druk ver-
volgens lang op 1 om het ingevoerde nummer
te gebruiken.
Gesprekslijsten
De gesprekslijsten worden bij iedere nieuwe
aansluiting naar de handsfree-functie gekopi-
eerd en worden vervolgens tijdens de aanslui-
ting bijgehouden. Druk op ENTER om de laatst
gebelde nummers te bekijken. De overige
gesprekslijsten staan onder Oproepregister.
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons wordt de lijst
met gebelde nummers in omgekeerde volg-
orde weergegeven.
Tekst invoeren
Met de toetsenset op de middenconsole kunt
u tekst invoeren. Druk eenmaal om het eerste
teken op de toets in te voeren, tweemaal om
het tweede teken in te voeren enz. (zie navol-
gende tabel).
Bij kort indrukken van EXIT wist u het laatst
ingevoerde teken. Bij lang indrukken van
EXIT wist u alle ingevoerde tekens. Gebruik
/ van de navigatietoets om de verschil-
lende tekens te doorlopen.
Toets Functie
Spatie . 1 - ? ! , : " ' ( )
A B C 2 Ä Å À Æ Ç
D E F 3 È É
G H I 4 Ì
J K L 5
M N O 6 Ñ Ö Ò Ø
P Q R S 7 ß
T U V 8 Ü Ù
W X Y Z 9
Kort indrukken om twee tekens
op dezelfde toets na elkaar in te
voeren.
+ 0 @ * # & $ £ / %
Wisselen tussen hoofdletters en
kleine letters
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
04
210 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Beëindig een gesprek met EXIT of leg de hand-
set op. Weiger een gesprek met EXIT.
Automatisch antwoord
Zie pagina 206.
Wisselgesprek
Deze functie maakt het mogelijk om tijdens een
lopend gesprek een nieuw gesprek aan te
nemen. U kunt het nieuwe gesprek op de
gebruikelijke manier aannemen waarbij het
lopende gesprek in de wacht gezet wordt.
±Activeer/deactiveer de functie onder
Telefooninstellingen Gespreksopties
Wisselgesprek.
Automatisch doorschakelen
Inkomende gesprekken kunnen automatisch
worden doorgeschakeld afhankelijk van het
gesprekstype en de situatie waarin ze zich aan-
dienen.
±Activeer/deactiveer de functie onder
Gespreksopties Omleidingen.
Tijdens lopende gesprekken
Druk tijdens een gesprek op MENU of op
ENTER om het gespreksmenu te openen.
Bellen
1. Zet het lopende gesprek in de wacht onder
Wacht.
2. Voer het nummer van de derde partij in of
maak gebruik van de menu-optie
Telefoonboek.
Wissel van gesprekspartner met de menu-
optie Verwisselen.
Tel. vergadering
Bij een conferentiegesprek (telefonische ver-
gadering) zijn minstens drie gesprekspartners
betrokken. U kunt tijdens een wisselgesprek
waarbij er een gesprek in de wacht staat een
conferentiegesprek starten. Met de menu-
optie Deelnemen start u het conferentiege-
sprek.
Bij het afsluiten van een conferentiegesprek
worden alle lopende gesprekken beëindigd.
Wisselen tussen handset en handsfree
Schakel over van handsfree op de handset
door de handset op te nemen of voor te kiezen
in het menu.
Schakel van de handset over op handsfree
door in het menu te kiezen voor Handsfree.
Ruggespraakstand
Bij gebruik van de ruggespraakstand wordt de
microfoon gedeactiveerd, zie pagina 209.
±Activeer/deactiveer de microfoon met de
menu-optie Microfoon aan/uit.
Audio-instellingen
Tel.-gespreksvol.
De telefoon maakt gebruik van de luidsprekers
in de voorportieren. U kunt het gespreksvo-
lume bijregelen, wanneer de tekst
TELEFOON boven aan het display staat.
±Maak gebruik van de toetsenset op het
stuurwiel of van VOLUME.
Volume audiosysteem
Zie pagina 145.
Signalen en volume
U kunt het belsignaal wijzigen onder
Telefooninstellingen Geluiden en volume
Belsignalen.
U kunt de pieptoon bij bericht activeren/deac-
tiveren onder Telefooninstellingen
Geluiden en volume Pieptoon bij bericht.
Het beltoonvolume regelt u onder
Telefooninstellingen Geluiden en volume
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
04
``
*Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 211
Beltoonvolume. Stel bij met / van de
navigatietoets.
Telefoonboek
Contactgegevens kunnen op de simkaart of in
het telefoongeheugen worden vastgelegd.
Contacten vastleggen in telefoonboek
1. Druk op MENU en ga naar Telefoonboek
Nieuwe contactpersoon.
2. Voer een naam in en druk op ENTER. Zie
onder voor informatie over het invoeren
van tekst.
3. Voer een nummer in en druk op ENTER.
4. Ga naar SIM-kaart of
Telefoongeheugen en druk op ENTER.
Tekst invoeren
Zie pagina 208.
Contacten zoeken
Zie pagina 208.
Contacten verwijderen
U kunt een contact uit het telefoonboek ver-
wijderen door de naam van de persoon te mar-
keren en op ENTER te drukken. Ga vervolgens
naar Wissen en druk op ENTER.
U kunt alle contacten verwijderen onder
Telefoonboek SIM wissen of Telefoon
wissen.
Kopiëren tussen simkaart en
telefoonboek
Ga naar Telefoonboek Alles kopiëren
SIM naar telefoon of Telefoon naar SIM en
druk op ENTER.
Voicemail-nummer
Zie pagina 208.
Overige functies en instellingen
IDIS
IDIS (Intelligent Drive Information System) kan
in veeleisende rijsituaties de beltonen van inko-
mende telefoongesprekken pas na enige ver-
traging doorgeven of helemaal onderdrukken.
Op die manier kunt u de aandacht bij het ver-
keer houden.
±IDIS is uit te schakelen onder
Telefooninstellingen IDIS.
Berichten lezen
1. Ga naar Berichten Lezen en druk op
ENTER.
2. Ga naar het bericht van uw keuze en druk
op ENTER.
3. De inhoud van het bericht verschijnt op het
display. Wanneer u nogmaals op ENTER
drukt, verschijnen meer opties.
Berichten schrijven en verzenden
1. Ga naar Berichten Nieuw bericht
schrijven en druk op ENTER.
2. Schrijf de tekst en druk op ENTER. Voor
informatie over het invoeren van tekst, zie
pagina 208.
3. Ga naar Verzenden en druk op ENTER.
4. Voer een telefoonnummer in en druk op
ENTER.
Berichtinstellingen
De berichtinstellingen hoeft u normaal gespro-
ken niet te wijzigen. Uw netwerkprovider kan u
meer informatie verstrekken over deze instel-
lingen. Onder Berichten
Berichtinstellingen hebt u de keuze uit drie
opties:
•SMSC-nummer - Geeft het nummer van
de berichtencentrale aan die de berichten
moet doorgeven.
•Geldigheidsduur - Geeft aan hoe lang de
berichtencentrale een bericht moet bewa-
ren.
•Type bericht.
04 Comfort en rijplezier
Geïntegreerde telefoon*
04
212 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gesprekslijsten
Onder Oproepregister worden lijsten
bewaard met de ingekomen, uitgaande en
gemiste oproepen. U kunt de uitgaande
gesprekken ook bekijken door te drukken op
ENTER. De telefoonnummers op de lijsten zijn
vast te leggen in het telefoonboek.
Gespreksduur
De gespreksduur wordt vastgelegd onder
Oproepregister Gespreksduur.
±Reset de waarden onder Oproepregister
Gespreksduur Reset timers.
Eigen nummer tonen/verbergen
Het is mogelijk de weergave van uw eigen tele-
foonnummer tijdelijk te blokkeren onder
Gespreksopties Verzend mijn nummer.
IMEI-nummer
Om de telefoon te kunnen blokkeren moet u het
IMEI-nummer van de telefoon aan uw provider
hebben doorgegeven.
±Toets *#06# op uw telefoon in om het num-
mer op het display te zien. Noteer dit num-
mer en bewaar het op een veilige plaats.
Netwerkselectie
U kunt de telefoon automatisch een netwerk
laten kiezen of handmatig een bepaald netwerk
kiezen onder Telefooninstellingen
Netwerkselectie.
Code en beveiliging simkaart
Door een pincode in te stellen voor de simkaart
kunt u voorkomen dat onbevoegden gebruik
kunnen maken van uw simkaart.
U wijzigt de code onder Telefooninstellingen
PIN-code bewerken.
U wijzigt het beveiligingsniveau onder
Telefooninstellingen SIM-beveiliging.
De optie Aan levert het hoogste beveiligings-
niveau op. U moet dan iedere keer dat u de
telefoon inschakelt opnieuw de pincode invoe-
ren.
De optie Automatisch is het op een na hoog-
ste beveiligingsniveau. De telefoon onthoudt
de pincode dan en voert deze bij het inscha-
kelen van de telefoon automatisch in. Bij
gebruik van de simkaart in een andere telefoon,
moet de code echter wel handmatig worden
ingevoerd.
De optie Uit staat voor het laagste beveili-
gingsniveau. De simkaart is dan helemaal zon-
der code te gebruiken.
Fabrieksinstellingen herstellen
Het is mogelijk alle fabrieksinstellingen van de
telefoon te herstellen onder
Telefooninstellingen Reset Telefooninst.
Simkaart aanbrengen
G021450G021451
214 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Rijadviezen............................................................................................ 216
Tanken.................................................................................................. 218
Brandstof.............................................................................................. 219
Lading vervoeren.................................................................................. 223
Bagageruimte........................................................................................ 226
Gevarendriehoek*................................................................................. 231
Rijden met een aanhanger.................................................................... 232
Slepen en bergen.................................................................................. 238
05 Tijdens het rijden
Tanken
05
218
Tanken
Tankvulklep openen/sluiten
Open de tankvulklep met de knop op het ver-
lichtingspaneel. De vulklep zit in het rechter
achterspatbord, zoals de pijl in het symbool
op het informatiedisplay al aangeeft.
Sluit de klep door deze dusdanig in te drukken
dat u een klik hoort.
Tankdop open-/dichtdraaien
WARNING!
AVERTISSEMENT!
ACHTUNG!
G021395
Bij hoge buitentemperaturen kan er een
bepaalde mate van overdruk in de brandstof-
tank ontstaan. Draai de tankdop dan langzaam
open.
Breng na het tanken de tankdop weer aan en
draai deze zo ver dicht dat u één of meer klik-
ken hoort.
Brandstof tanken
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na
de eerste afslag uit de vulopening te halen.
N.B.
Een te volle tank kan bij warm weer overlo-
pen.
Tankvulklep handmatig openen
De tankvulklep kan handmatig worden
geopend, als openen met de schakelaar in de
passagiersruimte niet mogelijk is.
1. Open het zijluikje in de bagageruimte (aan
de kant van de tankvulklep).
2. Zoek de groene kabel met handgreep op.
3. Trek deze recht naar achteren totdat de
tankvulklep met een duidelijke klik wordt
geopend.
05 Tijdens het rijden
Brandstof
05
220
De katalysatoren bestaan uit een monoliet
(keramiek of metaal) met kanalen. De wanden
van de kanalen zijn bekleed met platina/
rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben
een katalytische werking, d.w.z. ze versnellen
een chemische reactie zonder dat ze daar zelf
actief aan deelnemen.
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
De lambdasonde maakt deel uit van het regel-
systeem dat tot taak heeft de uitstoot te beper-
ken en de energie-inhoud van de brandstof
beter te benutten.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofge-
halte van de uitlaatgassen die de motor verla-
ten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische sys-
teem dat continu de injectoren afregelt. Het
lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt,
wordt continu bijgesteld. De regeling schept de
ideale omstandigheden voor een effectieve
verbranding van de schadelijke stoffen (kool-
waterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden)
in de driewegkatalysator.
Bio-ethanol (E 85)
Breng geen wijzigingen aan in het brandstof-
systeem of de onderdelen daarvan en vervang
ze evenmin door componenten die niet speci-
aal geconstrueerd zijn voor gebruik in combi-
natie met bio-ethanol.
WAARSCHUWING
Het gebruik van methanol is niet toege-
staan. De sticker aan de binnenkant van de
tankvulklep geeft de juiste soort alternatieve
brandstof aan.
Het gebruik van onderdelen die niet
bestemd zijn voor bio-ethanolmotoren kan
brand, lichamelijk letsel of motorschade
veroorzaken.
Jerrycan
Giet een jerrycan in de auto vol met benzine,
zie pagina 105.
WAARSCHUWING
Ethanol is gevoelig voor vonkvorming en er
kunnen explosieve dampen ontstaan in een
jerrycan die met ethanol gevuld wordt.
Dieselolie
De dieselolie moet voldoen aan de norm NEN-
EN 590 of JIS K2204. Dieselmotoren zijn
gevoelig voor verontreinigingen zoals een te
hoog gehalte aan zwaveldeeltjes. Maak alleen
gebruik van dieselolie van gerenommeerde
oliemaatschappijen. Giet nooit dieselolie van
twijfelachtige kwaliteit in de tank.
Bij lage temperaturen (–6°C tot –40°C) kan de
paraffine in de dieselolie uitvlokken. Dit kan tot
startproblemen leiden. De grote oliemaat-
schappijen produceren speciale dieselolie
bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen
rond het vriespunt. Deze dieselolie is dunner bij
lage temperaturen en beperkt de kans op vlok-
vorming in het brandstofsysteem.
De kans op condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld
houdt. Houd tijdens het tanken het gebied rond
de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op
gelakte oppervlakken. Maak als u gemorst
hebt het gebied met water en zeep schoon.
BELANGRIJK
Het is alleen toegestaan brandstof te
gebruiken die voldoet aan de Europese
norm voor dieselolie.
Het zwavelgehalte mag maximaal 50 ppm
zijn.
05 Tijdens het rijden
Brandstof
05
``
221
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende diesel-
olie-achtige brandstoffen:
•speciale toevoegingen (dopes)
•scheepsolie
•stookolie
•RME
1 (koolzaadmethylester) of plant-
aardige olie.
Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan de
kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven aan-
leiding tot verhoogde vormen van slijtage en
motorschade die niet worden gedekt door
de garanties van Volvo.
Wanneer u de tank leegrijdt
Na motoruitval door brandstofgebrek heeft het
brandstofsysteem enige tijd nodig om een con-
trole uit te voeren. Doe in dat geval het vol-
gende voordat u de motor start:
1. Vul de brandstoftank met minstens 5 liter
dieselolie.
2. Steek de transpondersleutel in het con-
tactslot en druk licht op de sleutel zodat
deze verder naar binnen wordt getrokken
(zie pagina 75).
3. Druk op de START-knop zonder rem- en/
of koppelingspedaal te bedienen.
4. Wacht ca. 1 minuut.
5. Om de motor te starten: Bedien rem- en/of
koppelingspedaal en druk nogmaals op de
START-knop.
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Het brandstoffilter ontdoet de brandstof van
condenswater. Condenswater kan anders aan-
leiding geven tot motorstoringen.
Houd u voor het aftappen van het condenswa-
ter aan de specificaties die in uw Service- en
garantieboekje staan aangegeven. Ook wan-
neer u vermoedt dat er vervuilde brandstof is
gebruikt, moet u het brandstoffilter aftappen.
BELANGRIJK
Sommige speciale toevoegingen verwijde-
ren het verzamelde vocht uit het brandstof-
filter.
Roetfilter dieselmotor (DPF)
Dieselmodellen zijn uitgerust met een roetfilter,
waardoor een nog efficiëntere uitlaatgasreini-
ging mogelijk is. Onder normale rijomstandig-
heden blijven de roetdeeltjes uit de uitlaatgas-
sen in het filter achter. Om de roetdeeltjes te
verbranden en het filter te legen wordt een
zogeheten regeneratie gestart. Daarvoor moet
de motor de normale bedrijfstemperatuur heb-
ben.
Afhankelijk van de rijomstandigheden wordt
het filter om de 300–900 kilometer geregene-
reerd. De regeneratie duurt normaal
10–20 minuten. Bij een lage gemiddelde snel-
heid kan dit iets langer duren. Gedurende de
regeneratie kan het brandstofverbruik iets stij-
gen.
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor niet voldoende op temperatuur.
Dit betekent dat het roetfilter niet geregene-
reerd en niet geleegd wordt.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeel-
tjes gevuld is, licht de oranje waarschuwings-
driehoek op het instrumentenpaneel op en ver-
schijnt de melding Roetfilter vol Zie
instructieb. op het display van het instrumen-
tenpaneel.
U start de regeneratie van het filter door met de
auto op een secundaire weg of op een snelweg
te rijden tot de motor voldoende op tempera-
tuur is gekomen. Daarna rijdt u nog ca.
20 minuten verder.
Wanneer het filter geregenereerd is, wordt de
waarschuwingsmelding automatisch gewist.
1Dieselolie kan een bepaalde hoeveelheid RME bevatten. Het is niet toegestaan meer toe te voegen.
05 Tijdens het rijden
Brandstof
05
222 *Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gebruik bij koud weer de standverwarming*
zodat de motor sneller op bedrijfstemperatuur
komt.
BELANGRIJK
Als het filter helemaal met roetdeeltjes
gevuld is, vertoont de motor soms startpro-
blemen. Het filter is dan onbruikbaar gewor-
den. Het is in dat geval mogelijk dat u het
filter moet vervangen.
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
Het gebruik van extra accessoires kan de ver-
bruikscijfers beïnvloeden, omdat de accessoi-
res het gewicht van de auto verhogen. Zie de
informatie over gewichten op pagina 291 en
de tabel op pagina 302.
Ook de rijstijl en andere niet-technische facto-
ren kunnen van invloed zijn op het brandstof-
verbruik.
Bij gebruik van brandstof met een octaangetal
van 91(RON), neemt het brandstofverbruik toe
terwijl het motorvermogen lager wordt.
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, gebruik
van een aanhanger of ritten op grote hoogte
kan, afhankelijk van de gebruikte brandstof-
kwaliteit, het prestatievermogen van de
auto te wensen overlaten.


Product specificaties

Merk: Volvo
Categorie: Personenwagen
Model: V70 -2010

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Volvo V70 -2010 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden




Handleiding Personenwagen Volvo

Handleiding Personenwagen

Nieuwste handleidingen voor Personenwagen

Kia

Kia Cee-d Handleiding

16 Oktober 2023
Kia

Kia Carens 1 Handleiding

16 Oktober 2023
Kia

Kia Carens II Handleiding

16 Oktober 2023
Audi

Audi A1 Handleiding

5 Oktober 2023
Audi

Audi Q3 Handleiding

5 Oktober 2023
Audi

Audi S3 Handleiding

5 Oktober 2023