Lancia Thesis Handleiding
Lancia
Personenwagen
Thesis
Lees hieronder de 📖 handleiding in het Nederlandse voor Lancia Thesis (382 pagina's) in de categorie Personenwagen. Deze handleiding was nuttig voor 47 personen en werd door 2 gebruikers gemiddeld met 4.5 sterren beoordeeld
Pagina 1/382

LANCIA
Instructieboekje
De gegevens in deze publicatie zijn uitsluitend indicatief bedoeld. LANCIA behoudt zich het recht voor op elk moment de in dit boekje beschreven modellen
om technische of commerciële redenen te wijzigen. Voor de laatste informatie hieromtrent kunt u zich tot de Lancia-dealer wenden.
Gedrukt op chloorvrij milieuvriendelijk papier.
Fiat Auto Nederland B.V.
Eindredactie Satiz - Turijn
Omslag Thesis nw.:Omslag Thesis nw. 12-01-10 13:52 Pagina 1
603.45.372 NL

2.0 TB 2.4 2.4 AUT. 2.4 JTD 3.0 V6 AUT.
Inhoud brandstoftank liter
Reserve liter
De benzinemotoren zijn uitsluitend geschikt voor loodvrije benzine met een minimum octaangetal van 95 RON.
De dieselmotoren zijn uitsluitend geschikt voor dieselbrandstof voor motorvoertuigen (specificatie EN590).
2.0 TB 2.4 2.4 AUT. 2.4 JTD 3.0 V6 AUT.
Motorolie (hoeveelheid voor
periodieke verversing -
carter en oliefilter) liter
#Verontreinig het milieu niet met afgewerkte olie.
WEGWIJS IN UW AUTO
Veilig en milieu-bewust rijden .............. 2
Signalen correct gebruik van de auto .... 6
Symbolen.............................................. 7
Inhoud ................................................. 11
Dashboard ........................................... 12
Telematica-infosysteem CONNECT ...... 14
Start-/contactslot ................................. 24
Lancia CODE ...................................... 26
Diefstalalarm ....................................... 39
Easy Entry/Exit ................................... 43
Herkenningssysteem
(Keyless System) .................................. 44
Portieren .............................................. 55
Zitplaatsen voor ................................... 60
Zitplaatsen achter ................................ 66
Stuurwiel ............................................. 70
Achteruitkijkspiegel ............................. 70
Elektrische ruitbediening ..................... 73
Veiligheidsgordels ................................. 76
Kinderen veilig vervoeren ..................... 81
Airbags voor en zij-airbags ................... 87
Bedieningsschakelaar buitenverlichting en
hendels aan het stuur ........................... 97
Instrumentenpaneel ............................. 105
Instrumenten ....................................... 107
Controlelampjes en meldingen op het instru-
mentenpaneel ....................................... 115
Klimaatregeling ................................... 142
Airconditioning, automatisch ............... 146
Hulpverwarming .................................. 162
Bedieningsknoppen .............................. 172
Handgeschakelde versnellingsbak ......... 179
Elektronisch geregelde autom. versnellings -
bak (COMFORTRONIC) ...................... 180
ESP en ASR ......................................... 189
Cruise-control (snelheidsregelaar) ........ 194
Adaptieve cruise-control (ACC) ............ 197
Parkeersensor ...................................... 203
Interieuruitrusting ................................ 208
Opendak met zonnecellen ..................... 218
Bagageruimte ....................................... 223
Motorkap ............................................. 233
Dop van brandstoftank ......................... 234
Imperiaal/skidrager ............................. 236
Koplampen .......................................... 237
EOBD-SYSTEEM
(benzine-uitvoeringen) ......................... 240
ABS ..................................................... 241
Autoradio ............................................ 243
GEBRUIK VAN DE AUTO
EN PRAKTISCHE TIPS
Motor starten ....................................... 246
Motor uitzetten .................................... 250
Veilig rijden ......................................... 250
Kostenbesparing en beperking van
uitstoot van schadelijke uitlaatgassen ... 256
Economisch en
milieubewust rijden .............................. 258
Trekken van aanhangers ...................... 260
Winterbanden ...................................... 263
Sneeuwkettingen .................................. 264
Auto langere tijd stallen ....................... 265
Nuttige accessoires ................................ 266
NOODGEVALLEN
Noodstart ............................................. 267
Starten met een hulpaccu ..................... 268
Rollend starten ..................................... 269
Een lekke band .................................... 270
Wiel verwisselen ................................... 271
Een gloeilamp vervangen ..................... 275
Defecte buitenverlichting ...................... 279
Defecte interieurverlichting .................. 290
Een doorgebrande zekering .................. 295
Accu loskoppelen.................................. 305
Een lege accu ....................................... 307
Het slepen van de auto ......................... 308
Het opkrikken van de auto ................... 310
Bij een ongeval ..................................... 311
ONDERHOUD VAN DE AUTO
Geprogrammeerd onderhoud ................ 313
Onderhoudsschema .............................. 314
Jaarlijks inspectieschema ...................... 316
Aanvullende werkzaamheden ............... 317
Niveaus controleren............................... 320
Luchtfilter ........................................... 329
Dieselfilter (uitvoeringen 2.4 JTD) ....... 329
Stof-/pollenfilter .................................. 330
Accu .................................................... 330
Elektronische regeleenheden ................. 334
Bougies ................................................ 334
Wielen en banden ................................. 335
Rubber slangen .................................... 337
Ruitenwissers ....................................... 337
Koplampsproeiers ................................ 339
Airconditioning .................................... 339
Carrosserie ........................................... 340
Interieur ............................................... 342
TECHNISCHE GEGEVENS
Identificatiegegevens ............................ 344
Motorcodes - Carrosserie-uitvoeringen .. 345
Motor ................................................... 346
Inspuiting - ontsteking ......................... 347
Transmissie........................................... 348
Remmen ............................................... 348
Wielophanging ..................................... 349
Stuurinrichting ..................................... 350
Wielen................................................... 351
Prestaties .............................................. 354
Afmetingen .......................................... 355
Gewichten............................................. 356
Vullingstabel......................................... 357
Smeermiddelen en vloeistoffen ............. 358
Brandstofverbruik ................................ 360
CO2-emissie via de uitlaat .................... 361
Fiat Auto Nederland B.V.
BANDENSPANNING IN KOUDE TOESTAND (bar) (behalve winterbanden)
Druknummer. 603.45.372 - VII/2002 - 2eeditie - Gedrukt door Drukkerij Hoogcarspel B.V. (NL)
Eindredactie Satiz - Turijn
215/60 R16 95W
215/60 ZR16 95W
225/50 R17 94W (*)
225/50 ZR17 94W (*)
2,3
2,3
215/60 R16 95W
215/60 ZR16 95W
225/50 R17 94W (*)
225/50 ZR17 94W (*)
2,3
2,3
215/60 R16 95W
215/60 ZR16 95W
225/50 R17 94W (*)
225/50 ZR17 94W (*)
2,3
2,3
215/60 R16 95W
215/60 ZR16 95W
225/50 R17 94W (*)
225/50 ZR17 94W (*)
2,3
2,3
215/60 R16 95W
215/60 ZR16 95W
225/50 R17 94W (*)
225/50 ZR17 94W (*)
2,3
2,3
MOTOROLIE VERVERSEN
5,50 5,50 5,50 5,50 5,90
BRANDSTOF TANKEN
75
10
75
10
75
10
75
10
75
10
2.0 TB 2.4 2.4 AUT. 2.4 JTD 3.0 V6 AUT.
Banden voor
en achter
Geringe belading bar
Volbeladen bar
(*) Niet geschikt voor sneeuwkettingen.
Bij warme banden moet de bandenspanning 0,3 bar hoger zijn dan de voorgeschreven waarde.
603.45.372 Thesis II e III NL:603.45.372 Thesis II e III NL 12-01-10 14:36 Pagina 1

ABSOLUUT LEZEN!
BRANDSTOF TANKEN
Benzinemotoren: tank uitsluitend loodvrije benzine met een minimum octaangetal van 95 RON.
Dieselmotoren: tank uitsluitend dieselbrandstof voor motorvoertuigen die voldoet aan de Europese spe-
cificatie EN590.
MOTOR STARTEN
Benzinemotoren met mechanische versnellingsbak: controleer of de automatische handrem is ingeschakeld
(lampje xop het instrumentenpaneel brandt); zet de versnellingspook in vrij; trap het koppelingspedaal vol-
ledig in, maar trap het gaspedaal niet in; draai vervolgens de start-/contactsleutel of de startknop van het
Keyless System in stand AVV en laat de sleutel/knop los zodra de motor aanslaat.
Motoren met elektronisch bediende automatische versnellingsbak (COMFORTRONIC): controleer of de
automatische handrem is ingeschakeld (lampje xop het instrumentenpaneel brandt) en of de versnel-
lingspook in stand P staat; houd het rempedaal volledig ingedrukt zonder het gaspedaal in te trappen,
draai vervolgens de start-/contactsleutel of de startknop van het Keyless System in standAVV en laat de
sleutel/knop los zodra de motor aanslaat.
Dieselmotoren: controleer of de automatische handrem is ingeschakeld; zet de versnellingspook in vrij;
trap het koppelingspedaal volledig in, maar trap het gaspedaal niet in; draai vervolgens de start-/con-
tactsleutel of de draaiknop van het Keyless System in stand MAR, en wacht tot het waarschuwingslampje
mdooft; draai onmiddellijk de start-/contactsleutel of de startknop van het Keyless System in stand
AVV en laat de sleutel/knop los zodra de motor aanslaat.
PARKEREN BOVEN BRANDBARE MATERIALEN
Omdat tijdens de werking de katalysator zeer warm wordt, verdient het aanbeveling niet te parkeren
boven brandbare materialen (gras, droge bladeren, dennennaalden, enz.): brandgevaar.
K

SIGNALEN VOOR EEN CORRECT GEBRUIK VAN UW AUTO
De signalen die u op deze pagina ziet, zijn zeer belangrijk. Zij staan bij onderdelen in dit boekje waar we extra aandacht
voor vragen.
Zoals u ziet, bestaat elk signaal uit een verschillend symbool. Zo wordt direct duidelijk om welk onderwerp het gaat:
Veiligheid van de inzittenden.
Let op: het niet of gedeeltelijk opvol-
gen van deze instructies kan gevaar
opleveren voor de inzittenden.
Bescherming van het milieu.
Aanwijzingen voor het juiste gedrag,
zodat het gebruik van de auto zo min
mogelijk schade aan het milieu toe-
brengt.
Conditie van de auto.
Let op: het niet of gedeeltelijk opvol-
gen van deze instructies schaadt de
conditie van de auto en zal in veel ge-
vallen ook de garantie doen vervallen.
De teksten, afbeeldingen en technische gegevens in dit boekje zijn gebaseerd op de stand van zaken bij het ter perse gaan.
In het voortdurende streven de kwaliteit van haar producten te verbeteren, behoudt LANCIA zich het recht voor te allen
tijde, zonder voorafgaande kennisgeving, wijzigingen in de technische specificaties en de uitrusting door te voeren.
Wendt u voor meer informatie tot een LANCIA-dealer.

7
Accu
Corrosieve vloeistof.
SYMBOLEN
Op of in de nabijheid van enkele on-
derdelen van uw THESIS zijn speci-
fiek gekleurde plaatjes aangebracht
met daarop symbolen die uw aan-
dacht vragen en die voorzorgsmaat-
regelen aangeven die u in acht moet
nemen als u met het betreffende on-
derdeel te maken krijgt.
Hierna volgen kort samengevat de
symbolen die vermeld staan op de
plaatjes die op uw THESIS zijn aan-
gebracht met daarnaast het onderdeel
waarop het symbool betrekking heeft.
Bovendien zijn de symbolen naar be-
tekenis in groepen onderverdeeld: ge-
vaar, verbod, waarschuwing en ver-
plichting.
SYMBOLEN DIE GEVAAR
AANDUIDEN
Accu
Ontploffingsgevaar.
Ventilateur
Kan automatisch
inschakelen, ook bij
stilstaande motor.
Expansiereservoir
Draai de knop niet los als
de koelvloeistof nog heet is.
Bobine
Hoge spanning.
Riemen en poelies
Bewegende delen; niet
dichtbij komen met
lichaamsdelen of kledingstukken.
Slangen van de
airconditioning
Niet openen. Gas onder
hoge druk.
Koplampen
Kans op vonken.

8
Accu
Niet dichtbij komen met
open vuur.
Accu
Houd kinderen op
afstand.
Hitteschilden - riemen -
poelies - ventilateur
Niet aanraken.
VERBODSSYMBOLEN
Stuurbekrachtiging
Het vloeistofniveau in het
reservoir mag het maxi-
mum niveau niet over-
schrijden. Gebruik uitslui-
tend de vloeistof die is aan-
gegeven in de “Vullingstabel”.
Katalysator
Parkeer niet boven brand-
bare materialen. Raadpleeg
het hoofdstuk “Voorzorgs-
maatregelen voor het be-
houd van de emissiereduc-
tiesystemen”.
WAARSCHUWINGSSYMBOLEN
Motor
Gebruik uitsluitend de
smeermiddelen die zijn
aangegeven in de “Vul-
lingstabel”.
Auto rijdt op
milieuvriendelijke
benzine
Tank uitsluitend loodvrije
benzine met een minimum
octaangetal van 95 RON.
Ruitenwissers
Gebruik uitsluitend de
vloeistof die is aangegeven
in de “Vullingstabel”.
Remcircuit
Het vloeistofniveau in het
reservoir mag het maxi-
mum niveau niet over-
schrijden. Gebruik uitslui-
tend de vloeistof die is aan-
gegeven in de “Vullingstabel”.

9
Auto rijdt op diesel
Tank uitsluitend diesel-
brandstof.
DIESEL
Expansiereservoir
Gebruik uitsluitend de
vloeistof die is aangegeven
in de “Vullingstabel”.
Accu
Bescherm de ogen.
Accu
Krik
Raadpleeg het instructie-
boekje.
VERPLICHTINGSSYMBOLEN

11
WEGWIJS IN UW AUTO
GEBRUIK VAN DE AUTO EN PRAKTISCHE TIPS
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD VAN DE AUTO
TECHNISCHE GEGEVENS
ALFABETISCH REGISTER
INHOUD

12
fig. 1
DASHBOARD
De aanwezigheid en de opstelling van de instrumenten en de controlelampjes kunnen per uitvoering verschillen.
L0A0001b
WEGWIJS IN UW AUTO

13
1) Kanalen voor luchtroosters op de voorportieren
2) Uitstroomopeningen zijruiten
3) Luchtroosters zijkant
4) Instrumentenpaneel
5) Uitstroomopening voorruit
6) Gespreide luchtverdeling bestuurderszijde
7) Centrale luchtroosters
8) Schakelaar waarschuwingsknipperlichten
9) Gespreide luchtverdeling passagierszijde
10) Airbag voor passagierszijde
11) Schakelaar voor uitschakeling airbag voor aan pas-
sagierszijde
12) Dashboardkastje/inbouwplaats CD-wisselaar/stek-
kerdoos
13) Drukknop voor opening dashboardkastje
14) Multifunctioneel display CONNECT (zie voor de
beschrijving van de bedieningsknoppen de volgende
pagina’s)
15) Toegangsklepje cassettespeler, CD-speler en Sim-
telefoonkaarthouder
16) Bedieningsknoppen automatische airconditio-
ning/schakelaar achterruitverwarming
17) Asbak en aansteker
18) SOS-knop voor toegang tot hulpdiensten en -func-
ties
19) Bedieningshendel ruitenwissers/-sproeiers voor/
achter en koplampsproeiers
20) Drukknop voor op nul zetten dagteller (even inge-
drukt houden)/Storingsmeldingen op display wis-
sen (kort indrukken)
21) Start-/contactslot
22) Bedieningsknoppen op het stuurwiel voor het CON-
NECT (zie voor de beschrijving van de bedie-
ningsknoppen de volgende pagina’s)
23) Claxon
24) Airbag bestuurderszijde
25) Knop voor elektrische stuurwielverstelling
26) Bedieningsknoppen adaptieve cruise-control/cruise-
control/bedieningshendel richtingaanwijzers en
schakelaar dimlicht/grootlicht
27) Dashboardkastje/toegangsklepje zekeringenkastje
28) Ontgrendelhendel motorkap
29) Draaiknop/schakelaar buitenverlichting – Druk-
knoppen mistlampen voor en mistachterlichten –
Draaiknoppen lichtsterkteregeling instrumenten-
paneel en gevoeligheid schemersensor

14
fig. 2
TELEMATICA-INFOSYSTEEM CONNECT
L0A5001b
De legenda van de af-
beelding vindt u op de pa-
gina’s 16-17.

15
Het telematica-infosysteem CON-
NECT van de THESIS bevat, in de
meest uitgebreide versie, een kleuren-
tv, een autoradio met cassettespeler,
CD-ROM-/Audio-CD-speler, CD-wis-
selaar, mobiele GSM-telefoon, navi-
gatiesysteem, boordcomputer en
spraakbediening (voor het beheer van
enkele functies van de telefoon, het
audio- en het navigatiesysteem).
Hierna zijn de bedieningsknoppen
en de belangrijkste functies opgeno-
men. Bij de auto wordt een specifiek
boekje geleverd waarin het telema-
tica-infosysteem CONNECT wordt
beschreven. In dit boekje vindt u alle
belangrijke aanwijzingen en voor-
zorgsmaatregelen voor een veilig ge-
bruik van het systeem. Wij raden u
aan dit boekje aandachtig en volledig
te lezen en altijd onder handbereik te
bewaren (bijv. in het dashboard-
kastje).
BELANGRIJK Voor het CON-
NECT-navigatiesysteem mag u uit-
sluitend de CD-ROM gebruiken die
oorspronkelijk bij de auto is geleverd
of een andere CD-ROM van hetzelfde
merk.
Een te hoog volume tij-
dens het rijden kan zowel
uw leven als het leven van
anderen in gevaar brengen. Wij
raden u dan ook aan om het vo-
lume altijd zo te regelen dat gelui-
den van buiten (bijv. claxons, sire-
nes van ambulance, brandweer,
politie e.d.) hoorbaar blijven.
BEDIENINGSKNOPPEN OP HET
CONNECT (fig. 2)
Voor de bediening van het CON-
NECT Nav+ zijn 29 toetsen en 2
draaiknoppen aanwezig. Enkele be-
dieningsknoppen hebben meer dan
één functie afhankelijk van de actieve
werkingsstatus van het systeem.
De activering van de geselecteerde
functie is in enkele gevallen afhanke-
lijk van hoelang een toets wordt inge-
drukt (kort indrukken of even inge-
drukt houden), zoals in onderstaande
tabel is aangegeven.
Het navigatiesysteem is
een hulpmiddel voor de
bestuurder tijdens het rij-
den; het geeft door middel van ge-
sproken en grafische aanwijzingen
de optimale route aan om de
vooraf ingestelde bestemming te
bereiken. Bij het uitvoeren van elke
door het navigatiesysteem aanbe-
volen handeling ligt de verant-
woordelijkheid voor het rijden met
de auto in het verkeer volledig bij
de bestuurder die ook de verkeers-
regels alsmede andere verkeers-
voorschriften in acht moet nemen.
De verantwoordelijkheid voor de
verkeersveiligheid ligt altijd en
overal bij de bestuurder van de
auto.

16
Legenda
1 – SOS
2
3
4 – CD
5 – CC
6 – ¯
7 – ˙
8
9 – SETUP
10 – TRIP
11 – AUDIO
12 – SRC
13 – MAIN
Toets kort indrukken
(korter dan 2 seconden)
Toegang tot hulpdiensten en -functies
Houder voor navigatie-CD-ROM of audio-CD
Houder voor audiocassette
Navigatie-CD-ROM of audio-CD uitwerpen
Audiocassette uitwerpen
Radio: zoeken naar het eerste te ontvangen station op lagere
frequentie. CD-speler: vorig muziekstuk selecteren
Cassettespeler: snel terugspoelen naar het begin van het beluis-
terde muziekstuk of naar het vorige muziekstuk. TV: zoeken
naar het eerste te ontvangen kanaal op lagere frequentie.
Radio: zoeken naar het eerste te ontvangen station op hogere
frequentie. CD-speler: volgend muziekstuk selecteren
Cassettespeler: snel vooruit spoelen naar het einde van het
beluisterde muziekstuk of naar het volgende muziekstuk
TV: zoeken naar het eerste te ontvangen kanaal
op hogere frequentie
Systeem in-/uitschakelen: draaiknop indrukken
Volumeregeling: draaiknop draaien
Systeeminstellingen en te wijzigen functies van de auto
Scherm boordcomputer selecteren
Audiosysteem inschakelen en/of specifiek scherm selecteren
Bron selecteren: FM1, FM2, FM3-AS, MW, LW, CC, CD,
CDC, TV
Scherm MAIN (HOOFDSCHERM) selecteren
Toets even ingedrukt houden
(langer dan 2 seconden)
–
–
–
–
–
Radio: functie “Scan” inschakelen waarbij alle sta-
tions op de geselecteerde golfband kort worden weer-
gegeven in oplopende frequentie. CD-speler: snel
achteruit zoeken. Cassettespeler: snel terugspoelen
Radio: functie “Scan” inschakelen waarbij alle sta-
tions op de geselecteerde golfband kort worden weer-
gegeven in oplopende frequentie. CD-speler: snel
vooruit zoeken. Cassettespeler: snel vooruit spoelen
–
–
–
Audiobron (Radio, CC, CD/CDC) uitschakelen
–
–

17
Toets kort indrukken (korter dan 2 seconden)
Functie DARK inschakelen: het display wordt volledig verduisterd
Bellen naar ingevoerd telefoonnummer
Aannemen van binnenkomend telefoongesprek
Telefoongesprek beëindigen
Telefoon inschakelen en/of specifiek scherm selecteren
Herhaling laatste gesproken instructie van het navigatiesysteem
Navigatiesysteem inschakelen en/of specifiek scherm selecteren
Kaart van het navigatiesysteem selecteren
Toegang tot de diensten van Targasys
Functie selecteren door de draaiknop te draaien.
Functie bevestigen door de draaiknop in te drukken.
Ontvanger van de afstandsbediening
Keuze-onderdeel verlaten of van een submenu terugkeren naar
een hoger menu
SIM-kaart uitwerpen
Draairichting cassette omkeren
Houder voor SIM-kaart
Dubbele “multifunctionele” toets. De functie van de toets is af-
hankelijk van de actieve werkingsstatus van het systeem, die op
het display is weergegeven. De functie van de “multifunctio-
nele” toetsen wordt iedere keer aangegeven door een opschrift
op het display, die met iedere toets overeenkomt. In enkele ge-
vallen heeft het opschrift betrekking op meerdere toetsen naast
elkaar: de functie van deze toetsen is hetzelfde.
Radio/TV: opgeslagen station selecteren.
CD-wisselaar: CD in wisselaar selecteren.
Reset-toets om het systeem opnieuw te starten
Toets even ingedrukt houden (langer dan 2 sec.)
–
Binnenkomend telefoongesprek weigeren
Telefoon uitschakelen
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
Radio/TV: stations opslaan
–
Legenda
14 – DARK
15 – £
16 – TEL
17 – RPT
18 – NAV
19 – MAP
20 – •
21
22
23 – ESC
24 – SIM
25 – ¯˙
26
27-28-29-
30-31-32
33

18
BEDIENINGSKNOPPEN OP HET
STUURWIEL (fig. 3)
De bedieningsknoppen van de hoofd-
functies van het CONNECT zijn ook op
het stuurwiel geplaatst om de bediening
te vergemakkelijken.
Op het stuurwiel bevindt zich ook de
toets VOICE, voor het in-/uitschakelen
van de spraakbediening van het audio-
systeem en de telefoon en voor de regi-
stratie van korte gesproken berichten.
De bedieningsknoppen hebben de vol-
gende functies:
A- Spraakherkenning:
– in-/uitschakelen spraakherkenning:
kort indrukken
– gesproken bericht opslaan: even in-
gedrukt houden
– spraakregistratie stoppen: kort in-
drukken
B- Audiobron selecteren: FM1, FM2,
FM3-AS, MW, LW, CC, CD, CDC, TV
C- Volume verlagen
D- Volume verhogen
E- Radio: zoeken naar het eerste te
ontvangen station op hogere
frequentie
Cassettespeler: snel vooruit spoelen naar
het einde van het beluisterde muziek-
stuk of naar het volgende muziekstuk
CD/CDC: volgend muziekstuk selecte-
ren
TV: zoeken naar kanalen in oplo-
pende volgorde
F- Radio: zoeken naar het eerste te
ontvangen station op lagere fre-
quentie
Cassettespeler: snel terugspoelen naar
het begin van het beluisterde muziek-
stuk of naar het vorige muziekstuk
CD/CDC: vorig muziekstuk selecte-
ren
TV: zoeken naar het eerste te ont-
vangen kanaal op lagere frequentie
G- Cyclisch selecteren van de hoofd-
schermen: MAIN – AUDIO – TRIP –
SETUP – TEL – NAV – CONNECT
(toegang tot Targasys-diensten)
H- Telefoontoets:
– binnenkomend gesprek aannemen:
kort indrukken
– telefoongesprek beëindigen: kort in-
drukken
– ingevoerd telefoonnummer bellen:
kort indrukken
– ontvangen tekstbericht (SMS) lezen:
kort indrukken
– binnenkomend gesprek weigeren:
lang indrukken
L- Functies van onder naar boven op
het display selecteren
fig. 3
L0A5002b

19
M- Geselecteerde functie bevestigen
N- Functies van boven naar onder
op het display selecteren
AFSTANDSBEDIENING (fig. 4-5)
De afstandsbediening werkt met een
infrarood zender en regelt enkele van de
belangrijkste functies van het audiosys-
teem en de TV.
De afstandsbediening kan alleen ge-
bruikt worden als het CONNECT is in-
geschakeld.
De functies van de afstandsbedie-
ning kunnen worden uitgeschakeld en
weer ingeschakeld door het bijbeho-
rende onderdeel in het menu SETUP
(instellingen) te selecteren.
Om de afstandsbediening A(fig. 5)te
kunnen gebruiken, moet deze uit de
houder Bworden genomen.
De toetsen van de afstandsbediening
hebben de volgende functies (fig. 4):
A- Radio: inschakelen/uitschakelen van
de functie “Audio Mute” (op nul zet-
ten van het volume) alleen bij inge-
schakelde TP-functie (symbool “√”
naast het opschrift TP op het hoofd-
scherm van de radiofuncties).
CC/CD/CDC:
weergave/stoppen van het
beluisterde muziekstuk.
TV: uitschakelen van de
televisie en terugkeren naar het
scherm van de daarvoor
ingeschakelde audiobron
B- Volume verlagen
C- Volume verhogen
D- Radio:
– kort indrukken = zoeken naar
het eerste te ontvangen station
op hogere frequentie
– even ingedrukt houden = func-
tie “Scan” inschakelen waarbij
alle stations op de geselecteerde
golfband kort worden weergege-
ven in aflopende frequentie
CD-speler:
– kort indrukken = volgend mu-
ziekstuk selecteren
– even ingedrukt houden = snel
vooruit zoeken
Cassettespeler:
– kort indrukken = snel vooruit
spoelen naar het einde van het
beluisterde muziekstuk of naar
het volgende muziekstuk
fig. 5
L0A5003b
fig. 4
L0A5004b

20
– even ingedrukt houden = snel
vooruit spoelen
TV: zoeken naar het eerste te ont-
vangen kanaal op hogere frequentie
E- Radio:
– kort indrukken = zoeken naar
het eerste te ontvangen station
op lagere frequentie
– even ingedrukt houden = func-
tie “Scan” inschakelen waarbij
alle stations op de geselecteerde
golfband kort worden weerge-
geven in oplopende frequentie
CD-speler:
– kort indrukken = vorig mu-
ziekstuk selecteren
– even ingedrukt houden = snel
achteruit zoeken
Cassettespeler:
– kort indrukken = snel terug-
spoelen naar het begin van het
beluisterde muziekstuk of naar
het vorige muziekstuk
– even ingedrukt houden = snel
terugspoelen
TV: zoeken naar het eerste te
ontvangen kanaal op lagere fre-
quentie
F- Radio:
– kort indrukken = zoeken naar
het eerste te ontvangen station
op hogere frequentie
– even ingedrukt houden = functie
“Scan” inschakelen waarbij alle
stations op de geselecteerde golf-
band kort worden weergegeven in
aflopende frequentie
CD-speler:
– kort indrukken = volgend mu-
ziekstuk selecteren
– even ingedrukt houden = snel
vooruit zoeken
Cassettespeler:
– kort indrukken = snel vooruit
spoelen naar volgend muziek-
stuk
– even ingedrukt houden = snel
vooruit spoelen
TV: zoeken naar het eerste te
ontvangen kanaal op hogere fre-
quentie
G- Radio:
– kort indrukken = zoeken naar
het eerste te ontvangen station
op lagere frequentie
– even ingedrukt houden = func-
tie “Scan” inschakelen waarbij
alle stations op de geselec-
teerde golfband kort worden
weergegeven in oplopende fre-
quentie
CD-speler:
– kort indrukken = vorig mu-
ziekstuk selecteren
– even ingedrukt houden = snel
achteruit zoeken
Cassettespeler:
– kort indrukken = snel terug-
spoelen naar vorig muziekstuk
– even ingedrukt houden = snel
terugspoelen
TV: zoeken naar het eerste te
ontvangen kanaal op lagere fre-
quentie
H- Audiobron selecteren: FM1,
FM2, FM3-AS, MW, LW, CC,
CD, CDC, TV
1-2-3-4-5-6- Radio:
– kort indrukken = opgeslagen
stations oproepen nr. 1-2-3-4-
5-6
– even ingedrukt houden = be-
luisterde station opslaan
CD-wisselaar: CD selecteren (1
- 6)
TV: opgeslagen kanaal (1 - 6)
selecteren

21
Functie
Audiosysteem inschakelen
Audiosysteem uitschakelen
Audio mute (alleen mogelijk als
TP is ingeschakeld in het
hoofdscherm
van de radiofuncties)
Audiobron selecteren
Volume verhogen/verlagen
Opgeslagen radiostations
selecteren
Radiostations opslaan
Zoeken naar het eerste te
ontvangen station
op hogere frequentie
Zoeken naar het eerste te
ontvangen station
op lagere frequentie
Toetsen op het CONNECT
Toets AUDIO kort indrukken
Toets AUDIO even ingedrukt
houden
Functie “Audio Mute” in het
radiomenu selecteren en be-
vestigen met de rechter draai-
knop 21 (fig. 2)
Multifunctionele toetsen FM,
AM, CC, CD, CDC, TV of de
toets SOURCE indrukken
Linker knop draaien
Cijfertoets 1 - 6
kort indrukken
Cijfertoets 1 - 6 even inge-
drukt houden
Toets ˙kort indrukken
Toets ¯kort indrukken
Toetsen op het stuurwiel
–
–
–
Toets SOURCE indrukken
Toets VOL+ of VOL-
indrukken
–
–
Toets SCAN+
kort indrukken
Toets SCAN-
kort indrukken
Toetsen op de afstandsbediening
–
–
Toets ON/OFF indrukken
Toets SOURCE indrukken
Toets VOL+ of VOL- indruk-
ken
Cijfertoets 1 - 6
kort indrukken
Cijfertoets 1 - 6 even ingedrukt
houden
Toets Nkort indrukken
Toets Okort indrukken
FUNCTIES AUDIOSYSTEEM EN TV: OVERZICHT VAN DE BEDIENINGSKNOPPEN
De functies van het audiosysteem (radio FM/AM en CC/CD/CDC) en van de TV kunnen worden in-/uitgeschakeld met de
bedieningsknoppen die op het CONNECT, op het stuurwiel en op de afstandsbediening aanwezig zijn. Om de verschillende
bedieningsknoppen makkelijker te leren kennen, staan in onderstaande tabel de functies en de bijbehorende bedienings-
toetsen vermeld.
Zie voor het gebruik van de spraakbediening het betreffende hoofdstuk in het CONNECT-boekje.

22
Functie
Functie “Scan” inschakelen
waarbij alle stations op de
geselecteerde golfband kort
worden weergegeven in
aflopende frequentie
Functie “Scan” inschakelen
waarbij alle stations op de
geselecteerde golfband kort
worden weergegeven in
oplopende frequentie
Draairichting
van de cassette omkeren
Snel terugspoelen naar
vorig muziekstuk
Snel terugspoelen
Snel vooruit spoelen naar
volgend muziekstuk
Snel vooruit spoelen
Weergave/pauze
van het beluisterde
muziekstuk CC/CD
Volgend muziekstuk
zoeken tijdens het
beluisteren van een CD
Toetsen op het CONNECT
Toets ˙
even ingedrukt houden
Toets ¯
even ingedrukt houden
Toets ¯˙ indrukken
Toets ¯kort indrukken
Toets ¯even ingedrukt houden
Toets ˙
kort indrukken
Toets ˙even ingedrukt houden
Multifunctionele toets
Play/Pauze indrukken
Toets ˙kort indrukken
Toetsen op het stuurwiel
Toets SCAN+
even ingedrukt houden
Toets SCAN-
even ingedrukt houden
–
Toets SCAN-
kort indrukken
Toets SCAN- even ingedrukt houden
Toets SCAN+ kort indrukken
Toets SCAN+ even ingedrukt houden
–
Toets SCAN+ kort indrukken
Toetsen op de afstandsbediening
Toets N
even ingedrukt houden
Toets O
even ingedrukt houden
–
Toets Okort indrukken
Toets Oeven ingedrukt houden
Toets Nof ˙kort indrukken
Toets Neven ingedrukt houden
Toets ON/OFF indrukken
Toets ˙indrukken

23
Functie
Vorig muziekstuk zoeken tij -
dens het beluisteren van een CD
CD selecteren bij
ingeschakelde CDC
Weergave/stoppen van het
beluisterde muziekstuk
bij ingeschakelde CDC
Opgeslagen TV-kanalen
selecteren
Afstemming op het volgende
TV-kanaal
Afstemming op het vorige
TV-kanaal
TV uitschakelen (terugkeren
naar het scherm van de daar-
voor ingeschakelde audiobron)
Toetsen op het CONNECT
Toets ¯kort indrukken
Cijfertoets 1 - 6 indrukken
–
Cijfertoets 1 - 6 indrukken
Toets ˙kort indrukken
Toets ¯ kort indrukken
Multifunctionele toets
OFFindrukken
Toetsen op het stuurwiel
Toets SCAN- kort indrukken
–
–
–
Toets SCAN+ indrukken
Toets SCAN- indrukken
–
Toetsen op de afstandsbediening
Toets ¯kort indrukken
Cijfertoets 1 - 6 indrukken
Toets ON/OFF
indrukken
Cijfertoets 1 - 6 indrukken
Toets Nkort indrukken
Toets Okort indrukken
Toets ON/OFF indrukken

24
STUURSLOT
Als de contactsleutel uit het con-
tactslot wordt genomen, wordt auto-
matisch het stuurslot vergrendeld.
Uitvoeringen met Keyless System
Het stuurslot vergrendelt automa-
tisch als de portieren centraal wor-
den vergrendeld met de afstandsbe-
diening. De bestuurder wordt hierop
geattendeerd door het bericht “HET
STUURSLOT VERGRENDELT BIJ
HET VERGRENDELEN VAN DE
PORTIEREN” dat op het display
van het instrumentenpaneel ver-
schijnt.
START-/CONTACT-
SLOT
De sleutel kan in 3 standen worden
gedraaid (fig. 6):
STOP: motor uit, sleutel uitneem-
baar en stuurslot vergrendeld.
Enkele elektrische installaties (bijv.
het CONNECT) werken.
MAR: contact aan. Instrumenten-
paneel verlicht, stuurslot ontgren-
deld en alle elektrische installaties
werken.
AVV: starten van de motor. Laat
de sleutel los zodra de motor aans-
laat.
Als het start-/contactslot
is geforceerd (bijv. bij een
poging tot diefstal) moet
u, voordat u weer met de auto
gaat rijden, de werking van het
slot laten controleren bij een
Lancia-dealer.
Neem altijd de sleutel uit
het contactslot als de auto
wordt verlaten, om
onvoorzichtig gebruik van de
bedieningsknoppen te voorko-
men. Vergeet niet de handrem
aan te trekken en schakel de eer-
ste versnelling in als de auto op
een helling omhoog staat of de
achteruit bij een helling omlaag.
BELANGRIJK Zie bij uitvoeringen
die zijn uitgerust met het herken-
ningssysteem de paragraaf “Het her-
kenningssysteem (Keyless System)”
in dit hoofdstuk.
fig. 6
L0A0021b

25
Stuurslot altijd ontgrendeld
U kunt in het menu van het CON-
NECT instellen dat het stuurslot
altijd ontgrendeld is. Zie voor het
instellen van deze functie het CON-
NECT-boekje dat bij de auto gele-
verd wordt.
Noodgevallen
Als de accu van de auto leeg is, kan
het stuurslot niet ontgrendeld wor-
den. In dat geval moet het koffer-
deksel met de noodsleutel worden
geopend en een hulpaccu op de lege
accu worden aangesloten.
Voer deze werkzaamhe-
den niet uit als u daarmee
geen ervaring hebt:
onjuiste handelingen kunnen lei-
den tot vonken en ook kan de
accu openbarsten. Wendt u tot de
Lancia-dealer. Zie in ieder geval
de paragraaf “Starten met een
hulpaccu”.
Het stuurslot wordt niet
vergrendeld als u de por-
tieren centraal vergren-
delt met de noodsleutel of als de
vergrendeling automatisch
inschakelt (functie “Autoclose”).
Voordat u het kofferdek-
sel opent om de accu op te
laden of een hulpaccu
aan te sluiten, moet u de instruc-
ties in het hoofdstuk “Accu los-
koppelen” aandachtig lezen en
opvolgen.
Het stuurslot wordt automatisch
ontgrendeld als u het koppelingspe-
daal intrapt (uitvoeringen met
handgeschakelde versnellingsbak) of
het rempedaal (uitvoeringen met
automatische versnellingsbak).

26
LANCIA CODE
Voor een nog betere bescherming
tegen diefstalpogingen is de auto uit-
gerust met een elektronische start-
blokkering (Lancia CODE). Het sys-
teem schakelt automatisch in als de
contactsleutel wordt uitgenomen. In
de handgreep van de sleutels bevindt
zich een elektronisch component,
dat bij het starten van de motor een
signaal ontvangt van een speciale
antenne die in het start-/contactslot
is ingebouwd. Dit signaal wordt
omgezet in een gecodeerd signaal en
vervolgens aan de regeleenheid van
de Lancia CODE gezonden, die, als
de code wordt herkend, het starten
van de motor mogelijk maakt.
WERKING
Iedere keer als u de contactsleutel
in stand STOP zet, schakelt de
Lancia CODE de functies van de
elektronische regeleenheid van de
motor uit.
Als u bij het starten van de motor
de sleutel in stand MAR draait, dan
stuurt de regeleenheid van de Lancia
CODE een code naar de regeleen-
heid van de motor die, als de code
wordt herkend, de blokkering van
de functies opheft. De geheime code
wordt door de sleutel verzonden en
heeft meer dan 4 miljard combina-
ties. De code wordt alleen verzonden
als de regeleenheid van het systeem
de code heeft herkend via een in het
start-/contactslot ingebouwde
antenne.
Als de code niet wordt herkend,
gaat op het display van het instru-
mentenpaneel het symbool Ybran-
den en verschijnt het bericht
“DEFECT BEVEILIGINGSSYS-
TEEM VOERTUIG”.
In dat geval raden wij u aan de
sleutel in stand STOP en vervolgens
in stand MAR te draaien; als de
motor geblokkeerd blijft, probeer
het dan opnieuw met de andere gele-
verde sleutels. Als de motor nog niet
aanslaat, voer dan zelf een noodstart
uit (zie het hoofdstuk “Noodgeval-
len”) en wendt u daarna tot de
Lancia-dealer.
BELANGRIJK Elke sleutel heeft
een eigen code die in de regeleenheid
van het systeem moet worden opge-
slagen. Voor het opslaan van nieuwe
sleutels ( maximaal acht) moet u
zich tot de Lancia-dealer wenden.
Hierbij moeten alle in uw bezit zijn-
de sleutels, de CODE-card, een iden-
titeitsbewijs en het kentekenbewijs
worden meegenomen.

96
Haak geen harde voor-
werpen aan de kleding-
haakjes en aan de
steunhandgrepen.
De airbag is geen vervan-
ging voor de veiligheids-
gordels, maar een aanvul-
ling. De inzittenden worden uit-
sluitend door de veiligheidsgordels
beschermd bij frontale botsingen
bij lage snelheid, bij zijdelingse
aanrijdingen en als de auto over
de kop slaat. De gordels moeten
dus altijd gedragen worden.
Als u de contactsleutel in
stand MAR draait, gaan de
lampjes Fen À(met de
schakelaars voor uitschakeling
van airbag voor aan passagiers-
zijde en de zij-airbags achter in
stand ON) enkele seconden knip-
peren, om aan te geven dat de air-
bag voor aan passagierszijde en de
zij-airbags achter bij een botsing
worden geactiveerd. Hierna moe-
ten de lampjes doven.
De airbag voor treedt in
werking als de botsing
zwaarder is dan een bot-
sing waarbij alleen de gordelspan-
ners worden geactiveerd. Bij aan-
rijdingen die tussen die twee
drempelwaarden in liggen, treden
alleen de gordelspanners in
werking.
De stoelen mogen niet
met water worden afgeno-
men of met stoom worden
gereinigd (met de hand of in een
automatisch wasapparaat).

97
BEDIENINGS -
SCHAKELAAR
VERLICHTING EN
HENDELS AAN HET
STUUR
De systemen die met de schakelaar
voor de verlichting en de hendels aan het
stuur worden bediend, kunt u alleen be-
dienen als de contactsleutel in stand
MAR staat. Dit geldt niet voor de
parkeerverlichting die alleen kan wor-
den ingeschakeld als de contactsleutel in
stand STOP staat of is uitgenomen.
De buitenverlichting kan handmatig
of, afhankelijk van de sterkte van het
buitenlicht, automatisch worden in-
/uitgeschakeld.
SCHAKELAAR VERLICHTING
(fig. 90)
De schakelaar heeft 5 standen:
0 - buitenverlichting uitgeschakeld
6- buitenverlichting
2- dimlicht
F- parkeerverlichting
AUTO - automatische in-/uitschake-
ling van de buitenverlichting op basis
van de ingestelde gevoeligheid.
Buitenverlichting uitgeschakeld
Als het merkstreepje van de schakelaar
Ategenover het symbool 0staat, dan is
de buitenverlichting uitgeschakeld.
Parkeerverlichting en
kentekenplaatverlichting
Draai voor inschakeling de schake-
laar Ain stand 6.
Als de verlichting is ingeschakeld, gaat
op het instrumentenpaneel lampje 3
branden.
Als de buitenverlichting wordt inge-
schakeld, gaan ook de instrumentenpa-
neelverlichting en de verschillende be-
dieningsknoppen branden en lichten de
displays op het instrumentenpaneel en
de middenconsole op.
Dimlicht
Draai voor inschakeling de schake-
laar Ain stand 2.
Parkeerverlichting
Als u met de contactsleutel in stand
STOP of bij uitgenomen sleutel,
schakelaar Ain stand Fdraait,
schakelt de parkeerverlichting
(parkeerlichten en kentekenplaatver-
lichting) in en gaat het betreffende
controlelampje op het instrumenten-
paneel branden.
Als u bij ingeschakelde parkeerver-
lichting de linker hendel omlaag
plaatst, wordt alleen de parkeerver-
lichting aan de linkerzijde inge-
schakeld; als u de hendel omhoog
plaatst, wordt alleen de parkeerver-
lichting aan de rechterzijde inge-
schakeld. In dat geval gaan de ken-
tekenplaatverlichting en het lampje
op het instrumentenpaneel niet bran-
den.
fig. 90
L0A0199b

98
Als de parkeerverlichting is inge-
schakeld, hoort u een geluidssignaal
bij het openen van het bestuurders-
portier. Het geluidssignaal wordt on-
derbroken als u het portier sluit of de
verlichting uitschakelt.
Automatische in-/uitschakeling
Als de schakelaar Ain stand AUTO
is gedraaid en de contactsleutel in
stand MAR staat, worden de parkeer-
verlichting, de kentekenplaatverlich-
ting en het dimlicht in-/uitgeschakeld,
afhankelijk van de sterkte van het
buitenlicht.
De gevoeligheid van de schemersen-
sor van het systeem voor automati-
sche in-/uitschakeling kan met behulp
van schakelaar Bop 3 niveaus wor-
den ingesteld, ook als de auto in
beweging is:
1- minimale gevoeligheid
2- gemiddelde gevoeligheid
3- maximale gevoeligheid.
BELANGRIJK Het grootlicht kan
alleen handmatig worden inge-
schakeld door de linker hendel naar
voren te duwen.
Als het grootlicht is inge-
schakeld (linker hendel
naar voren geduwd), wordt
het grootlicht automatisch inge-
schakeld als via de schemersensor
de buitenverlichting automatisch
wordt ingeschakeld. Wij raden u
echter aan het grootlicht (indien
ingeschakeld) uit te schakelen
door de linker hendel naar u toe te
trekken, als via de schemersensor
de buitenverlichting wordt uitge-
schakeld.
Als er overdag mist is,
worden de buitenverlich-
ting en het dimlicht niet
automatisch ingeschakeld. De ver-
lichting moet dan handmatig wor-
den ingeschakeld, en eventueel de
mistlampen voor en de mistach-
terlichten.
De verantwoordelijkheid
voor het inschakelen van
de verlichting, afhankelijk
van de sterkte van het buitenlicht
en de wettelijke normen van het
land waarin u rijdt, ligt altijd bij
de bestuurder. Het systeem voor
automatische in-/uitschakeling
van de verlichting dient slechts als
hulp voor de bestuurder: Schakel,
indien nodig, de verlichting hand-
matig in of uit.
Als de verlichting automatisch wordt
ingeschakeld en via de schermersen-
sor het commando voor uitschakeling
wordt gegeven, wordt eerst het dim-
licht uitgeschakeld en na ongeveer 10
seconden, de buitenverlichting.
BELANGRIJK Als de verlichting
automatisch wordt ingeschakeld, kun-
nen de mistlampen voor en de mist-
achterlichten handmatig worden in-
geschakeld; als de verlichting auto-
matisch wordt uitgeschakeld, worden
ook de mistlampen voor en de mist-
achterlichten (indien ingeschakeld)
uitgeschakeld. Als de verlichting weer
automatisch wordt ingeschakeld, wor-
den alleen de mistlampen voor inge-
schakeld. De mistachterlichten moe-
ten, indien nodig, handmatig worden
ingeschakeld.

99
Schemersensor
Op de voorruit is een infrarood-sche-
mersensor gemonteerd die in staat is
verschillen in de sterkte van het bui-
tenlicht waar te nemen, op basis van
de ingestelde gevoeligheid; hoe hoger
de gevoeligheid, hoe lager de hoe-
veelheid buitenlicht die nodig is voor
het automatisch inschakelen van de
buitenverlichting.
De schemersensor bestaat uit twee
sensoren: een sensor die in staat is de
sterkte van het buitenlicht naar boven
waar te nemen, en een sensor die in
staat is de lichtsterkte in de rijrichting
van de auto waar te nemen, zodat
tunnels en nauwe doorgangen enz.
herkend worden.
Als schakelaar Ain stand AUTO is
gedraaid (automatische inschakeling
van de verlichting) worden, als er een
storing is in de schermersensor, de
buitenverlichting en het dimlicht
onafhankelijk van de sterkte van het
buitenlicht ingeschakeld en wordt de
storing op het display van het instru-
mentenpaneel aangegeven met het be-
richt “DEFECT SCHEMERSENSOR
– BEZOEK EEN WERKPLAATS”.
De storing blijft aangegeven zolang
schakelaar Ain stand AUTO staat. In
dat geval is het raadzaam de automa-
tische inschakeling van de verlichting
uit te schakelen en de verlichting, in-
dien nodig, handmatig in te schake-
len; wendt u zo snel mogelijk tot de
Lancia-dealer.
Vertraagde uitschakeling
verlichting (functie “Follow me
home”)
Met deze functie kan met de con-
tactsleutel in stand STOP of bij uit-
genomen sleutel de buitenverlichting
en het dimlicht 30 seconden of langer
worden ingeschakeld, zodat de ruimte
voor de auto verlicht wordt.
Deze functie wordt ingeschakeld als
de linker hendel binnen 2 minuten na
het uitzetten van de motor, naar het
stuur wordt getrokken en weer wordt
losgelaten. Telkens als u de hendel be-
dient, blijft de verlichting telkens 30
seconden langer branden, tot een
maximum van 210 seconden. Dit
komt overeen met het 7 keer bedienen
van de hendel. Hierna schakelt de
verlichting automatisch uit.
De ingestelde tijd (in seconden)
wordt ongeveer 20 seconden weerge-
geven op het display van het instru-
mentenpaneel.

100
Nadat de functie is ingeschakeld,
kan de ingestelde tijd verhoogd wor-
den als de linker hendel binnen 2 mi-
nuten na het uitzetten van de motor,
naar het stuur wordt getrokken.
Het is mogelijk de functie te onder-
breken door de hendel langer dan 2
seconden naar het stuur te trekken.
Grootlichtsignaal (fig. 91)
Trek de hendel naar het stuur (stand
B). Als het grootlichtsignaal is inge-
schakeld, brandt op het instrumen-
tenpaneel het controlelampje 1.
HENDEL LINKS
Met de linker hendel bedient u het
grootlicht en de richtingaanwijzers
(pijlen).
Grootlicht (fig. 91)
Druk voor inschakeling de linker
hendel naar voren (stand A) als het
dimlicht is ingeschakeld, hetzij hand-
matig (schakelaar buitenverlichting in
stand 2), hetzij automatisch (schake-
laar buitenverlichting in stand
AUTO).
Als het grootlicht is ingeschakeld,
brandt op het instrumentenpaneel
lampje 1.
Het grootlicht wordt uitgeschakeld
als u de hendel naar het stuur trekt,
totdat deze weer in de ruststand staat.
Als het grootlicht is inge-
schakeld (linker hendel
naar voren geduwd), wordt
het grootlicht automatisch inge-
schakeld als via de schemersensor
de buitenverlichting automatisch
wordt ingeschakeld. Wij raden u
echter aan het grootlicht (indien
ingeschakeld) uit te schakelen
door de linker hendel naar u toe te
trekken, als via de schemersensor
de buitenverlichting wordt uitge-
schakeld.
fig. 91
L0A0206b
fig. 92
L0A0207b

101
BELANGRIJK Het grootlichtsignaal
wordt gegeven met het grootlicht. Om
bekeuringen te vermijden, dient u
zich aan de geldende verkeerswetge-
ving te houden.
Richtingaanwijzers (pijlen - fig. 92)
Plaats de hendel:
omhoog (stand A) - rechter richting-
aanwijzer ingeschakeld
omlaag (stand B) - linker richting-
aanwijzer ingeschakeld.
Als de richtingaanwijzers zijn inge-
schakeld, brandt op het instrumen-
tenpaneel het betreffende controle-
lampje Ÿof Δ.
De richtingaanwijzers schakelen uit
als u de hendel in de middelste stand
zet of, automatisch, als het stuurwiel
weer in de rechtuitstand komt.
BELANGRIJK Als u kort richting
aan wilt geven, voor het uitvoeren van
een handeling waarvoor het stuurwiel
slechts weinig hoeft te worden ver-
draaid, dan drukt u de hendel iets
omhoog of omlaag zonder dat de hen-
del vergrendelt. Zodra u de hendel
loslaat, gaat deze automatisch terug.
HENDEL RECHTS
Met de rechter hendel bedient u de
ruitenwissers/-sproeiers voor/achter
en koplampsproeiers.
Ruitenwissers (fig. 93)
De ruitenwissers/-sproeiers werken
uitsluitend als de contactsleutel in
stand MAR staat. De hendel kan in
vijf verschillende standen worden ge-
zet:
0- Ruitenwissers uitgeschakeld.
1- Automatische werking. In deze
stand kan met de draaiknop Ade ge-
voeligheid van de regensensor worden
ingesteld.
2- Langzaam continu wissen.
3- Snel continu wissen.
4- Tijdelijke werking (onvergren-
delde stand): als u de hendel loslaat,
springt deze direct weer in stand 0en
schakelen de ruitenwissers automa-
tisch uit.
Ruitensproeiers (fig. 94)
Als u de hendel naar het stuur trekt
(onvergrendelde stand), schakelen de
ruitensproeiers in.
Als u de hendel aangetrokken houdt,
dan worden in één beweging de rui-
tenwissers/-sproeiers ingeschakeld; de
ruitenwissers schakelen automatisch
in als u de hendel voor bediening van
de ruitensproeiers langer dan een
halve seconde aangetrokken houdt.
fig. 93
L0A0203b
fig. 94
L0A0204b

102
De ruitenwissers blijven nog enkele
slagen werken, nadat u de hendel los-
laat; na enige seconden volgt nog een
“reinigingsslag”.
De ruitensproeiermonden zijn voor-
zien van verwarmingselementen, die
automatisch in werking treden (ge-
durende ongeveer 3 seconden) als u
op de knop voor snelle ontwase-
ming/ontdooiing van de ruiten drukt.
Koplampsproeiers (fig. 95)
De koplampsproeiers worden auto-
matisch ingeschakeld als het dimlicht
brandt en de ruitensproeiers worden
ingeschakeld.
BELANGRIJK In bepaalde omstan-
digheden wordt bij ingeschakelde
koplampsproeiers automatisch de
luchtrecirculatie ingeschakeld, om te
voorkomen dat de geur van de vloei-
stof in het interieur dringt.
Regensensor
Op de voorruit is een infrarood-re-
gensensor gemonteerd. De sensor
zorgt ervoor dat de frequentie van de
slagen van de ruitenwissers, tijdens
het wissen met interval, automatisch
wordt aangepast aan de hoeveelheid
regen op de ruit.
Alle andere functies die met de
rechter hendel worden bediend (uit-
schakeling ruitenwissers, continu wis-
sen met lang of kort interval, tijdelijk
wissen met kort interval, ruiten-
sproeiers en koplampsproeiers) blij-
ven onveranderd.
fig. 95
L0A0122b
De regensensor schakelt automa-
tisch in als de rechter hendel in stand
1(fig. 93) wordt geplaatst en heeft
een regelbereik dat oplopend varieert
van uitgeschakelde ruitenwissers
(geen slagen) als de ruit droog is, tot
ruitenwissers die ingeschakeld worden
op de tweede continue snelheid (snel
continu wissen) bij hevige regen.
Telkens als u de rechter hendel in
stand 1zet om de regensensor in te
schakelen, maken de ruitenwissers 1
slag. Hiermee wordt aangegeven dat
het systeem weer is ingeschakeld.
BELANGRIJK Houd voor een cor-
recte werking van de regensensor de
ruit in de omgeving van de sensor
schoon.

103
Als de ruitensproeiers worden be-
diend bij ingeschakelde regensensor
(hendel in stand 1), werkt het nor-
male reinigingsprogramma. Daarna
hervat de regensensor zijn normale
automatische werking.
Draai de contactsleutel in stand
STOP om de regensensor uit te
schakelen. Als de motor daarna wordt
gestart (sleutel in stand MAR),
schakelt de regensensor niet opnieuw
in, ook niet als de hendel in stand 1is
blijven staan. Hiermee wordt voorko-
men dat bij het starten van de motor
de ruitenwissers onverwachts in-
schakelen, waardoor gevaarlijke si-
tuaties kunnen ontstaan (bijvoorbeeld
tijdens het handmatig reinigen van de
voorruit of door het blokkeren van de
wisserrubbers op de ruit door de
aanwezigheid van ijs, waardoor de rui-
tenwissermotor beschadigd kan wor-
den). Om de regensensor opnieuw in
te schakelen moet u de hendel in stand
0of 2zetten en vervolgens opnieuw in
stand 1, of de gevoeligheid veranderen
met behulp van draaiknop A(verho-
gen of verlagen).
Als de regensensor op deze wijze
opnieuw wordt ingeschakeld, wordt
ten minste één wisslag uitgevoerd, ook
bij een droge ruit. Hiermee wordt
aangegeven dat het systeem weer is
ingeschakeld.
De regensensor bevindt zich achter
de achteruitkijkspiegel in het gebied
dat bestreken wordt door de rui-
tenwissers en staat in contact met de
voorruit. De sensor levert een signaal
aan een elektronische regeleenheid,
die vervolgens de ruitenwissermotor
bedient.
Telkens als de motor wordt gestart
wordt de regensensor automatisch
verwarmd tot ongeveer 40°C, zodat
eventuele condens van het meetop-
pervlak wordt verwijderd en eventuele
ijsvorming wordt voorkomen.
Als u draaiknop A(fig. 96) draait,
dan wordt de gevoeligheid van de re-
gensensor verhoogd, waardoor de
overgang van stilstaande ruitenwissers
bij een droge ruit, naar de tweede
snelheid (snel continu wissen) sneller
plaatsvindt:
n = minimale gevoeligheid
nn = gemiddelde gevoeligheid
nnn = hoge gevoeligheid
nnnn = maximale gevoeligheid.
Als tijdens de werking van de regen-
sensor de gevoeligheid verhoogd
wordt, maken de ruitenwissers 1 slag.
Hiermee wordt aangegeven dat de ge-
voeligheid veranderd is.
fig. 96
L0A0205b

104
Storing in sensor
Bij ingeschakelde regensensor wordt,
als er een storing in de sensor is, de
intervalstand van de ruitenwissers in-
geschakeld op de ingestelde gevoelig-
heid, ongeacht of er regen op de ruit
aanwezig is.
Het display op het instrumentenpa-
neel geeft de storing in de sensor aan
door middel van het bericht “DE-
FECT REGENSENSOR – BEZOEK
EEN WERKPLAATS”; de storings-
melding blijft weergegeven zolang de
sensor is ingeschakeld. In dat geval is
het raadzaam de regensensor uit te
schakelen en de ruitenwissers, indien
nodig, in te schakelen in de continu-
stand (1eof 2esnelheid); wendt u ver-
volgens zo snel mogelijk tot de Lan-
cia-dealer.
Controleer voordat u de
voorruit reinigt (bijv. bij
een tankstation) of de re-
gensensor is uitgeschakeld of de
contactsleutel in stand STOP is ge-
draaid.
De regensensor moet uitge-
schakeld zijn als u de auto met de
hand wast of als de auto in een
wastunnel wordt gereinigd.
De regensensor is in staat om de vol-
gende omstandigheden te herkennen
en zijn gevoeligheid hieraan aan te
passen:
– vuil op het controle-oppervlak
(zoutaanslag, vuil enz.)
– waterstrepen veroorzaakt door
versleten wisserrubbers
– verschil tussen dag en nacht (het
zicht wordt ‘s nachts sterker gehin-
derd door vocht op de ruit).
Schakel de regensensor
niet in als er ijs of sneeuw
op de voorruit zit, om be-
schadiging aan de ruitenwisser-
motor te voorkomen.

105
INSTRUMENTENPANEEL
BENZINE-UITVOERINGEN (fig. 97)
A- Koelvloeistoftemperatuurmeter
met waarschuwingslampje voor te
hoge koelvloeistoftemperatuur
B- Snelheidsmeter
C- Multifunctioneel display voor
symbolen/berichten/storingsmeldingen
en herhaling CONNECT-informatie
D- Toerenteller
E- Brandstofmeter met waar-
schuwingslampje brandstofreserve
F- Actueel brandstofverbruik
G- Controle- en waarschuwings -
lampjes
H- Display kilometerteller (totaal-
stand en dagteller) en automatische
versnellingsbak
I- Knop voor op nul zetten dagtel-
ler/Wissen storingsmeldingen op het
display
fig. 97
L0A0230b

106
JTD-UITVOERINGEN (fig. 98)
fig. 98
L0A0231b
A- Koelvloeistoftemperatuurmeter
met waarschuwingslampje voor te
hoge koelvloeistoftemperatuur
B- Snelheidsmeter
C- Multifunctioneel display voor
symbolen/berichten/storingsmeldingen
en herhaling informatie CONNECT
D - Toerenteller
E- Brandstofmeter met waar-
schuwingslampje brandstofreserve
F- Actueel brandstofverbruik
G- Controle- en waarschuwings-
lampjes
H- Display kilometerteller (totaal-
stand en dagteller)
I- Knop voor op nul zetten dagtel-
ler/Wissen storingsberichten op het
display

107
INSTRUMENTEN
SNELHEIDSMETER (fig. 99)
Geeft de snelheid van de auto in ki-
lometers per uur (km/h). Het instru-
ment geeft informatie als de snelheid
hoger is dan ongeveer 4 km/h.
TOERENTELLER (fig. 100)
Als de wijzernaald in het rode gebied
staat (gevarenzone), dan draait de
motor met extreem hoge toerentallen.
Het is raadzaam deze toerentallen
slechts kort aan te houden.
Bij stationair draaiende motor kan
de toerenteller een geleidelijke of plot-
selinge toerentalstijging aangeven; dit
is normaal en vindt plaats, bijvoor-
beeld, als de airconditioning of de
elektroventilateur inschakelt. Een
langzame wijziging in toerental dient
vooral voor het behoud van de lading
van de accu.
BELANGRIJK Afhankelijk van de
motoruitvoering van de auto verschilt
het meetbereik en de gevarenzone van
de toerenteller.
BELANGRIJK De regeleenheid van
de elektronische inspuiting sluit de
brandstoftoevoer tijdelijk af als de
motor met te hoge toerentallen draait,
waardoor het motorvermogen zal af-
nemen.
fig. 99
L0A0232b
fig. 100
L0A0233b

108
fig. 102
L0A0236b
KOELVLOEISTOF-
TEMPERATUURMETER MET
WAARSCHUWINGSLAMPJE
VOOR TE HOGE
KOELVLOEISTOF-
TEMPERATUUR (fig. 101)
Het instrument geeft de temperatuur
aan van de motorkoelvloeistof, zodra
de koelvloeistoftemperatuur hoger
wordt dan ongeveer 50 °C.
Onder normale omstandigheden
staat de wijzernaald ongeveer in het
midden van de schaal. Als de wijzer-
naald in de buurt komt van de maxi-
male waarden, moet gas worden te-
ruggenomen.
Als het waarschuwingslampje Agaat
branden en op het display van het in-
strumentenpaneel het bericht “TE
HOGE KOELVLOEISTOFTEMP”
verschijnt, dan is de koelvloeistoftem-
peratuur te hoog; zet in dat geval de
motor uit en wendt u tot de Lancia-
dealer.
BELANGRIJK De wijzernaald kan
ook in de buurt komen van de maxi-
male waarden door opeenhoping van
vuil aan de buitenzijde van de radia-
teur van het motorkoelsysteem. In dat
geval is het raadzaam de radiateur te
controleren, eventueel vuil te verwij-
deren en zo snel mogelijk de buiten-
zijde van de radiateur grondig te rei-
nigen.
BRANDSTOFMETER MET
WAARSCHUWINGSLAMPJE
VAN DE RESERVEBRANDSTOF
(fig. 102)
Het waarschuwingslampje van de
brandstofreserve Agaat branden en
op het display van het instrumenten-
paneel verschijnt het bericht
“BRANDSTOF TANKEN”, als er nog
ongeveer 10 liter brandstof aanwezig
is.
BELANGRIJK Rijd niet met een
bijna lege tank: door een onregelma-
tige brandstoftoevoer kan de kataly-
sator beschadigen.
fig. 101
L0A0235b

109
BELANGRIJK Tank uitsluitend
brandstof als de motor is uitgezet en
de contactsleutel in stand STOP staat.
Als getankt wordt bij uitgezette mo-
tor maar met de contactsleutel in
stand MAR, kan het brandstofniveau
tijdelijk verkeerd worden weergege-
ven. Dit wordt veroorzaakt door de
werking van het controlesysteem en
niet door een storing in het systeem.
ACTUEEL BRANDSTOF -
VERBRUIK (fig. 103)
Het instrument Ageeft het actuele
brandstofverbruik aan: om te voorko-
men dat de waarde te sterk schom-
melt, wordt het gemiddelde verbruik
van de laatste minuten aangegeven,
uitgedrukt in l/100 km (verbruikte li-
ters per 100 km).
De bestuurder kan met de aangege-
ven waarde de verschillen in brand-
stofverbruik in relatie tot de rijstijl be-
palen.
De wijzer van het instrument staat:
– op waarde 0 l/100 km als de auto
stilstaat
– dicht bij de waarde 2 l/100 km bij
een snelheid tussen 4 en 20 km/h en
als het gaspedaal wordt losgelaten als
de auto rijdt
– op de waarde van het normale
brandstofverbruik (tussen 2 en 20
l/100 km) bij een snelheid boven 20
km/h.
fig. 103
L0A0234b

110
DISPLAY KILOMETERTELLER
(TOTAALSTAND EN
DAGTELLER) EN
AUTOMATISCHE
VERSNELLINGSBAK
Op het display ( fig. 104) worden
weergegeven:
– op de eerste regel onderaan Ade
totaalstand (6 cijfers);
– op de tweede regel Bde dagteller-
stand (4 cijfers);
– aan de bovenzijde Cde inge-
schakelde of geselecteerde versnelling
(uitvoeringen met elektronisch gere-
gelde automatische versnellingsbak).
Voor het op nul zetten van de dag-
stand moet knopje A(fig. 105) ten
minste 2 seconden worden ingedrukt.
Als het knopje korter dan 2 secon-
den wordt ingedrukt, worden even-
tuele storingsmeldingen op het display
gewist.
Als de contactsleutel in stand STOP
staat of is uitgenomen, is het display
gedoofd. Als een voorportier wordt
geopend of gesloten, wordt het display
verlicht en verschijnt ongeveer 20 se-
conden de dagteller- en totaalstand.
BELANGRIJK Als de accu wordt
losgekoppeld, wordt de dagstand uit
het geheugen gewist.
fig. 104
L0A0237b
fig. 105
L0A0092b
MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY
(fig. 106)
Het multifunctionele display geeft
alle nuttige en noodzakelijke
informatie tijdens de rit weer:
Informatie op het
standaardscherm
– Tijd A
– Buitentemperatuur B.
fig. 106
L0A0258b

111
Informatie over hulpsystemen
bij het rijden
– Informatie over de cruise-control
– Informatie over de adaptieve
cruise-control
De taal die gebruikt wordt voor de
storingsmeldingen en de berichten op
het multifunctionele display is de-
zelfde taal als die voor het CONNECT
(waar de taal kan worden ingesteld).
Informatie over de auto
– Afstand tot volgende servicebeurt
– Motoroliepeil (alleen JTD-uitvoe-
ringen)
– Lichtsterkteregeling bedienings-
knoppen
– Weergave storingen
– Weergave waarschuwingen met
bijbehorende symbolen (bijv. “LET
OP: GEVAAR OP IJSVORMING”,
“ASR UITGESCHAKELD”, enz.).
Informatie CONNECT
Informatie die door het CONNECT
geleverd wordt:
– Informatie over het AUDIOSYS-
TEEM
– Informatie over het NAVIGATIE-
SYSTEEM (herhaling pictogrammen)
– Informatie over de TELEFOON
– Informatie over het SPRAAK-
VELD
– Melding van ontvangst van SMS-
berichten.

112
STARTCONTROLE
Als voor het starten van de motor de
contactsleutel in stand MAR wordt
gedraaid, worden de belangrijkste
elektronische systemen van de auto en
het motoroliepeil (alleen JTD-uitvoe-
ringen) gecontroleerd en aangegeven
wanneer de eerstvolgende on-
derhoudsbeurt van het Geprogram-
meerd Onderhoud moet worden uit-
gevoerd.
Startcontrole
Lampje/symbool
y
z
Opmerkingen
–
–
Bericht
DIAGNOSE WORDT UITGE-
VOERD
OK
Betekenis van het bericht
De startcontrole is bezig
De startcontrole is
voltooid en alle gecontroleerde
systemen zijn in orde

113
Controle van het motoroliepeil (alleen JTD-uitvoeringen)
Het motoroliepeil wordt alleen juist weergegeven als de auto op een vlakke ondergrond staat.
Als het oliepeil te laag is, moet, voordat wordt bijgevuld, eerst het oliepeil gecontroleerd worden met de peilstok, zoals is
aangegeven in de paragraaf “Niveaus controleren” in het hoofdstuk “Onderhoud van de auto”.
Lampje/symbool
Ç
k
Ñ
Opmerkingen
Als het oliepeil dicht bij
het MIN-merkteken staat,
vul dan zo snel mogelijk bij
Herstel het juiste motoroliepeil
Controleer met de peilstok of
het oliepeil het MAX-merk-
teken niet overschrijdt
Als het oliepeil het
MAX-merkteken
overschrijdt, wendt
u dan tot de Lancia-
dealer
Bericht
MOTOROLIEPEIL
TE LAAG MOTOROLIEPEIL
ZET DE MOTOR AF
RIJD NIET VERDER
TE HOOG MOTOROLIE-
PEIL
Betekenis van het bericht
Geeft het motoroliepeil aan
Het motoroliepeil is onder het
minimum niveau
Het motoroliepeil
kan boven
het maximum niveau staan

114
Informatie over het
Geprogrammeerd Onderhoud
De informatie wordt gegeven in km
of dagen, afhankelijk van de eerstvol-
gende servicebeurt.
Het Geprogrammeerd Onderhoud
voorziet in 9 onderhoudsbeurten die
iedere 20.000 km of ieder jaar moe-
ten worden uitgevoerd.
– in dagen: 27 - 24 - 21 - 18 - 15 -
12 - 9 - 6 - 3.
BELANGRIJK De informatie die
door het instrumentenpaneel wordt
opgeslagen, blijft bewaard ook als de
voeding onderbroken wordt.
De informatie verschijnt op het dis-
play vanaf 2.000 km of 30 dagen
vóór de servicebeurt en daarna met de
volgende intervallen:
– in km: 1.800 - 1.600 - 1.400 -
1.200 - 1.000 - 800 - 600 - 400 - 200
- 100 - 50
Lampje/symbool
É
Bericht
GEPROGRAMMEERD
ONDERHOUD
BINNEN: xxxx km
GEPROGRAMMEERD
ONDERHOUD
BINNEN: xx dd
GEPROGRAMMEERD
ONDERHOUD
VERSTREKEN: 0 km
GEPROGRAMMEERD
ONDERHOUD
VERSTREKEN: 0 dd
Betekenis van het bericht
Geeft het aantal kilometers
aan waarbinnen de volgende
onderhoudsbeurt van het
Geprogrammeerd Onderhoud
moet worden uitgevoerd
Geeft het aantal dagen aan
waarbinnen de volgende on-
derhoudsbeurt van het
Geprogrammeerd Onderhoud
moet worden uitgevoerd
Geeft aan dat de termijn is be-
reikt waarop de onderhouds -
beurt van het Geprogram-
meerd Onderhoud moet wor-
den uitgevoerd.
Geeft aan dat 1 jaar is ver-
streken na de laatste on-
derhoudsbeurt van het
Geprogrammeerd Onderhoud
Opmerkingen
Als de termijn vervallen is, wendt u
dan tot de Lancia-dealer voor het
programmeren van de volgende on-
derhoudsbeurt van het
Geprogrammeerd Onderhoud
Als de termijn vervallen is, wendt u
dan tot de Lancia-dealer
voor het programmeren
van de onderhoudsbeurt van het
Geprogrammeerd Onderhoud
Wendt u zo snel mogelijk tot de
Lancia-dealer om de onderhouds-
beurt van het Geprogrammeerd On-
derhoud te laten uitvoeren
Wendt u zo snel mogelijk tot de
Lancia-dealer om de onderhouds-
beurt van het Geprogrammeerd On-
derhoud te laten uitvoeren

115
CONTROLE-/WAAR -
SCHUWINGSLAMP -
JES EN MELDINGEN
OP HET INSTRU -
MENTENPANEEL
Op het instrumentenpaneel bevin-
den zich de belangrijkste controle-
/waarschuwingslampjes. Sommige
van deze lampjes verschijnen tege-
lijkertijd met bijbehorende waar-
schuwingen ook op het multifunctio-
nele display op het dashboard.
Veel meldingen/berichten verschijnen
tegelijkertijd met een symbool alleen
op het multifunctionele display met de
bijbehorende waarschuwingen voor de
gebruiker.
BELANGRIJK Sommige meldingen
hangen af van de uitvoering en bij-
behorende uitrusting van de auto.
ALGEMENE OPMERKINGEN
Naast de storingsmeldingen die op
het multifunctionele display worden
weergeven, het geluidssignaal dat u
hoort en het gaan branden van het
betreffende lampje (indien aanwezig),
verschijnen er specifieke waar-
schuwingsberichten (bijvoorbeeld:
“BEZOEK EEN WERKPLAATS”,
“ZET DE MOTOR AF”, enz.). Deze
berichten zijn kort en uit voorzorg
en hebben tot doel u er op attent te
maken snel actie te ondernemen als
er een storing in de werking van de
auto wordt gevonden. Een dergelijk
bericht moet echter als een aanvulling
worden gezien en niet als alternatief
voor de informatie in dit instructie-
boekje. Wij raden u daarom aan dit
instructieboekje goed door te lezen.
Houdt u bij een storingsmelding al-
tijd aan de aanwijzingen die in dit
hoofdstuk beschreven worden.
De storingsmeldingen die op het dis-
play Infocenter verschijnen, zijn on-
derverdeeld in twee categorieën: zeer
ernstige storingen en ernstige storin-
gen. Bij de zeer ernstige storingen ver-
schijnen er afwisselend, enkele secon-
den, het bericht met betrekking tot de
storing en het waarschuwingsbericht.
Deze “cyclus” wordt een onbepaalde
tijd herhaald, waarbij de weergave die
daarvoor op het display werd aange-
geven onderbroken wordt. Iedere keer
als u de contactsleutel in stand MAR
zet, wordt de “cyclus” opnieuw weer-
gegeven, totdat de oorzaak van de sto-
ring is verholpen. Bovendien is het
mogelijk de “cyclus” te onderbreken
door kort (minder dan twee seconden)
het knopje voor het op nul zetten van
de dagstand in te drukken. In dat ge-
val blijft het symbool dat betrekking
heeft op de storing centraal op het
display weergegeven, totdat de oor-
zaak van de storing verholpen is.

116
RICHTINGAANWIJZER
LINKS (pijlen)
Het lampje gaat branden
als de richtingaanwijzer links (pijlen)
wordt ingeschakeld en, tegelijkertijd
met het lampje van de rechter rich-
tingaanwijzer, als de waarschuwings-
knipperlichten worden ingeschakeld.
RICHTINGAANWIJZER
RECHTS (pijlen)
Het lampje gaat branden
als de richtingaanwijzer rechts (pij-
len) wordt ingeschakeld en, tege-
lijkertijd met het lampje van de linker
richtingaanwijzer, als de waar-
schuwingsknipperlichten worden in-
geschakeld.
BUITENVERLICHTING
Het lampje gaat branden
als de buiten- of parkeer-
verlichting wordt ingeschakeld.
GROOTLICHT
Het lampje gaat branden
als het grootlicht wordt in-
geschakeld of als het grootlichtsignaal
wordt gegeven.
MISTLAMPEN VOOR
Het lampje gaat branden
als de mistlampen voor
worden ingeschakeld.
Ÿ
Δ
3
1
5
Bij de ernstige storingen verschijnen
er afwisselend, enkele seconden, het
bericht met betrekking tot de storing
en het waarschuwingsbericht. Deze
cyclus wordt ongeveer 20 seconden
herhaald en verdwijnt daarna. Iedere
keer als u de contactsleutel in stand
MAR zet, wordt de cyclus opnieuw
weergegeven. Als de signaleringscy-
clus (ongeveer 20 seconden) ten einde
is of als kort (minder dan 2 seconden)
op het knopje voor het op nul zetten
van de dagstand wordt gedrukt,
wordt het symbool met betrekking tot
de storing gereduceerd tot een icoontje
en weergegeven aan de onderkant van
het display. Hierna wordt het scherm
weergegeven van voor de storings-
melding.

117
UITGESCHAKELDE
ZIJ-AIRBAGS ACHTER
Het lampje gaat branden
als de zij-airbags achter (side-bags)
met de sleutelschakelaar worden uit-
geschakeld.
STORING IN
MOTORMANAGE -
MENTSYSTEEM (EOBD)
(benzine-uitvoeringen)
Als u onder normale omstandighe-
den de contactsleutel in stand MAR
draait, gaat het lampje branden. Het
moet doven nadat de motor is gestart.
Als het lampje blijft branden of tij-
dens het rijden gaat branden en op
het multifunctionele display het be-
richt “DEFECT IN MOTORCON-
TROLESYSTEEM” verschijnt:
constant branden - duidt op een
defect in het inspuit-/ontstekingssys-
teem. Dit kan tot gevolg hebben dat
de schadelijke uitlaatgasemissie toe-
neemt, de prestaties verminderen, de
auto slechter gaat rijden en het brand-
stofverbruik toeneemt.
U kunt onder deze omstandigheden
doorrijden zonder te veel van de mo-
tor te eisen of met hoge snelheid te rij-
den. Als u te lang doorrijdt met een
brandend waarschuwingslampje kan
dat schade veroorzaken. Wendt u zo
snel mogelijk tot de Lancia-dealer.
AIRBAG
PASSAGIERSZIJDE
UITGESCHAKELD
Het lampje gaat branden als de air-
bag voor aan passagierszijde met de
sleutelschakelaar wordt uitge-
schakeld.
VEILIGHEIDS -
GORDELS
Als u de contactsleutel in
stand MAR draait, gaat het lampje op
het instrumentenpaneel continu bran-
den als de veiligheidsgordel aan be-
stuurderszijde niet is omgelegd.
F
<
U
À
MISTACHTERLICHTEN
Het lampje gaat branden
als de mistachterlichten
worden ingeschakeld.
STORING IN AIRBAG
Als u de contactsleutel in
stand MAR draait, gaat het
lampje branden. Na enkele seconden
moet het lampje doven. Het lampje
gaat branden en op het multifunctio-
nele display verschijnt het bericht
“STORING IN AIRBAG” als er een
storing is in de werking van de airbag.
4
¬
Als tijdens het rijden
lampje ¬gaat branden en
het bericht “STORING IN
AIRBAG - ZET DE MOTOR AF,
RIJD NIET VERDER” verschijnt,
zet dan de motor onmiddellijk uit
en wendt u tot de Lancia-dealer.
Als u de contactsleutel in stand
MAR draait en het lampje gaat niet
branden of het lampje blijft bran-
den, wendt u dan tot de Lancia-
dealer.

118
STORING IN
INSPUITSYSTEEM
(JTD-uitvoeringen)
Als u onder normale omstandighe-
den de contactsleutel in stand MAR
draait, gaat het lampje op het instru-
mentenpaneel branden. Na enkele se-
conden moet het lampje doven.
Als het lampje blijft branden of tij-
dens het rijden gaat branden en op het
multifunctionele display het bericht
“DEFECT IN MOTORCONTROLE-
SYSTEEM” verschijnt, dan is er een
storing in het inspuitsysteem. Dit kan
tot gevolg hebben dat de prestaties ver-
minderen, de auto slechter gaat rijden
en het brandstofverbruik toeneemt.
U kunt onder deze omstandigheden
doorrijden zonder te veel van de mo-
tor te eisen of met hoge snelheid te rij-
den. Wendt u zo snel mogelijk tot de
Lancia-dealer.
Als u te lang doorrijdt met een bran-
dend waarschuwingslampje kan dat
schade veroorzaken, vooral als de mo-
tor onregelmatig draait of overslaat.
Rijd slechts korte tijd en met een laag
toerental.
U
Het lampje dooft als de storing
verdwijnt, maar de storing wordt door
het systeem opgeslagen.
knipperend - duidt op een moge-
lijke beschadiging van de katalysator
(zie “EOBD” in dit hoofdstuk).
Als het lampje knippert, moet het
gaspedaal worden losgelaten zodat de
motor met lage toerentallen draait en
het lampje niet meer knippert; u kunt
met matige snelheid doorrijden waar-
bij rij-omstandigheden moeten wor-
den vermeden die kunnen leiden tot
het opnieuw gaan knipperen van het
lampje. Wendt u zo snel mogelijk tot
de Lancia-dealer.
Als u de contactsleutel in
stand MAR draait en het
lampje Ugaat niet bran-
den of het gaat branden of knip-
peren tijdens het rijden, wendt u
dan zo snel mogelijk tot de Lan-
cia-dealer.
TE LAAG REMVLOEI-
STOFNIVEAU
Als u de contactsleutel in
stand MAR draait, gaat het lampje op
het instrumentenpaneel branden. Na
enkele seconden moet het lampje do-
ven.
Het lampje gaat branden en op het
multifunctionele display verschijnt het
bericht “LAAG REMVLOEISTOF-
PEIL” als het remvloeistofniveau in
het reservoir onder het minimum ni-
veau is gedaald, bijvoorbeeld door een
lekkage in het remsysteem.
x

119
DEFECT IN
ANTIBLOKKEER -
SYSTEEM (ABS)
Als u de contactsleutel in stand MAR
draait, gaat het lampje branden. Na
enkele seconden moet het lampje do-
ven.
Als het systeem defect is, dooft het
lampje niet of gaat het tijdens het rij-
den branden met daarbij het bericht
“DEFECT IN ABS” op het multi-
functionele display. In dat geval blijft
het remsysteem normaal werken,
maar zonder de mogelijkheden van
het ABS. Wendt u zo snel mogelijk tot
de Lancia-dealer.
Als het lampje op het instrumenten-
paneel defect is, gaat het lampje op
het multifunctionele display branden
en verschijnt het bericht “DEFECT
IN LAMPJE ABS”: wendt u in dat ge-
val zo snel mogelijk tot de Lancia-
dealer.
Als er een storing is in het
EBD dan kunnen bij hard
remmen de achterwielen
vroegtijdig blokkeren waardoor de
auto kan gaan slippen. Als er een
storing in het EBD-systeem wordt
gesignaleerd, zet dan de auto on-
middellijk stil en wendt u tot de
Lancia-dealer.
>STORING IN
ELEKTRO -
NISCHE
REMDRUKVERDELING (EBD)
De auto is uitgerust met een elektro-
nische remdrukverdeling (EBD). Als
de lampjes xen >op het instru-
mentenpaneel gelijktijdig gaan bran-
den en op het multifunctionele display
het bericht “DEFECT IN EBD” ver-
schijnt, dan is er een storing in het
EBD.
x>
Als het lampje xgaat
branden tijdens het rijden,
zet dan onmiddellijk de
motor uit en wendt u tot de Lan-
cia-dealer.
Als het lampje op het instrumenten-
paneel defect is, gaat het lampje op
het multifunctionele display branden
en verschijnt het bericht “DEFECT
IN LAMPJE REMVLOEISTOF”:
wendt u in dat geval zo snel mogelijk
tot de Lancia-dealer.

120
STORING IN ESP
(ELECTRONIC
STABILITY PROGRAM)
Als u de contactsleutel in stand MAR
draait, gaat het lampje op het instru-
mentenpaneel branden. Na enkele se-
conden moet het lampje doven.
Als het lampje niet dooft of tijdens
het rijden gaat branden en op het
multifunctionele display het bericht
“DEFECT IN ESP” verschijnt, wendt
u dan tot de Lancia-dealer.
Een knipperend lampje tijdens het
rijden geeft aan dat het ESP-systeem
in werking is getreden.
Als het lampje op het instrumenten-
paneel defect is, gaat het lampje op
het multifunctionele display branden
en verschijnt het bericht “DEFECT
IN LAMPJE ESP”: wendt u in dat ge-
val zo snel mogelijk tot de Lancia-
dealer.
Automatische handrem
(EPB)
Als u de contactsleutel in
stand MAR draait, gaat het lampje op
het instrumentenpaneel branden. Na
enkele seconden moet het lampje do-
ven.
Als het lampje xop het instrumen-
tenpaneel defect is, gaat lampje 3
op het multifunctionele display bran-
den en verschijnt het bericht “DE-
FECT IN LAMPJE EPB - BEZOEK
EEN WERKPLAATS”: wendt u in
dat geval zo snel mogelijk tot de Lan-
cia-dealer.
áx
Als het lampje xniet
dooft of blijft branden tij-
dens het rijden en op het
display het bericht “DEFECT IN
EPB - BEZOEK EEN WERK-
PLAATS” verschijnt, wendt u dan
onmiddellijk tot de Lancia-dealer.

121
SYMBOLEN EN BERICHTEN OP
HET MULTIFUNCTIONELE
DISPLAY
Hierna worden de gecontroleerde
systemen en parameters van de auto
en de bijbehorende symbolen, berich-
ten en storingsmeldingen die op het
multifunctionele display kunnen ver-
schijnen, weergegeven.
In de tabel verschijnt naast elke mel-
ding, de betekenis ervan en de uit te
voeren handeling(en).
De aanwezigheid van sommige sym-
bolen en meldingen hangt af van de
uitvoering en bijbehorende uitrusting
van de auto.
De twee afgebeelde schermen A(sto-
ringsmelding) en B(waarschuwings-
bericht) (fig. 107) wisselen elkaar af
en zijn voorbeelden van de manier
waarop iets kan worden weergegeven.
fig. 107
L0A0240i

122
Vertraagde uitschakeling buitenverlichting
Lampje/symbool
-
Lichtsterkte bedieningsknoppen
Lampje/symbool
x
Bericht
LICHTSTERKTE
INSTRUMENTEN
INSTELLEN
Betekenis van het bericht
Geeft het ingestelde lichtsterk-
teniveau aan van de instru-
mentenpaneelverlichting
Betekenis van het bericht
Geeft aan dat de functie “Fol-
low me home” voor het ver-
traagd uitschakelen van de
buitenverlichting voor de aan-
gegeven tijd is ingeschakeld
Opmerkingen
-
Opmerkingen
Minimum waarde: 30 seconden,
maximum waarde: 210 secon-
den met intervallen van 30 se-
conden
Stuurslot
Lampje/symbool
-
Bericht
FOLLOW ME
XXs
Bericht
STUURSLOT INSCHAKE-
LEN BIJ PORTIERVERGR.
Betekenis van het bericht
Het stuurslot vergrendelt als de
portieren met de afstandsbedie-
ning worden vergrendeld
Opmerkingen
–

123
Portieren
Lampje/symbool
8
9
q
Bericht
PORTIER OPEN
PORTIEREN OPEN
KINDERSLOT
UITGESCHAKELD
Betekenis van het bericht
Het met het symbool aangegeven
portier is niet goed gesloten
De met de symbolen aangegeven
portieren zijn niet goed gesloten
Het kinderveiligheidsslot op de
achterportieren (openen
van binnenuit niet mogelijk) is uit-
geschakeld
Handeling
Sluit het aangegeven portier
Sluit de aangegeven portieren
Schakel het kindervei-
ligheidsslot in als er
kinderen op de achter-
bank aanwezig zijn

124
Motorkap en kofferdeksel
Lampje/symbool
7
v
w
Bericht
MOTORKAP OPEN
BAGAGERUIMTE OPEN
BAGAGERUIMTE EN MO-
TORKAP OPEN
Betekenis van het bericht
De motorkap is niet
goed gesloten
Het kofferdeksel is niet
goed gesloten
De motorkap en het kofferdeksel
zijn niet goed gesloten
Handeling
Sluit de motorkap
Sluit het kofferdeksel
Sluit de motorkap en het koffer-
deksel
Anti-letselsysteem van de zijruiten
Lampje/symbool
5
Bericht
DEFECT IN ANTI-KLEMSYS-
TEEM RUIT LINKSVOOR be-
zoek een werkplaats
DEFECT IN ANTI-KLEM-
SYSTEEM RUIT RECHTS -
VOOR bezoek een werkplaats
DEFECT IN ANTI-KLEMSYS-
TEEM RUIT LINKS ACHTER
bezoek een werkplaats
DEFECT IN ANTI-KLEMSYS-
TEEM RUIT RECHTS -
ACHTER bezoek een werk-
plaats
Betekenis van het bericht
De anti-letselsensor
van de zijruit linksvoor
is defect
De anti-letselsensor
van de zijruit rechtsvoor
is defect
De anti-letselsensor
van de zijruit linksachter
is defect
De anti-letselsensor
van de zijruit rechtsachter
is defect
Handeling
Wendt u tot de
Lancia-dealer
Wendt u tot de
Lancia-dealer
Wendt u tot de
Lancia-dealer
Wendt u tot de
Lancia-dealer

125
Lancia CODE, Keyless System (CID) en diefstalalarm
Lampje/symbool
Y
Bericht
BATTERIJ AFSTANDSBE-
DIENING LEEG
ELEKTRONISCHE SLEU-
TEL NIET HERKEND
DEFECT IN DIEFSTAL -
ALARM BEZOEK EEN
WERKPLAATS
INBRAAKPOGING
DEFECT IN
BEVEILIGING
BEZOEK EEN WERK-
PLAATS
SLEUTEL NIET MEER IN
AUTO AANWEZIG AUTO
KAN NIET WORDEN GE-
START
Betekenis van het bericht
De batterij van de afstandsbedie-
ning is bijna leeg
De Lancia CODE herkent de code
van de CID niet
Het diefstalalarm
is defect
Er is een inbraakpoging
geconstateerd
Er zijn storingen
in de Lancia CODE
geconstateerd
De CID is niet meer
in de auto aanwezig waardoor
de motor niet kan worden gestart
Handeling
Vervang de batterij
Probeer het met de andere CID’s die
bij de auto geleverd worden en voer,
indien nodig, een noodstart uit (zie
het hoofdstuk “Noodgevallen”)
Wendt u tot de
Lancia-dealer
Zie de paragraaf
“Diefstalalarm“
Wendt u tot de Lancia-dealer
Om de motor weer te kunnen star-
ten, moet de CID in het interieur
worden geplaatst

126
Voorgloei-installatie (JTD-uitvoeringen)
Lampje/symbool
m
èm
Bericht
-
DEFECT IN VOORGLOEI-
INSTALLATIE
BEZOEK EEN WERK-
PLAATS
Betekenis van het bericht
Het symbool geeft aan dat de voor-
gloei-installatie werkt. Het doven
geeft aan dat de voorgloeibougies
de vooraf ingestelde temperatuur
hebben bereikt.
Bij een hoge buitentemperatuur
kan het symbool zeer kort branden.
Storing in de
voorgloei-installatie
Opmerkingen / Handeling
Start de motor
onmiddellijk na het doven van het
symbool
Wendt u tot de Lancia-dealer
Brandstofniveau
Lampje/symbool
K
Bericht
BRANDSTOF
TANKEN
Betekenis van het bericht
De brandstof staat op het reserve-
niveau. De aanduiding verschijnt
als er in de brandstoftank nog
ongeveer 10 liter brandstof
aanwezig is
Opmerkingen
Tank zo snel mogelijk
BELANGRIJK
Rijd niet met een bijna lege tank:
door een onregelmatige brandstof-
toevoer kan de katalysator bescha-
digen

127
Buitentemperatuur (mogelijke ijsvorming)
Lampje/symbool
d
Bericht
LET OP: KANS OP
GLADHEID
Betekenis van het bericht
De buitentemperatuur is laag
en er is kans
op ijsvorming
Opmerkingen
Bij bepaalde omge-
vingsomstandigheden
(bruggen, viaducten,
bochten die blootstaan aan wind,
enz.) kan de buitentemperatuur
aan de grond lager zijn dan de
temperatuur ter hoogte van de
sensor en is ijsvorming toch mo-
gelijk. Dit gevaar wordt echter
niet op het display weergegeven.
Airbag
Lampje/symbool
¬
Bericht
DEFECT
IN AIRBAG
DEFECT
IN AIRBAG
ZET DE MOTOR AF,
RIJD NIET VERDER
Betekenis van het bericht
Er is een storing geconstateerd
in het airbag-systeem
Er is een storing geconstateerd
in het airbag-systeem
Handeling
Wendt u tot de Lancia-dealer
Zet de motor uit
en wendt u tot de Lancia-dealer

128
ABS (anti-blokkeersysteem)
Lampje/symbool
>
Bericht
SYSTEEM NIET BESCHIKBAAR
DEFECT IN ABS
BEZOEK EEN WERKPLAATS
DEFECT IN ABS
BEZOEK EEN WERKPLAATS
Betekenis van het bericht
Het systeem ijkt zichzelf
Het ABS van het remsysteem is de-
fect: in dit geval werkt het conventio-
nele remsysteem op de normale ma-
nier, terwijl geen gebruik wordt ge-
maakt van het antiblokkeersysteem.
Wij raden u aan om onder om-
standigheden waarbij de grip op
het wegdek niet optimaal is, zeer
voorzichtig te rijden.
Het systeem werkt maar het
lampje werkt niet en kan eventuele
storingen niet aangeven.
Handeling
–
Wendt u tot de Lancia-dealer
Wendt u tot de
Lancia-dealer
ESP (ELECTRONIC STABILITY PROGRAM)
Lampje/symbool
á
Bericht
SYSTEEM NIET
BESCHIKBAAR
DEFECT IN ESP BEZOEK
EEN WERKPLAATS
DEFECT IN ESP
BEZOEK EEN WERK-
PLAATS
Betekenis van het bericht
Het systeem ijkt zichzelf
Het systeem is defect
Het systeem werkt
maar het lampje werkt niet
en kan eventuele storingen niet
aangeven.
Handeling
-
Wendt u tot de Lancia-dealer
Wendt u tot de Lancia-dealer

ASR (anti-slipregeling)
Lampje/symbool
V
Bericht
ASR UITGESCHAKELD
ASR INGESCHAKELD
SYSTEEM NIET BESCHIK-
BAAR
Betekenis van het bericht
Het systeem is handmatig
uitgeschakeld
Het systeem is handmatig weer
ingeschakeld
Het systeem ijkt zichzelf
Handeling
-
-
-
EBD (elektronische remdrukverdeling
Lampje/symbool
x>
Bericht
DEFECT IN EBD
ZET DE MOTOR AF,
RIJD NIET VERDER
SYSTEEM NIET BESCHIK-
BAAR
Betekenis van het bericht
Het systeem is defect
Het systeem ijkt zichzelf
Handeling
Zet de auto stil en
wendt u tot de Lancia-dealer
De auto is uitgerust met
een elektronische rem-
drukverdeling (EBD).
Als bij een draaiende motor de
lampjes op het instrumentenpa-
neel xen >gelijktijdig gaan
branden, en op het multifunctio-
nele display het bericht “STO-
RING IN EBD” verschijnt, dan
kunnen bij hard remmen de
achterwielen vroegtijdig blokke-
ren waardoor de auto kan gaan
slippen.
-
129

130
EPB (automatische handrem)
Lampje/symbool
3
è
Bericht
DEFECT IN EPB BEZOEK
EEN WERKPLAATS
DEFECT IN LAMPJE EPB
BEZOEK EEN WERKPLAATS
DEFECT IN EPB
BEZOEK EEN WERKPLAATS
Betekenis van het bericht
De automatische handrem is defect
Het controlelampje van de auto-
matische handrem is defect
De automatische handrem is defect
Handeling
Wendt u tot de Lancia-dealer
Wendt u tot de Lancia-dealer
Wendt u tot de Lancia-dealer
EOBD (motormanagementsysteem – benzine-uitvoeringen)
Lampje/symbool
U
Bericht
DEFECT IN MOTOR -
CONTROLESYSTEEM
BEZOEK EEN WERKPLAATS
Betekenis van het bericht
Het motormanagementsysteem
is defect
Handeling
Wendt u zo snel mogelijk
tot de Lancia-dealer
Inspuitsysteem (JTD-uitvoeringen)
Lampje/symbool
U
Bericht
DEFECT IN MOTORCON-
TROLESYSTEEM BEZOEK
EEN WERKPLAATS
Betekenis van het bericht
Het inspuitsysteem is defect
Handeling
Wendt u zo snel mogelijk
tot de Lancia-dealer

131
Snelheid van de auto
Lampje/symbool
4
Bericht
SNELHEIDSLIMIET
OVERSCHREDEN
RIJD LANGZAMER
Betekenis van het bericht
De snelheid van de auto
is hoger dan de in het CONNECT
ingestelde limiet
Handeling
Verminder de snelheid van de auto
Cruise-control
Lampje/symbool
Ü
Bericht
CRUISE-CONTROL
INGESCHAKELD
Betekenis van het bericht
De cruise-control (elektronische
snelheidsregelaar) is ingeschakeld
Opmerkingen
-

132
Lampje/symbool
-
ú
-
à
à
è
Bericht
ADAPTIEVE CRUISE-CON-
TROL UITGESCHAKELD
ADAPTIEVE CRUISE-CON-
TROL INGESCHAKELD
ADAPTIEVE CRUISE-CON-
TROL NIET ACTIEF
DEFECT IN ADAPTIEVE
CRUISE-CONTROL
BEZOEK EEN WERK-
PLAATS
ADAPTIEVE CRUISE CON-
TROL DEFECT: LENS VUIL
BEZOEK EEN WERK-
PLAATS
DEFECT IN ADAPTIEVE
CRUISE-CONTROL
BEZOEK EEN WERK-
PLAATS
Betekenis van het bericht
De adaptieve cruise-control
is uitgeschakeld
De adaptieve cruise-control
is ingeschakeld
De adaptieve cruise-control is in-
geschakeld maar niet actief omdat
de snelheid van de auto die voor u
rijdt onder de 30 km/h is gezakt of
omdat het rempedaal is ingetrapt.
De adaptieve cruise-control is de-
fect
Storing in het systeem door
“verblinding” van de adaptieve sen-
sor, veroorzaakt door vuil op de lens
die zich op de antenne bevindt.
De adaptieve cruise-control is de-
fect
Handeling
-
-
-
Wendt u tot de Lancia-dealer
Wendt u tot de Lancia-dealer
Wendt u tot de Lancia-dealer
Adaptieve cruise-control
Voor alle informatie met betrekking tot de symbolen en de berichten die op het display verschijnen tijdens het normale ge-
bruik van het systeem, wordt verwezen naar de paragraaf “Adaptieve cruise- control”.

133
Elektronisch bediende automatische versnellingsbak (COMFORTRONIC)
Lampje/symbool
t
è
Bericht
DEFECT IN
COMFORTRONIC
RIJD LANGZAAM NAAR
EEN WERKPLAATS
TE HOGE OLIETEMPERA-
TUUR COMFORTRONIC
ZET DE MOTOR AF,
RIJD NIET VERDER
DEFECT IN
COMFORTRONIC BEZOEK
EEN WERKPLAATS
Betekenis van het bericht
De elektronisch bediende automa-
tische versnellingsbak (COMFOR-
TRONIC) is defect
Te hoge olietemperatuur
in de elektronisch bediende
automatische versnellingsbak
(COMFORTRONIC)
De elektronisch bediende automa-
tische versnellingsbak (COMFOR-
TRONIC) is defect
Handeling
Rijd langzaam naar
de Lancia-dealer
Zet de motor uit en wendt u tot de
Lancia-dealer
Wendt u tot de Lancia-dealer
Stuurbekrachtiging (VARIOSTEER)
Lampje/symbool
g
Bericht
DEFECT IN VARIOSTEER
RIJD LANGZAAM
NAAR EEN WERKPLAATS
Betekenis van het bericht
De stuurbekrachtiging (VARIO-
STEER) is defect
Handeling
Rijd langzaam naar
de Lancia-dealer
Wielophanging (SKYHOOK)
Lampje/symbool
‰
Bericht
DEFECT IN SKYHOOK
RIJD LANGZAAM
NAAR EEN WERKPLAATS
Betekenis van het bericht
De wielophanging (SKYHOOK) is
defect
Handeling
Rijd langzaam naar de Lancia-
dealer

134
Koplampafstelling
Lampje/symbool
6
Bericht
DEFECT IN KOPLAMP -
VERSTELLING
BEZOEK EEN WERK-
PLAATS
Betekenis van het bericht
De dynamische koplampverstelling
is defect
Handeling
Wendt u tot de Lancia-dealer
Niveau remvloeistof
Lampje/symbool
x
Bericht
TE LAAG REMVLOEISTOF-
PEIL ZET DE MOTOR AF,
RIJD NIET VERDER
DEFECT IN LAMPJE REM-
VLOEISTOF BEZOEK EEN
WERKPLAATS
Betekenis van het bericht
Het niveau van de remvloeistof in
het reservoir is onder het minimum
niveau gedaald vanwege een moge-
lijk verlies van vloeistof in het circuit
Het waarschuwingslampje voor te
laag remvloeistofniveau is defect
Handeling
Zet de auto stil en
wendt u tot de
Lancia-dealer
Wendt u tot de Lancia-dealer

135
Motoroliedruk
Lampje/symbool
v
èv
Bericht
TE LAGE
MOTOROLIEDRUK
ZET DE MOTOR UIT,
RIJD NIET VERDER
DEFECT IN SENSOR MO-
TOROLIEDRUK BEZOEK
EEN WERKPLAATS
Betekenis van het bericht
De motoroliedruk is
onder de normale waarde gezakt
De sensor van de motoroliedruk is
defect
Handeling
Zet de motor uit en wendt u tot de
Lancia-dealer
BELANGRIJK Als de motor zwaar
belast is geweest dan kan, als de
motor stationair draait, het bericht
op het display verschijnen. Het
moet verdwijnen als licht gas wordt
gegeven
Wendt u zo snel mogelijk tot de
Lancia-dealer
Te lage laadstroom naar de dynamo
Lampje/symbool
w
Bericht
DEFECT IN DYNAMO
RIJD LANGZAAM NAAR
EEN WERKPLAATS
Betekenis van het bericht
De dynamo is defect
waardoor de accu van de auto on-
voldoende
wordt opgeladen
Handeling
Rijd langzaam naar de
Lancia-dealer

136
Remblokken
Lampje/symbool
d
Bericht
REMBLOKKEN ZIJN VER-
SLETEN
BEZOEK EEN WERK-
PLAATS
Betekenis van het bericht
De remblokken voor zijn
versleten
Handeling
Wendt u tot de
Lancia-dealer
BELANGRIJK Omdat de auto is
uitgerust met slijtage-indicatoren op
de remblokken voor, moeten bij het
vervangen ook de remblokken ach-
ter worden gecontroleerd.
Motorkoelvloeistoftemperatuur
Lampje/symbool
u
è
Bericht
TE HOGE KOELVLOEI-
STOFTEMPERATUUR
ZET DE MOTOR AF,
RIJD NIET VERDER
DEFECT IN KOELVLOEI-
STOFTEMPERATUURSEN-
SOR BEZOEK EEN WERK-
PLAATS
Betekenis van het bericht
Geeft een te hoge koelvloeistoftem-
peratuur aan
De sensor van de koelvloeistoftem-
peratuur is defect
Handeling
Zet de motor uit en wendt u tot de
Lancia-dealer
Wendt u zo snel mogelijk tot de
Lancia-dealer
Niveau van de koelvloeistof
Lampje/symbool
n
Bericht
TE LAAG KOELVLOEI-
STOFPEIL ZET DE MOTOR
AF RAADPLEEG
INSTRUCTIEBOEKJE
Betekenis van het bericht
Het niveau van de koelvloeistof in
het reservoir is dicht bij of onder
het minimum niveau
Handeling
Zet de motor uit en vul, voordat u
verder rijdt, de vloeistof bij vol-
gens de aanwijzingen die staan
aangegeven in het hoofdstuk “On-
derhoud van de auto”

137
Niveau van de ruitensproeiervloeistof
Lampje/symbool
)
Bericht
TE LAAG VLOEISTOFNI-
VEAU RUITENSPROEIERS
CONTROLEER HET NIVEAU
Betekenis van het bericht
Het niveau van de ruitensproeier-
vloeistof in het reservoir
staat onder het minimum niveau
Handeling
Vul zo snel mogelijk bij volgens de
aanwijzingen die staan aangegeven
in het hoofdstuk “Onderhoud van
de Auto”
Buitenverlichting
Lampje/symbool
k
l
m
n
Bericht
LICHT LINKSVOOR DE-
FECT BEZOEK EEN
WERKPLAATS
LICHT RECHTSVOOR DE-
FECT BEZOEK EEN WERK-
PLAATS
LICHT LINKSACHTER DE-
FECT BEZOEK EEN WERK-
PLAATS
LICHT RECHTSACHTER
DEFECT BEZOEK EEN
WERKPLAATS
Betekenis van het bericht
De buitenverlichting
linksvoor brandt niet
De buitenverlichting
rechtsvoor brandt niet
De buitenverlichting
linksachter brandt niet
De buitenverlichting
rechtsachter brandt niet
Handeling
Wendt u tot de
Lancia-dealer
Wendt u tot de
Lancia-dealer
Wendt u tot de
Lancia-dealer
Wendt u tot de
Lancia-dealer

138
Richtingaanwijzers
Lampje/symbool
k
l
m
n
Bericht
RICHTINGAANWIJZER
LINKSVOOR DEFECT BE-
ZOEK EEN WERKPLAATS
RICHTINGAANWIJZER
RECHTSVOOR DEFECT
BEZOEK EEN WERKPLAATS
RICHTINGAANWIJZER
LINKSACHTER DEFECT
BEZOEK EEN WERKPLAATS
RICHTINGAANWIJZER
RECHTSACHTER DEFECT
BEZOEK EEN WERKPLAATS
Betekenis van het bericht
De richtingaanwijzer
linksvoor brandt niet
De richtingaanwijzer
rechtsvoor brandt niet
De richtingaanwijzer
linksachter brandt niet
De richtingaanwijzer
rechtsachter brandt niet
Handeling
Wendt u tot de
Lancia-dealer
Wendt u tot de
Lancia-dealer
Wendt u tot de
Lancia-dealer
Wendt u tot de Lancia-dealer
Remlichten
Lampje/symbool
o
p
q
T
Bericht
LINKER REMLICHT DEFECT
BEZOEK EEN WERKPLAATS
RECHTER REMLICHT DEFECT
BEZOEK EEN WERKPLAATS
LINKER EN RECHTER
REMLICHT DEFECT
BEZOEK EEN WERKPLAATS
ZEKERING REMLICHTEN
DEFECT
BEZOEK EEN WERKPLAATS
Betekenis van het bericht
Het linker remlicht brandt niet
Het rechter remlicht brandt niet
De remlichten branden niet
De remlichten branden niet
omdat de zekering is doorgebrand
Handeling
Wendt u tot de Lancia-dealer
Wendt u tot de Lancia-dealer
Wendt u tot de
Lancia-dealer
Wendt u tot de Lancia-dealer

139
Mistachterlichten
Lampje/symbool
o
p
q
Bericht
DEFECT IN MISTLAMP
LINKSACHTER BEZOEK
EEN WERKPLAATS
DEFECT IN MISTLAMP
RECHTSACHTER BEZOEK
EEN WERKPLAATS
DEFECT IN MISTLAMP
LINKS-/RECHTSACHTER
BEZOEK EEN WERKPLAATS
Betekenis van het bericht
Het linker mistachterlicht
brandt niet
Het rechter mistachterlicht
brandt niet
De mistachterlichten
branden niet
Handeling
Wendt u tot de
Lancia-dealer
Wendt u tot de
Lancia-dealer
Wendt u tot de Lancia-dealer
Kentekenplaatverlichting
Lampje/symbool
r
Bericht
DEFECT IN KENTEKEN -
LICHT BEZOEK EEN
WERKPLAATS
Betekenis van het bericht
Een of beide lampjes van de ken-
tekenplaatverlichting branden niet
Handeling
Wendt u tot de Lancia-dealer
Brandstofnoodschakelaar
Lampje/symbool
s
Bericht
BOTSSCHAKELAAR
INGESCHAKELD
Betekenis van het bericht
De schakelaar is
omhoog gesprongen ten gevolge
van een aanrijding
Handeling
Voordat u de schake-
laar weer indrukt, moet
u de aanwijzingen in de
betreffende paragraaf lezen

140
Parkeersensoren
Lampje/symbool
t
è
Bericht
DEFECT IN PARKEERSEN-
SOREN. BEZOEK EEN
WERKPLAATS
DEFECT IN PARKEERSEN-
SOREN. BEZOEK EEN
WERKPLAATS
Betekenis van het bericht
Een of meer parkeersensoren
zijn defect
Een of meer parkeersensoren
zijn defect
Handeling
Wendt u tot de
Lancia-dealer
Wendt u tot de Lancia-dealer
Dieselfilter (JTD-uitvoeringen)
Lampje/symbool
c
èc
Bericht
WATER IN DIESELFILTER
AANWEZIG
BEZOEK EEN WERK-
PLAATS
DEFECT IN DIESELFIL-
TERSENSOR BEZOEK EEN
WERKPLAATS
Betekenis van het bericht
Er is water in het brandstoffilter
aanwezig
De sensor die de aanwezigheid van
water signaleert is defect
Handeling
Water in het brand-
stofsysteem kan het in-
spuitsysteem ernstig be-
schadigen en de motor onregel-
matig doen laten draaien. Als er
water aanwezig is of als de sen-
sor defect is, dient u zich zo snel
mogelijk tot de Lancia-dealer te
wenden.

141
Regensensor
Lampje/symbool
u
Bericht
DEFECT IN REGENSENSOR
BEZOEK EEN WERK-
PLAATS
Betekenis van het bericht
De regensensor op de
voorruit is defect
Handeling
Wendt u tot de Lancia-dealer
Schemersensor
Lampje/symbool
1
Bericht
DEFECT IN SCHEMERSEN-
SOR BEZOEK EEN WERK-
PLAATS
Betekenis van het bericht
De schemersensor voor de automa-
tische in-/uitschakeling
van de buitenverlichting is defect
Handeling
Wendt u tot de Lancia-dealer
Motorolieniveausensor (JTD-uitvoeringen)
Lampje/symbool
èk
Bericht
DEFECT IN MOTOROLIE-
PEILSENSOR BEZOEK EEN
WERKPLAATS
Betekenis van het bericht
De motorolieniveausensor is defect
Handeling
Wendt u tot de Lancia-dealer

142
-KLIMAATREGELING
fig. 108
L0A0002b

143
1 - Uitstroomopeningen voor ont-
wasemen of ontdooien van de voor-
ruit
2- Uitstroomopeningen voor ont-
wasemen of ontdooien van de zijrui-
ten voor
3- Verstelbare en regelbare lucht-
roosters in het midden
4- Verstelbare en regelbare lucht-
roosters aan de zijkant
5- Gespreide luchtverdeling be-
stuurderszijde
6- Gespreide luchtverdeling passa-
gierszijde
7- Verstelbare en regelbare lucht-
roosters op de voorportieren
8- Uitstroomopeningen beenruim-
ten voor
9- Uitstroomopeningen beenruim-
ten achter
10 - Verstelbare en regelbare lucht-
roosters in het midden voor de zit-
plaatsen achter
11 - Verstelbare en regelbare lucht-
roosters aan de zijkant voor de zit-
plaatsen achter
De klimaatregeling in het interieur
kan op één van de volgende manie-
ren worden geregeld:
– handbediende klimaatregeling,
door het selecteren van de functies
met de bedieningsknoppen op het
bedieningspaneel;
– automatische klimaatregeling,
geregeld door de elektronische regel-
eenheid van het systeem.
De lucht wordt het interieur inge-
voerd via een aantal uitstroomope-
ningen/luchtroosters op het dash-
board, op de panelen van de voor-
portieren, op de middenconsole ach-
ter en op de vloer, overeenkomstig
het afgebeelde schema (fig. 108).

De luchthoeveelheid wordt gere-
geld met regelknop B:
O= luchtrooster volledig geopend
ç= luchtrooster gesloten.
fig. 113
L0A0056b
fig. 112
L0A0055b
144
VERSTELBARE EN REGEL-
BARE LUCHTROOSTERS
(fig. 109-110-111-112-113)
De luchtroosters kunnen naar
boven en naar beneden worden
gekanteld en naar links en rechts
gedraaid met regelknop A.De lucht-
roosters op de voorportieren (fig.
111) kunnen alleen naar boven en
naar beneden worden gekanteld.
fig. 111
L0A0057b
fig. 110
L0A0058b
fig. 109
L0A0062b
Aan beide zijden op het dashboard
bevindt zich een vaste uitstroomope-
ning C(fig. 110) voor ontdooiing of
ontwaseming van de zijruiten voor.

145
ROOSTERS VOOR GESPREIDE
LUCHTVERDELING
De auto is uitgerust met drie lucht-
roosters op het dashboard, twee A
(fig. 114) aan bestuurderszijde en
één B (fig. 115) aan passagierszijde,
voor gespreide luchttoevoer in het
interieur.
Met deze speciale functie kan bij
een lage snelheid de lucht worden
verspreid (ongeveer de helft ten
opzichte van de normale werking)
via de extra luchtroosters. Hiermee
vermindert het effect van de lucht-
stroom op de inzittenden en het
geluid dat veroorzaakt wordt als de
lucht uit de uitstroomopeningen
komt, waardoor het comfort van de
inzittenden vergroot wordt.
Het einde van de slag van deze
draaiknoppen is namelijk verbonden
met een schakelaar die, als deze
bediend wordt, een signaal naar de
regeleenheid van de klimaatregeling
stuurt.
BELANGRIJK Om bij een zeer
hoge buitentemperatuur (boven 30
°C) de ingestelde temperatuur in het
interieur sneller te bereiken, is het
raadzaam eventueel de extra lucht-
roosters voor gespreide luchtverde-
ling in te schakelen maar alleen
nadat het systeem op bedrijfstempe-
ratuur is gekomen.
fig. 115
L0A0060b
fig. 116
L0A0059b
fig. 114
L0A0061b
Deze (open) luchtroosters worden
alleen effectief gebruikt als een
luchtverdeling is gekozen voor
luchttoevoer uit de luchtroosters op
het dashboard.
De luchtroosters voor gespreide
luchtverdeling worden geopend als u
de bedieningsknoppen ( fig. 116)
van de centrale roosters op het dash-
board helemaal naar boven voorbij
het einde van de slag draait:
– bedieningsknop Avoor de lucht-
roosters aan de bestuurderszijde
– bedieningsknop Bvoor de lucht-
roosters aan de passagierszijde.

146
AIRCONDITIONING,
AUTOMATISCH
ALGEMENE INFORMATIE
De auto kan zijn uitgerust met een
automatische airconditioning met
gescheiden regeling voor twee of meer
gedeelten.
De automatische airconditioning met
gescheiden regeling voor twee gedeel-
ten regelt de temperatuur, de luchtver-
deling en de luchtopbrengst in het inte-
rieur aan bestuurders- en aan passa-
gierszijde.
De automatische airconditioning met
gescheiden regeling voor meerdere
gedeelten regelt de temperatuur, de
luchtverdeling en de luchtopbrengst in
het interieur in drie gedeelten: de
bestuurderszijde en passagierszijde of
passagiersruimte achter.
U kunt kiezen voor regeling in de pas-
sagiersruimte voor of voor regeling in
de passagiersruimte achter; als het
lampje op de knop REAR gedoofd is, is
de temperatuurregeling aan passa-
gierszijde voor ingeschakeld; als u op
de knop REAR drukt (lampje op de
knop brandt), wordt het bedieningspa-
neel achter geactiveerd en is het bedie-
ningspaneel van de voorpassagier niet
meer beschikbaar.
De temperatuurregeling is gebaseerd
op een “thermische balans”: d.w.z. dat
het systeem continu werkt om het
evenwicht tussen de inkomende en
geleverde thermische energie te hand-
haven, om de temperatuur in het inte-
rieur te handhaven en eventuele ver-
schillen in de klimaatomstandigheden
buiten (ook zonnestraling) te compen-
seren. Voor een optimale temperatuur-
regeling in het interieur is het systeem
ook uitgerust met een zonnestralings-
sensor.
Het systeem is uitgerust met een
luchtkwaliteitsensor die automatisch
de luchtrecirculatie kan inschakelen
om de onaangename effecten van ver-
vuilde lucht, tijdens het rijden in de
stad, in de file en in tunnels, en door
het inschakelen van de ruitensproeiers
(zeepgeur), te verminderen.
De luchtkwaliteit wordt bovendien
gegarandeerd door het pollenfilter
met actieve kooldeeltjes. Hierin wor-
den de in de lucht verspreide deeltjes
twee keer gefilterd, waardoor de
lucht schoner wordt.
De automatisch gecontroleerde
parameters en functies zijn:
– luchttemperatuur uit de lucht-
roosters aan bestuurderszijde/passa-
giersruimte (voor/achter);
– luchtverdeling uit de luchtroos-
ters aan bestuurderszijde/passa-
giersruimte (voor/achter);
– aanjagersnelheid (traploze rege-
ling van de luchtstroom);
– inschakeling van de compressor
(voor koeling van de lucht);
– luchtrecirculatie.
Al deze functies kunnen handmatig
worden gewijzigd, d.w.z. dat u het
systeem kunt regelen door naar wens
één of meer functies te selecteren en
daar de parameters van te wijzigen.
Op deze manier worden de functies
die handmatig zijn gewijzigd niet
langer automatisch door het systeem
geregeld, niet alleen om veiligheids-
redenen maar ook om de gewenste
temperatuur te handhaven.

147
BELANGRIJK Tijdens de automa-
tische werking van de luchtverdeling,
zijn alle lampjes op de toetsen voor de
luchtverdeling gedoofd. U kunt
handmatig een luchtverdeling kiezen.
In dat geval gaat het lampje op de
betreffende toets branden.
De handmatige instellingen hebben
voorrang boven de automatische
instellingen en blijven in het geheu-
gen opgeslagen totdat de gebruiker
de regeling weer overlaat aan de
automatische werking.
Als handmatig een functie wordt
ingesteld, blijven de andere functies
echter automatisch geregeld.
De luchtopbrengst in het interieur is
onafhankelijk van de snelheid van de
auto omdat de luchtopbrengst elek-
tronisch geregeld wordt door de aan-
jager.
De luchttemperatuur in het interi-
eur wordt altijd automatisch gere-
geld (behalve als het systeem is uit-
geschakeld), op basis van de inge-
stelde temperaturen op de displays
van de bestuurder en de passagier
voor/achter.
De volgende parameters en functies
kunnen handmatig worden ingesteld
en gewijzigd:
– luchttemperaturen bestuurders-
zijde/passagiersruimte (voor/ach-
ter);
– aanjagersnelheid (traploze rege-
ling);
– luchtverdeling in zeven standen
(bestuurder/passagiers);
– gespreide luchtverdeling;
– inschakeling compressor;
– voorrang niet gescheiden/
gescheiden regeling (voor/achter);
– snelle ontwaseming/ontdooiing;
– luchtrecirculatie;
– automatische/handmatige bedie-
ning van het systeem;
– achterruitverwarming;
– systeem uitschakelen;
– inschakeling bedieningspaneel
achter.
De functie snelle ontwaseming/ont-
dooiing groepeert een aantal handelin-
gen die een snelle ontwaseming/ont-
dooiing van zowel de voor- als de ach-
terruit mogelijk maakt.
Iedere keer als het systeem wordt
uitgeschakeld, wordt na het opslaan
van de instellingen en de functies, de
recirculatie ingeschakeld, waardoor
de omstandigheden worden gereali-
seerd voor de werking van het “Dak
met zonnecellen” (indien aanwezig).
Iedere keer als het systeem weer
wordt ingeschakeld, worden de
functies weer hersteld van voor de
uitschakeling, dit geldt niet voor de
functie snel ontwasemen/ontdooien
die wordt uitgeschakeld.
REGELEENHEID KLIMAATRE-
GELING INITIALISEREN
Iedere keer als de accu wordt losge-
koppeld en daarna weer wordt vast-
gekoppeld of de accu wordt opgela-
den als deze volledig leeg was of na
het vervangen van een zekering,
moet voor een correcte werking van
de portiervergrendeling, de klimaat-
regeling en het ESP-systeem, de
handelingen voor het initialiseren
worden uitgevoerd die in de para-
graaf “Accu loskoppelen” in het
hoofdstuk “Noodgevallen” vermeld
staan.

148
1- Keuzetoets automatische werking
van het systeem (bestuurderszijde)
2- Draaiknop voor regeling van de
interieurtemperatuur (bestuurderszij-
de)
3- Toets voor inschakeling lucht-
recirculatie (automatisch, altijd
ingeschakeld of uitgeschakeld)
4- Display ingestelde interieurtem-
peratuur en status van het systeem
(bestuurderszijde)
5- Display aanjagersnelheid
6- Display ingestelde interieurtem-
peratuur en status van het systeem
(passagierszijde)
7- Toets voor uitschakeling air-
compressor
8- Draaiknop voor regeling lucht-
temperatuur rechtsvoor (passagiers-
zijde)
9- Keuzetoets automatische werking
van het systeem (passagierszijde)
10 - Keuzetoetsen voor luchtverde-
ling (passagierszijde voor)
11 - Toets voor inschakeling van
het bedieningspaneel achter
BEDIENINGSPANEEL VOOR (fig. 117)
fig. 117
L0A0054b

149
12 - Toets voor in-/uitschakeling
achterruit- en spiegelverwarming
13 - Toets voor het verhogen van
de aanjagersnelheid
14 - Toets voor het verlagen van de
aanjagersnelheid
15 - Toets voor in-/uitschakeling
van de snelle ontdooiing/ontwase-
ming van de voorruit, zijruiten voor,
achterruit, buitenspiegels en ruiten-
sproeiermonden
16 - Toets om de ingestelde tempe-
ratuur en de luchtverdeling aan
bestuurderszijde en passagiersruim-
te (voor/achter) te synchroniseren
17 - Interieurtemperatuursensor
18 - Keuzetoetsen voor luchtverde-
ling (bestuurderszijde)

150
Het systeem gebruikt
koelmiddel R134a, dat
voldoet aan de geldende
wetgeving en dat bij lekkage niet
schadelijk is voor het milieu.
Gebruik nooit een ander koel-
middel, omdat andere middelen
ongeschikt zijn voor de compo-
nenten van het systeem.
BEDIENINGSPANEEL ACHTER
(fig. 118)
1- Draaiknop voor regeling van de
interieurtemperatuur (passagiers-
ruimte achter)
2- Display ingestelde interieurtem-
peratuur (passagiersruimte achter)
3- Display aanjagersnelheid
4- Display status van het systeem
(AUTO, FULL AUTO)
5- Keuzetoets automatische wer-
king van het systeem (passagiers-
ruimte achter)
6- Toets voor luchtverdeling naar
beenruimte achterpassagiers
7- Toets voor het verlagen van de
aanjagersnelheid
8- Toets voor het verhogen van de
aanjagersnelheid
9- Toets voor lucht uit luchtroos-
ters middenachter
fig. 118
L0A0101b

151
GEBRUIK VAN DE KLIMAAT-
REGELING
Het systeem kan op verschillende
manieren worden ingeschakeld,
maar wij raden u aan te beginnen
met het indrukken van één van de
toetsen AUTO en vervolgens de
draaiknoppen te draaien om op het
display de gewenste temperaturen in
te stellen.
Omdat het systeem het klimaat in
drie gedeelten in het interieur regelt,
kunnen de bestuurder en de passa-
gier voor/achter verschillende tem-
peratuurwaarden selecteren. Het
maximaal toegestane verschil is 7
°C.
Op deze manier begint het systeem
volledig automatisch te werken en
wordt de ingestelde temperatuur zo
snel mogelijk te bereikt. Het systeem
handhaaft de ingestelde tempera-
tuur door regeling van de tempera-
tuur, de luchthoeveelheid en de
luchtverdeling in het interieur, en
door het regelen van de recirculatie-
functie en inschakeling van de airco-
compressor.
Tijdens de volledig automatische
werking van het systeem zijn de
enige vereiste handmatige handelin-
gen, het eventuele inschakelen van
de volgende functies:
– MONO, om de ingestelde tempe-
ratuur en de luchtverdeling aan
bestuurders- en passagierszijde
voor/achter te synchroniseren;
– REAR, voor inschakeling van het
bedieningspaneel achter;
– √, voor uitschakeling aircocom-
pressor: onder deze omstandigheden
werkt het systeem alleen als verwar-
ming;
– luchtrecirculatie, om de recircu-
latie altijd in- of uitgeschakeld te
houden;
–-, voor een snelle ontwase-
ming/ontdooiing van de ruiten voor,
de achterruit, de buitenspiegels en
de ruitensproeiermonden;
– (,voor het ontwasemen/ont-
dooien van de achterruit en de bui-
tenspiegels.
Tijdens de volledig automatische
werking van het systeem kunt u op
ieder moment de ingestelde tempe-
raturen, de luchtverdeling en de
aanjagersnelheid met de betreffende
toetsen wijzigen: het systeem zal
automatisch de eigen instellingen
wijzigen en aanpassen aan de nieu-
we vereisten. Als tijdens de volledige
automatische werking ( FULL
AUTO) de luchtverdeling en/of de
luchtopbrengst gewijzigd wordt,
verschijnt het opschrift FULL. Op
deze manier worden de functies niet
langer automatisch geregeld maar
moeten met de hand worden
bediend, totdat u opnieuw de toets
AUTO indrukt. De aanjagersnelheid
is voor alle gedeelten hetzelfde en
kan ook worden gewijzigd met de
bedieningstoetsen achter, indien
beschikbaar.
Als één of meerdere functies hand-
matig zijn ingesteld, blijft de tempe-
ratuur van de in het interieur inge-
voerde lucht automatisch door het
systeem geregeld, behalve bij uitge-
schakelde compressor: in deze situ-
atie kan de temperatuur van de in
het interieur ingevoerde lucht niet
lager zijn dan de buitentemperatuur.

152
BEDIENINGSORGANEN
Draaiknoppen voor regeling
luchttemperatuur (2, 8 fig. 117 -
1 fig. 118)
Als u de knoppen naar links of
naar rechts draait, verhoogt of ver-
laagt u de luchttemperatuur respec-
tievelijk in het gedeelte linksvoor
(draaiknop 2 fig. 117), rechtsvoor
(draaiknop 8 fig. 117) of achter
(draaiknop 1 fig. 118) van het inte-
rieur.
Omdat het systeem het klimaat in
drie gedeelten in het interieur regelt,
kunnen de bestuurder en de passagier
voor/achter verschillende tempera-
tuurwaarden selecteren. Het maximaal
toegestane verschil is 7 °C.
U kunt kiezen voor regeling in de
passagiersruimte voor of voor rege-
ling in passagiersruimte achter; als
het lampje op de knop REAR
gedoofd is, is de temperatuurrege-
ling aan passagierszijde voor inge-
schakeld; als u op de knop REAR
drukt (lampje op de knop brandt),
wordt het bedieningspaneel achter
geactiveerd.
De ingestelde temperaturen ver-
schijnen op de displays bij de respec-
tievelijke knoppen.
Als u toets 16 (MONO - fig. 117)
indrukt, wordt de temperatuur en de
luchtverdeling aan bestuurderszijde
en in de passagiersruimte voor/ach-
ter automatisch gesynchroniseerd,
waarna u de temperatuur in de twee
gedeelten met de draaiknop aan
bestuurderszijde 2 (fig. 117) kunt
regelen. Met deze functie kan de
temperatuur in het interieur makke-
lijk geregeld worden, als alleen de
bestuurder in de auto zit. De
gescheiden regeling van de tempera-
tuur en de luchtverdeling wordt
automatisch weer hervat als u draai-
knop 8 (fig. 117) of 1 (fig. 118)
draait of nogmaals op toets 16
(MONO - fig. 117) drukt als het
lampje op de toets brandt.
Als u de toetsen helemaal naar
rechts of helemaal naar links draait,
tot aan de uiterste waarden HI of
LO, wordt respectievelijk de functie
van de maximale verwarming of de
maximale koeling ingeschakeld:
– Functie HI (maximale verwar-
ming): wordt ingeschakeld als de
draaiknop van de temperatuur naar
rechts wordt gedraaid, voorbij de
maximale waarde (32 °C). Deze
functie kan worden geactiveerd voor
alleen de bestuurderszijde of de pas-
sagiersruimte (voor/achter) of voor
beide zijden (ook door de functie
MONO te selecteren).
Deze functie kan worden ingescha-
keld als u de lucht in het interieur zo
snel mogelijk wilt verwarmen, waar-
bij maximaal gebruik gemaakt wordt
van de mogelijkheden van het sys-
teem. Deze functie maakt gebruik
van de maximale temperatuur van
de motorkoelvloeistof, terwijl de
luchtverdeling en de snelheid van de
aanjager door het systeem worden
ingesteld op basis van de omgevings-
omstandigheden. Als de motorkoel-
vloeistof niet warm genoeg is, scha-
kelt het systeem niet onmiddellijk de
maximale aanjagersnelheid in, om de
toevoer van te koude lucht in het
interieur te beperken.
Als deze functie is ingeschakeld,
zijn alle handmatige instellingen
toegestaan.

153
Voor het uitschakelen van de func-
tie is het voldoende om de draaiknop
voor de temperatuur naar links te
draaien en de gewenste temperatuur
in te stellen.
– Functie LO (maximale koeling):
wordt ingeschakeld als de draaiknop
van de temperatuur naar links wordt
gedraaid, voorbij de minimum waarde
16 °C . Deze functie kan worden geac-
tiveerd voor alleen de bestuurderszijde
of de passagiersruimte (voor/achter) of
voor beide zijden (ook door het selecte-
ren van de functie MONO).
Deze functie kan worden ingescha-
keld als u de lucht in het interieur zo
snel mogelijk wilt koelen, waarbij
maximaal gebruik gemaakt wordt van
de mogelijkheden van het systeem.
Deze functie schakelt de verwarming
uit en schakelt de luchtrecirculatie en
de aircocompressor in, terwijl de lucht-
verdeling en de snelheid van de aanja-
ger worden ingesteld op basis van de
omgevingsomstandigheden. Als deze
functie is ingeschakeld zijn alle hand-
matige instellingen toegestaan. Voor
het uitschakelen van de functie is het
voldoende om de draaiknop voor de
temperatuur naar rechts te draaien en
de gewenste temperatuur in te stellen.
Toetsen voor de instellingen van
de luchtverdeling voor
(10, 18 fig. 117)
Als u op één van de toetsen drukt,
kunt u handmatig voor de linker- en
de rechterzijde in het interieur één
van de zeven instellingen voor de
luchtverdeling kiezen:
ALucht uit de uitstroomopeningen
voor de ontdooiing/ontwaseming
van de voorruit en de zijruiten voor.
FDLucht uit de luchtroosters in
het midden en aan de zijkant van
het dashboard en de luchtroosters
achter.
SLucht uit de uitstroomopeningen
in de beenruimte voor en achter. Met
deze luchtverdeling kan zo snel
mogelijk de lucht in het interieur
worden verwarmd, omdat warme
lucht opstijgt. Dit geeft snel een warm
gevoel bij koude lichaamsdelen.
Lucht uit de uitstroomopenin-
gen in de beenruimte (warme-
re lucht), de luchtroosters in het
midden en aan de zijkant van het
dashboard en de luchtroosters ach-
ter (koelere lucht). Deze luchtverde-
ling is zeer bruikbaar in het voor- en
najaar bij zonnestraling.
Lucht uit de uitstroomopeningen
in de beenruimte voor en achter
en de uitstroomopeningen voor ont-
waseming/ontdooiing van de voor-
ruit en zijruiten voor. Deze luchtver-
deling zorgt voor een goede verwar-
ming van het interieur en voorkomt
het eventuele beslaan van de ruiten.
Lucht uit de luchtroosters in
het midden en aan de zijkant
van het dashboard, de lucht-
roosters achter en de uitstroomope-
ningen voor ontwaseming/ontdooi-
ing van de voorruit en zijruiten voor.
Lucht uit alle uitstroomope-
ningen en luchtroosters in
het interieur.
De ingestelde luchtverdeling wordt
aangegeven door een brandend
lampje op de geselecteerde toetsen.
F
S
D
A
S
F
A
D
FA
SD

154
Als een gecombineerde functie is
ingesteld, wordt na het indrukken
van een toets alleen de belangrijkste
functie van de ingedrukte toets geac-
tiveerd. Als daarentegen een toets
van een reeds ingestelde functie
wordt ingedrukt, dan wordt die
functie uitgeschakeld (het betreffen-
de lampje dooft).
Voor het hervatten van de automa-
tische werking van de luchtverdeling
na een handmatige instelling, moet
toets AUTO worden ingedrukt.
BELANGRIJK Als het systeem in
werking is, kunnen niet alle lampjes
op de toetsen gelijktijdig doven,
omdat ten minste één instelling van
de luchtverdeling geactiveerd moet
zijn.
Als de bestuurder kiest voor lucht-
verdeling naar de voorruit, wordt
ook de luchtstroom aan passagiers-
zijde automatisch naar de voorruit
geleid. De passagier kan vervolgens
een andere luchtverdeling kiezen
door de betreffende toetsen in te
drukken.
Toetsen voor de instellingen van
de luchtverdeling achter (6, 9 fig.
118)
Als het bedieningspaneel achter
beschikbaar is, kan u door de
betreffende toetsen in te drukken,
handmatig één van de drie instellin-
gen voor de luchtverdeling voor de
passagiersruimte achter kiezen:
DLucht uit de centrale luchtroos-
ters achter
SLucht uit de uitstroomopeningen
in de beenruimte achter. Met deze
luchtverdeling kan, doordat warme
lucht stijgt, het interieur zo snel
mogelijk verwarmd worden waar-
door de koudste delen van het
lichaam snel warm zullen aanvoelen.
S
DLucht uit de uitstroomopeningen
van de beenruimte achter (warmere
lucht) en de centrale luchtroosters
achter (koelere lucht).
De ingestelde luchtverdeling wordt
aangegeven door een brandend
lampje op de geselecteerde toetsen.
Als een gecombineerde functie is
ingesteld, wordt na het indrukken
van een toets alleen de belangrijkste
functie van de ingedrukte toets geac-
tiveerd. Als daarentegen een toets
van een reeds ingestelde functie
wordt ingedrukt, dan wordt die
functie uitgeschakeld (het betreffen-
de lampje dooft).
Voor het hervatten van de automa-
tische werking van de luchtverdeling
na een handmatige instelling, moet
toets AUTO worden ingedrukt.
BELANGRIJK Als het systeem in
werking is, kunnen niet alle lampjes
op de toetsen gelijktijdig doven,
omdat ten minste één instelling van
de luchtverdeling geactiveerd moet
zijn.

155
Toetsen voor het regelen van de
aanjagersnelheid
(13, 14 fig. 117 – 7, 8 fig. 118)
Als u respectievelijk toets 13 of 14
(fig. 117) van het bedieningspaneel
voor indrukt en toets 8of 7 (fig.
118) van het bedieningspaneel ach-
ter, indien beschikbaar, wordt de
aanjagersnelheid verhoogd of ver-
laagd en daarmee de hoeveelheid
lucht die in het interieur wordt
gevoerd om de gewenste tempera-
tuur te handhaven.
De aanjagersnelheid wordt weerge-
geven door verlichte streepjes op het
display voor 5 (fig. 117) en achter 3
(fig. 118), als het bedieningspaneel
achter beschikbaar is. Als u meerde-
re keren op toets 13 (fig. 117) of 8
(fig. 118) drukt of de toets inge-
drukt houdt, wordt de maximale
aanjagersnelheid ingeschakeld (alle
streepjes verlicht).
Als u meerdere keren op toets 14
(fig. 117) of 7(fig. 118) drukt of de
toets ingedrukt houdt, wordt de
minimale aanjagersnelheid inge-
schakeld (één streepje verlicht).
Als de minimale aanjagersnelheid
is ingeschakeld (één streepje ver-
licht) en u toets 14 (fig. 117) of 7
(fig. 118) ten minste 2 seconden
ingedrukt houdt, wordt de klimaat-
regeling uitgeschakeld en doven op
het display alle streepjes van de aan-
jager en verschijnt het opschrift
OFF.
De aanjagersnelheid kan handma-
tig gewijzigd worden met het bedie-
ningspaneel voor of achter, indien
beschikbaar, maar is altijd voor
beide gedeelten in het interieur
dezelfde.
BELANGRIJK Voor het hervatten
van de automatische werking van de
aanjager na een handmatige instel-
ling, moet toets AUTO worden inge-
drukt.
Toetsen AUTO
(automatische werking)
(1, 9 fig. 117 - 5 fig. 118)
Als toets AUTO voor bestuurders-
zijde en/of passagiersruimte
voor/achter wordt ingedrukt, regelt
het systeem automatisch in de
betreffende gedeelten de hoeveelheid
en de verdeling van de in het interi-
eur ingevoerde lucht en worden alle
voorafgaande handmatige instellin-
gen gewist. Dit wordt aangeven door
het verschijnen van het opschrift
FULL AUTO op het display voor en
achter.
Als er één of meerdere handmatige
instellingen zijn uitgevoerd (luchtre-
circulatie, luchtverdeling, aanjager-
snelheid of uitschakeling aircocom-
pressor), dooft het opschrift FULL
op het display om aan te geven dat
het systeem niet langer alle functies
automatisch (behalve de tempera-
tuur die altijd automatisch wordt
geregeld) regelt.

156
Als het systeem vanwege handma-
tige instellingen de gewenste tempe-
ratuur in de verschillende ruimtes
niet meer kan garanderen en hand-
haven, knippert de ingestelde tem-
peratuur om aan te geven dat het
systeem op een probleem is gestoten
en dooft automatisch ook het
opschrift AUTO.
Voor het hervatten van de automa-
tische werking van de aanjager na
een handmatige instelling (één of
meerdere), moet toets AUTO wor-
den ingedrukt.
Toets MONO
(ingestelde temperaturen en
luchtverdeling synchroniseren)
(16 fig. 117)
Als u toets MONO indrukt, wordt
de temperatuur en de luchtverdeling
in de passagiersruimte voor/achter
automatisch gesynchroniseerd met
die aan de bestuurderzijde, waarna
u in de twee gedeelten dezelfde tem-
peratuur en de luchtverdeling kunt
instellen met de draaiknop a an
bestuurderszijde. Met deze functie kan
de temperatuur in het interieur mak-
kelijk geregeld worden, als alleen de
bestuurder in de auto zit.
De gescheiden regeling van de tem-
peratuur en de luchtverdeling wordt
automatisch weer hervat als u draai-
knop 8 (fig. 117) of 1 (fig. 118) voor
de instelling van de temperatuur in
de passagiersruimte voor/achter
draait of nogmaals op de toets
MONO 16 (fig. 117) drukt als het
lampje op de toets brandt.
Toets REAR (inschakeling bedie-
ningspaneel achter)
(11 fig. 117)
Als u op de toets REAR drukt,
wordt het bedieningspaneel achter
ingeschakeld en is het bedieningspa-
neel van de passagier voor niet meer
beschikbaar. De achterpassagiers
kunnen zo de gewenste temperatuur,
luchtverdeling en aanjagersnelheid
instellen.
Als het bedieningspaneel achter
beschikbaar is, brandt het lampje op
de toets REAR.
BELANGRIJK De aanjagersnel-
heid kan handmatig gewijzigd wor-
den met het bedieningspaneel ach-
ter, indien beschikbaar, maar is
altijd voor beide ruimtes in het inte-
rieur hetzelfde.

157
De klimaatregeling kan ook wor-
den uitgeschakeld met het bedie-
ningspaneel achter, indien beschik-
baar: druk meerdere keren op toets
7 (fig. 118) of houd de toets inge-
drukt totdat op het display alle
streepjes van de aanjager doven en
het opschrift OFF verschijnt.
Druk om het bedieningspaneel
achter uit te schakelen opnieuw op
de toets REAR; het lampje op de
toets dooft en het bedieningspaneel
van de passgier voor is weer beschik-
baar.
Toets voor in-/uitschakeling
luchtrecirculatie
(3 fig. 117)
Er zijn drie mogelijkheden:
– automatische werking (linker
lampje op de toets brandt);
– automatische inschakeling (recir-
culatie altijd ingeschakeld); het
rechter lampje op de toets brandt;
– automatische uitschakeling
(recirculatie altijd uitgeschakeld met
luchttoevoer van buiten); beide
lampje op de toets zijn gedoofd.
Deze drie mogelijkheden kunnen
worden ingeschakeld door meerdere
keren op de recirculatietoets 3te
drukken.
Als de recirculatiefunctie automa-
tisch door het systeem wordt gere-
geld, dan blijft het linker lampje op
de recirculatieknop altijd branden,
terwijl het rechter lampje afhanke-
lijk van de werking van de recircula-
tiefunctie (in- of uitgeschakeld)
blijft branden of gedoofd is.
Bij de automatische werking wordt
de recirculatie automatisch inge-
schakeld vooral als de luchtkwali-
teitsensor de aanwezigheid van ver-
vuilde lucht signaleert, bijvoorbeeld
tijdens het rijden in de stad, in een
file, in tunnels en als de ruiten-
sproeiers worden ingeschakeld (met
de typische zeepgeur).
Als bovendien de compressor is
ingeschakeld en de buitentempera-
tuur hoger is dan 5 °C, wordt, als de
snelheid van de auto onder 6 km/h
komt, de recirculatie uitgeschakeld
om de voorkomen dat vervuilde
lucht van het uitlaatgas in het interi-
eur dringt. Als de snelheid van de
auto boven 12 km/h komt, worden
de functies die hiervoor automatisch
werden geregeld, weer hervat.
Als de recirculatie langdurig is
ingeschakeld (langer dan 15 minu-
ten achter elkaar), wordt de recircu-
latie om veiligheidsredenen automa-
tisch uitgeschakeld, zodat de lucht
in het interieur ververst kan worden.
Als de handmatige bediening van
de recirculatie is ingesteld (linker
lampje op toets gedoofd), dooft op
het display het opschrift FULL.

158
BELANGRIJK Met uitgeschakelde
aircocompressor is het niet mogelijk
lucht in het interieur in te voeren
met een temperatuur die lager is dan
de buitentemperatuur; bovendien
kunnen (in bijzondere omstandighe-
den) de ruiten zeer snel beslaan
omdat de lucht niet gedroogd kan
worden.
De uitschakeling van de aircocom-
pressor blijft in het geheugen opge-
slagen, ook na het afzetten van de
motor. De automatische werking
van de aircocompressor wordt auto-
matisch hervat als u opnieuw toets √
of toets AUTO indrukt (in het laat-
ste geval worden de overige hand-
matig ingestelde instellingen uitge-
schakeld); het lampje op de toets √
dooft.
BELANGRIJK Met de recirculatie-
functie kunnen, afhankelijk van de
werking van het systeem (verwar-
ming of koeling van het interieur),
de gewenste omstandigheden sneller
worden bereikt. Het is echter niet
raadzaam deze functie handmatig in
te schakelen op regenachtige of
koude dagen, omdat dan de ruiten
aan de binnenzijde aanzienlijk snel-
ler kunnen beslaan, vooral als de
airconditioning niet is ingeschakeld.
Bij bepaalde weersom-
standigheden (bijvoor-
beeld lage buitentempe-
ratuur of hoge luchtvochtigheid)
en als de recirculatie in het inte-
rieur automatisch wordt gere-
geld, kunnen de ruiten beslaan.
Druk in dat geval op de recircu-
latieknop om de recirculatie
handmatig uit te schakelen
(beide lampjes op de knop doven)
en vergroot eventueel de lucht-
stroom naar de voorruit.
Toets voor uitschakeling airco-
compressor (7 fig. 117)
Als u op de toets √drukt als het
lampje op de toets brandt, wordt de
aircocompressor uitgeschakeld en
dooft het lampje. Als u nogmaals op
de toets drukt als het lampje gedoofd
is, wordt de inschakeling van de
compressor weer automatisch door
het systeem geregeld; dit wordt aan-
gegeven door het gaan branden van
het lampje op de toets.
Als de aircocompressor wordt uit-
geschakeld als het systeem de inge-
stelde temperatuur niet langer kan
handhaven, dooft het opschrift
FULL AUTO op het display en
wordt de recirculatie uitgeschakeld
om het eventuele beslaan van de rui-
ten te voorkomen. Als de ingestelde
temperatuur echter gehandhaafd
kan blijven, blijft het opschrift
FULL op het display verlicht.

159
Bij uitgeschakelde compressor kan
de in het interieur ingevoerde lucht
niet gekoeld worden. Er zijn nu twee
mogelijkheden:
– als de buitentemperatuur lager is
dan de ingestelde temperatuur,
werkt het systeem normaal en kan
het de ingestelde temperatuur berei-
ken en handhaven, ook bij uitge-
schakelde compressor;
– als de buitentemperatuur hoger is
dan de ingestelde temperatuur, kan
het systeem niet aan de wens vol-
doen. Dit wordt aangegeven door het
knipperen van de ingestelde tempe-
ratuur op het display.
Als de compressor is uitgeschakeld
kan de aanjagersnelheid handmatig
op nul worden gezet, terwijl als de
compressor bij draaiende motor
wordt ingeschakeld, de aanjager-
snelheid niet onder de minimale
waarde (één streepje op het display)
kan zakken.
Toets voor snelle
ontwaseming/ontdooiing van de
ruiten (15 fig. 117)
Als u deze toets indrukt, schakelt
de klimaatregeling automatisch alle
functies in die noodzakelijk zijn voor
het snel ontdooien/ontwasemen van
de voorruit en de zijruiten voor.
D.w.z. dat het systeem:
– de aircocompressor inschakelt;
– de luchtrecirculatie, indien inge-
schakeld, uitschakelt;
– de maximale luchttemperatuur
(HI) op beide displays instelt;
– een aanjagersnelheid inschakelt
op basis van de koelvloeistoftempe-
ratuur, om toevoer van nog te koude
lucht voor de ontwaseming van de
ruiten, te beperken;
– de luchtstroom naar de lucht-
roosters voor de voorruit en de zij-
ruiten voor leidt;
– de achterruit- en de spiegelverwar-
ming en de verwarming van de sproei-
ermonden inschakelt.
De functie voor snelle ontwase-
ming/ontdooiing van de ruiten blijft
ongeveer 3 minuten ingeschakeld
nadat de koelvloeistoftemperatuur
boven 50°C is gekomen (benzine-
uitvoeringen) of 35°C (JTD-uitvoe-
ringen).
Als de functie voor maximale ont-
waseming/ontdooiing is ingescha-
keld, gaan het lampje op de
betreffende toets en het lampje op de
toets van de achterruitverwarming
branden en doven het lampje op de
recirculatietoets en het lampje op
toets √. Bovendien dooft op het dis-
play het opschrift FULL AUTO.
Als de functie voor maximale ont-
waseming/ontdooiing is ingescha-
keld, kunnen alleen de aanjagersnel-
heid en de uitschakeling van de ach-
terruitverwarming handmatig wor-
den geregeld.
Als u daarentegen opnieuw op de
toets voor maximale ontwaseming/
ontdooiing drukt of op de recircula-
tietoets of de toets voor uitschake-
ling van de compressor, schakelt het
systeem de functie voor maximale
ontwaseming/ontdooiing uit, en

160
worden de functies die hiervoor
waren ingesteld weer geactiveerd en
eventueel ook de laatst ingestelde
functie.
Toets voor ontwaseming/ -
ontdooiing achterruit en buiten-
spiegels (12 fig. 117)
Als u deze toets indrukt, dan wor-
den de achterruit- en de spiegelver-
warming ingeschakeld. Het lampje
op de toets gaat branden als deze
functie wordt ingeschakeld.
De functie schakelt na ongeveer 10
minuten automatisch uit, of als
opnieuw de toets wordt ingedrukt.
De functie wordt ook uitgeschakeld
als u de motor uitzet en blijft uitge-
schakeld als u de motor opnieuw
start.
BELANGRIJK Plak geen stickers
of andere plaatjes op de elektrische
weerstandsdraden aan de binnenzij-
de van de achterruit, om beschadi-
ging van de achterruitverwarming te
voorkomen.
Systeem uitschakelen (OFF)
De klimaatregeling wordt uitgescha-
keld als u toets 14 (fig. 117) voor de
aanjager op het bedieningspaneel voor
of toets 7 (fig. 118) op het bedienings-
paneel achter ten minste 2 seconden
ingedrukt houdt; op het display doven
alle streepjes van de aanjager en ver-
schijnt het opschrift OFF terwijl het
rechter lampje op de recirculatieknop
gaat branden.
Als de airconditioning is uitgescha-
keld:
– zijn de lampjes op de recirculatie-
toets en de toets voor uitschakeling
van de compressor gedoofd;
– zijn de displays van de ingestelde
temperaturen donker;
– is de recirculatie ingeschakeld,
waarbij geen lucht van buiten bin-
nenkomt;
– is de aircocompressor uitgescha-
keld;
– is de aanjager uitgeschakeld.
Ook bij uitgeschakeld systeem kan
de achterruitverwarming op de nor-
male manier worden in- of uitge-
schakeld.
BELANGRIJK Als de airconditio-
ning is uitgeschakeld, kunnen de
ruiten bij bijzondere omstandighe-
den snel beslaan.
De regeleenheid van de klimaatre-
geling slaat de instellingen van het
systeem in het geheugen op voordat
het systeem wordt uitgeschakeld. Als
u vervolgens op een willekeurige
toets drukt (behalve de toets van de
achterruitverwarming) worden de
functies weer hersteld. Als de functie
van de ingedrukte toets niet was
ingeschakeld voor de uitschakeling,
dan wordt deze functie ook geacti-
veerd; als deze daarentegen was
ingeschakeld, blijft de functie
gehandhaafd.
Als u de volledig automatische wer-
king van het systeem weer wilt
inschakelen, druk dan op toets
AUTO.

162
HULP-
VER WARMING
De hulpverwarming kan bij een
uitgezette motor of tijdens het rijden
werken. De hulpverwarming zorgt
ervoor dat:
– de koelvloeistof van de motor
voor het starten wordt opgewarmd
– de opwarmperiode van de motor
bij een koude start wordt verkort
– het interieur van de auto wordt
opgewarmd voordat u vertrekt
– ijs en condens van de ruit wordt
verwijderd.
Het gebruik van de hulpverwar-
ming bij koude buitentemperaturen
heeft de volgende voordelen:
– minder slijtage van de motor
– beperking van uitstoot van
schadelijke uitlaatgassen
– meer comfort tijdens het rijden
en bij stilstaande auto
– meer veiligheid.
De hulpverwarming ondersteunt de
opwarming van de motorkoelvloei-
stof tijdens het rijden voor een snel-
lere verwarming van het interieur bij
extreem lage buitentemperaturen.
Het systeem bestaat uit:
– een verwarmingssysteem
– een elektrische pomp voor de cir-
culatie van de koelvloeistof
– een geluidgedempte uitlaat
– een elektrische doseerpomp voor
de brandstof
– een brandstoftoevoerleiding
– een buitentemperatuursensor.
Het systeem is met de auto verbon-
den via het motorkoelsysteem, het
brandstofsysteem en de elektrische
installatie. De koelvloeistof uit de
motor wordt naar de verwarming
gevoerd en via een elektrische pomp
naar het koelsysteem teruggevoerd.
De brander van de verwarming
wordt gevoed met de brandstof van
de auto, die direct uit de brandstof-
tank wordt gezogen door middel van
een elektrische impulspomp en in
een brandstofleiding wordt gevoerd.
De regeleenheid van de hulpverwar-
ming regelt direct de voeding van de
twee elektrische pompen (brandstof
en koelvloeistof), de ontsteking en
de controle op de werking van de
brander.
De hulpverwarming werkt zowel
bij draaiende als bij uitgezette
motor. De manier waarop de hulp-
verwarming werkt, is bij draaiende
motor en uitgezette motor verschil-
lend:
– bij uitgezette motor kan de hulp-
verwarming werken als “program-
meerbare verwarming” of als
“standverwarming”;

163
– bij draaiende motor werkt het
systeem als “extra verwarming”.
Onafhankelijk van de wijze van
werking, wordt na het inschakelen
de verwarming altijd als volgt geac-
tiveerd:
1- Inschakeling van de ventilator,
gedurende ongeveer 30 seconden,
om de verbrandingskamer te venti-
leren en van zuurstof te voorzien. De
ventilatorsnelheid wordt geleidelijk
verhoogd totdat de gemiddelde snel-
heid is bereikt.
2- Na ongeveer 30 seconden acti-
veert de regeleenheid van de verwar-
ming de elektrische brandstof-
doseerpomp en wordt de aanjager
ongeveer 3 seconden uitgeschakeld
voor een makkelijke ontsteking van
de brandstof. De brandstof in de
brander wordt door een gloeibougie
ontstoken.
3- Hierna wordt de verbranding
ongeveer 15 seconden gestabiliseerd
en blijft de ventilator op de gemid-
delde snelheid ingeschakeld.
4- De daaropvolgende 50 secon-
den brengt de regeleenheid de venti-
lator bijna op de maximale snelheid.
5- Als de verbranding is gestabili-
seerd, schakelt de regeleenheid van
de verwarming de gloeibougie uit en
wordt de ventilator op de maximale
snelheid gebracht.
6- Vanaf dit moment wordt de
gloeibougie door het systeem
gebruikt als sensor voor het contro-
leren van de verbranding en de aan-
wezigheid van een vlam.
7- Onafhankelijk van de wijze van
werking, wordt bij de uitschakelpro-
cedure van de verwarming, de ver-
brandingskamer ongeveer 30 secon-
den geventileerd, om alle roetdeel-
tjes definitief te verwijderen.
BELANGRIJK Als het systeem in
OFF, automatisch of handmatig
wordt bediend, kan het systeem pas
weer worden ingeschakeld (ON) 3
minuten na het uitschakelen van het
systeem.
WERKING BIJ UITGEZETTE
MOTOR
Functie “Programmeerbare ver-
warming”
Als deze functie is ingeschakeld,
wordt de koelvloeistof van de motor
en het interieur opgewarmd voordat
de motor wordt gestart, blijft de
recirculatie uitgeschakeld en wordt
de luchtverdeling naar de voorruit
en de vloer ingeschakeld door de
aanjager in te schakelen.
Deze functie wordt door een tijd-
schakelaar geactiveerd, via een
radiosignaal of handmatig.
Het systeem kan in de volgende
omstandigheden op deze wijze wer-
ken:
– interieurtemperatuur lager dan
22°C
– contactsleutel in stand STOP of
uitgenomen
– accu van de auto opgeladen.
Als het systeem op deze wijze
werkt, wordt de verwarming uitge-
schakeld na één van de volgende
omstandigheden:

164
– contactsleutel in stand MAR
draaien
– gedeeltelijke ontlading van de
accu
– aan het einde van de geprogram-
meerde inschakeltijd
– OFF-signaal van de afstandsbe-
diening
– handmatige uitschakeling door
de gebruiker via het CONNECT
– door de regeleenheid van de
hulpverwarming gesignaleerde sto-
ring.
In-/uitschakeling van de ver-
warming met de tijdschakelaar
De functie “programmeerbare ver-
warming” kan worden ingeschakeld
met de door het CONNECT bedien-
de tijdschakelaar.
De tijdschakelaar moet door de
gebruiker worden ingesteld. De tijd-
schakelaar regelt de in-/uitschake-
ling van de verwarming.
Er kunnen twee inschakelcycli wor-
den ingesteld: iedere cyclus bepaalt het
moment en de duur van inschakeling
van de verwarming, beide met inter-
vallen van 5 minuten.
Het programmeren van de tijd-
schakelaar is onafhankelijk van de
stand van de contactsleutel. De duur
van iedere cyclus kan niet langer zijn
dan 60 minuten; als de tijdschake-
laar niet geprogrammeerd wordt,
wordt deze automatisch ingesteld op
ongeveer 15 minuten.
BELANGRIJK Om veiligheidsre-
denen moet de tijdschakelaar bij
iedere inschakeling geprogram-
meerd/bevestigd worden en binnen
24 uur na het programmeren beves-
tigd worden. Bovendien is de gebrui-
ker verplicht iedere keer het inscha-
kelen van de tijdschakelaar te beves-
tigen. De tijdschakelaar past zich
niet automatisch aan de zomer- of
wintertijd aan.
De schakelaar kan zich in één van
de volgende omstandigheden bevin-
den:
– uitgeschakeld: in deze omstan-
digheid kan de tijdschakelaar wor-
den geprogrammeerd en kunnen de
parameters worden ingesteld of
gewijzigd. De ingestelde parameters
worden gecontroleerd en goedge-
keurd door het telematica-infosys-
teem
– ingeschakeld: de door het telema-
tica-infosysteem goedgekeurde
parameters worden opgeslagen. De
gebruiker bevestigt de ingestelde
cyclus die pas bij geprogrammeerde
inschakeling wordt geactiveerd en
op het display van het telematica-
infosysteem wordt weergegeven
– actief: de verwarming werkt als
“programmeerbare verwarming” en
wordt geregeld door de op het dis-
play van het telematica-infosysteem
aangegeven tijdschakelaar. Als de
tijdschakelaar actief is, registreert
het telematica-infosysteem de condi-
ties van het systeem
– stilstand: tijdens de werking van
de “programmeerbare verwarming”
die door de tijdschakelaar geregeld
wordt, worden de condities van het
systeem gecontroleerd door het tele-
matica-infosysteem
De tijdschakelaar wordt automa-
tisch uitgeschakeld:
– als de werking als “program-
meerbare verwarming” gestopt
wordt door het telematica-infosys-
teem omdat een conditie van het sys-
teem ontbreekt

165
– als bij het ingaan van de tijd-
schakelaar de functie “program-
meerbare verwarming” met de
afstandsbediening wordt geactiveerd
– als de gebruiker de verwarming
handmatig inschakelt tijdens de
werking van de tijdschakelaar
– als de tijdschakelaar binnen 3
minuten na het uitzetten van de ver-
warming wordt geactiveerd
– als de gebruiker de tijdschakelaar
handmatig uitschakelt
– als bij het inschakelen van de tijd-
schakelaar de brandstoftank bijna leeg
is. De gebruiker wordt op deze situatie
geattendeerd door middel van een
bericht. Bovendien moet de gebruiker
de inschakeling bevestigen. Als de
gebruiker de inschakeling niet beves-
tigt, wordt de tijdschakelaar uitgescha-
keld. Het brandstofniveau wordt aan
het telematica-infosysteem doorgege-
ven; als de informatie niet beschikbaar
is, wordt het brandstofniveau van voor
het uitzetten van de motor doorgege-
ven
– als de tijdschakelaar tijdens de wer-
king van de verwarming wordt inge-
schakeld met de afstandsbediening.
BELANGRIJK De tijdschakelaar
wordt automatisch stilgezet als bij
het activeren de “directe verwar-
ming” is ingeschakeld.
De parameters die met de tijdscha-
kelaar zijn ingesteld, worden opge-
slagen.
BELANGRIJK Als de tijdschake-
laar is uitgeschakeld of stilgezet,
moet de schakelaar door de gebrui-
ker handmatig weer worden inge-
schakeld.
In-/uitschakelen van de verwar-
ming met de afstandsbediening
(fig. 119)
Met de afstandsbediening Akan de
functie “programmeerbare verwar-
ming” worden in-/uitgeschakeld.
Het inschakelsignaal wordt door de
afstandsbediening, met een bereik
van ongeveer 600 meter, verzonden,
opgevangen door een speciale anten-
ne op de auto, overgebracht naar de
ontvanger van de hulpverwarming
en vervolgens naar het telematica-
infosysteem gestuurd.
fig. 119
L0A0263b

166
Dit signaal wordt alleen door het
telematica-infosysteem geaccepteerd
als:
– de contactsleutel in stand STOP
staat of is uitgenomen
– de tijdschakelaar is uitgescha-
keld.
BELANGRIJK Het bereik van de
afstandsbediening is maximaal in de
open ruimte en is minder in bebouw-
de gebieden.
Inschakeling van de verwarming:
Druk voor inschakeling van de ver-
warming ongeveer 1 à 2 seconden op
de toets ON op de afstandsbediening
en houd hierbij de antenne in verti-
cale stand; het wel of niet inschake-
len van de verwarming wordt op de
volgende wijze aangegeven door
lampje B:
– het lampje brandt ongeveer 2
seconden (groen) = het signaal is
goed ontvangen en de verwarming is
ingeschakeld
– het groene lampje knippert onge-
veer 2 seconden = het signaal is niet
ontvangen.
In dit laatste geval raden wij u aan
zich te verplaatsen voordat opnieuw
geprobeerd wordt de verwarming in
te schakelen door het indrukken van
de toets ON.
Na bevestiging van de inschake-
ling, knippert het lampje Bongeveer
iedere 2 seconden gedurende de
gehele inschakeltijd.
Uitschakelen van de verwarming
De verwarming schakelt automa-
tisch uit als de ingestelde inschakel-
tijd ten einde is.
De verwarming kan echter op ieder
moment worden uitgeschakeld door
de toets OFF op de afstandsbedie-
ning 1 à 2 seconden in te drukken en
daarbij de antenne in verticale stand
te houden; het wel of niet uitschake-
len van de verwarming wordt op de
volgende wijze aangegeven door
lampje Bop de afstandsbediening:
– het lampje brandt ongeveer 2
seconden (rood) = het signaal is
goed ontvangen en de verwarming is
uitgeschakeld
– het rode lampje knippert onge-
veer 2 seconden = het signaal is niet
ontvangen.
In dit laatste geval raden wij u aan
zich te verplaatsen voordat opnieuw
geprobeerd wordt de verwarming uit
te schakelen door het indrukken van
de toets OFF.
Als de verwarming is uitgeschakeld
omdat de inschakelcyclus voltooid is

167
of omdat de knop OFF is ingedrukt,
blijft ook het lampje Bgedoofd.
Inschakelduur
Als u op de toets ON van de
afstandsbediening drukt, wordt
altijd de laatst opgeslagen inscha-
kelduur ingeschakeld.
Als u wilt weten wat de opgeslagen
inschakelduur is, moet u binnen 1
seconde gelijktijdig de toetsen ON
en OFF op de afstandsbediening 3
keer na elkaar indrukken.
Laat de knoppen los en tel hoeveel
keer lampje Bknippert.
Als u na de laatste keer knipperen
de toets OFF indrukt, wordt de vol-
gende inschakelduur opgeroepen
(zie de tabel).
Als u de toetsen ON en OFF onge-
veer 10 seconden ingedrukt houdt,
totdat het lampje Bdooft, wordt de
standaard inschakeltijd van 30
minuten ingesteld.
Aantal keren dat lampje B knippert
1
2
3
4
5
6
Inschakelduur verwarming
10 minuten
20 minuten
30 minuten
40 minuten
50 minuten
60 minuten

168
Batterijen controleren en vervan-
gen
De lading van de batterijen wordt
telkens als u op de toets ON of OFF
drukt, automatisch gecontroleerd. Als
lampje Boranje knippert, dan zijn de
batterijen bijna leeg en moeten ze
worden vervangen.
De batterijen moeten worden ver-
vangen door exemplaren van het-
zelfde type, die normaal in de handel
verkrijgbaar zijn.
Batterijen vervangen:
– verwijder het dekseltje aan de
achterzijde van de afstandsbedie-
ning, door het in de richting van de
pijl te drukken (de pijl staat op het
deksel zelf)
– verwijder de lege batterijen en
onthoud de plaats
– plaats de nieuwe batterijen met
de pluspool (+) naar de antenne van
de afstandsbediening gericht
– plaats het dekseltje en druk het in
de zitting.
EXTRA AFSTANDSBEDIENIN-
GEN BESTELLEN
De ontvanger van de verwarming
kan maximaal 3 afstandsbedienin-
gen herkennen. Wendt u voor het
aanvragen van nieuwe afstandsbe-
dieningen of voor de vervanging van
de geleverde afstandsbediening tot
de Lancia-dealer.
Functie “standverwarming”
Als de hulpverwarming werkt als
“standwarming”, maakt het systeem
bij uitgezette motor gebruik van de
warmte van de koelvloeistof en de
werking van de elektrische pomp
voor de circulatie van de vloeistof,
de automatische regeling van de
luchtverdeling (als deze niet hand-
matig is ingesteld) en het uitschake-
len van de recirculatie.
Deze functie kan worden ingescha-
keld via het telematica-infosysteem
met een speciaal menu dat beschik-
baar is als de sleutel in stand MAR
staat en de motor draait of is uitge-
zet; de functie kan echter alleen bij
een uitgezette motor worden inge-
schakeld.
Om het noodzakelijke comfort te
garanderen, kan deze functie alleen
worden ingeschakeld als de tempe-
ratuur van de koelvloeistof tussen 50
en 70 °C is. Als de temperatuur lager
is dan 50 °C, schakelt de regeleen-
heid de verwarming in; als de tem-
peratuur hoger is dan 70 °C, scha-
kelt de regeleenheid de verwarming
uit en laat alleen de pomp werken
voor de circulatie van de vloeistof.
Lege batterijen zijn
schadelijk voor het
milieu. Ze moeten in een
batterijenbak of chemobox wor-
den gedeponeerd. Vermijd bloot-
stelling aan open vuur en hoge
temperaturen. Houd ze buiten het
bereik van kinderen.

169
De functie “standverwarming”
wordt automatisch uitgeschakeld bij
één van de volgende omstandighe-
den:
– starten van de motor;
– overschrijding van de inschakel-
duur (ongeveer 30 minuten) van de
verwarming en/of de vloeistofpomp;
– verzoek om uitschakeling door de
gebruiker via het commando STOP
op het telematica-infosysteem;
– storing gesignaleerd door de regel-
eenheid van de verwarming;
– gedeeltelijke ontlading van de
accu of defecte dynamo.
Directe werking
De gebruiker kan handmatig de
hulpverwarming in- of uitschakelen.
De hulpverwarming schakelt na 30
minuten automatisch uit, als de ver-
warming niet eerder door de gebrui-
ker is uitgeschakeld.
Als deze functie wordt ingescha-
keld, kan de tijdschakelaar niet wor-
den geprogrammeerd.
Als de gebruiker de directe werking
bij geactiveerde tijdschakeling
inschakelt, wordt de tijdschakelaar
stilgezet en blijft de verwarming
werken. De overgebleven tijd van de
tijdschakelaar opgeteld bij de tijd
dat de directe werking is ingescha-
keld, mag niet meer dan 60 minuten
zijn.
Als de gebruiker bij een bijna lege
brandstoftank de directe werking
inschakelt, wordt de gebruiker op
deze situatie geattendeerd door mid-
del van een bericht. Bovendien
wordt de gebruiker gevraagd de
functie te bevestigen: de verwarming
wordt alleen ingeschakeld als de
gebruiker de functie heeft bevestigd.
Deze procedure wordt ook geacti-
veerd als de brandstoftank in reser-
ve komt tijdens de directe werking.

170
WERKING BIJ
DRAAIENDE MOTOR
Functie “Extra verwarming”
Deze functie ondersteunt de opwar-
ming van de motorkoelvloeistof
direct na het starten of tijdens het
rijden zodat de motor bij koud weer
sneller op bedrijfstemperatuur komt
en in het interieur sneller een com-
fortabele temperatuur wordt
bereikt.
Deze functie kan alleen worden
ingeschakeld als de volgende
omstandigheden zich gelijktijdig
voordoen:
– de contactsleutel staat in stand
MAR
– de motor draait
– de koelvloeistoftemperatuur lager
is dan 30 °C
– de op het display ingestelde tem-
peratuur van de klimaatregeling
(bestuurders- of passagierszijde) is
hoger dan die in het interieur.
De werking wordt automatisch uit-
geschakeld bij één van de volgende
omstandigheden:
– de koelvloeistoftemperatuur is
hoger dan 70 °C
– de regeleenheid van de verwar-
ming signaleert een storing in de
hulpverwarming.

171
Max. calorisch vermogen
Beperkt calorisch vermogen
Nominale bedrijfsspanning
Stroomopname bij werking
Stroomopname bij rust
Bedrijfsspanning
Bedrijfstemperatuur
Brandstofverbruik
Gewicht
Geluidsproductie
ongeveer 5 kW
ongeveer 2,5 kW
12 V
45W bij 13,5V; 34W bij 12V
1mA (5mA met radio-ontvanger)
10,25V ± 0,25V ÷ 15,50V ± 0,25V
van - 40º C ± 2% tot 70º C ± 2%
bij beperkt vermogen 0,25 kg/h
bij maximaal vermogen 0,5 kg/h
2,9 kg
51 db.
TECHNISCHE GEGEVENS

172
BEDIENINGS ORGANEN
WAARSCHUWINGSKNIPPER -
LICHTEN (fig. 120)
Druk voor inschakeling op schake-
laar A, onafhankelijk van de stand
van de contactsleutel.
Als dit systeem is ingeschakeld, gaan
de schakelaar en de controlelampjes
van de richtingaanwijzers op het in-
strumentenpaneel branden.
Druk opnieuw op de schakelaar
om het systeem uit te schakelen.
BELANGRIJK Het gebruik van de
waarschuwingsknipperlichten is
afhankelijk van de wetgeving van
het land waarin u zich bevindt.
Houdt u aan de voorschriften.
MISTLAMPEN VOOR (fig. 121)
Druk bij ingeschakelde buitenver-
lichting op knop Aom de mistlampen
voor in te schakelen.
Als de mistlampen voor zijn inge-
schakeld, brandt lampje 5op het in-
strumentenpaneel.
Als tijdens het rijden bij ingescha-
kelde mistlampen voor de buitenver-
lichting wordt uitgeschakeld, schake-
len ook de mistlampen voor uit. De
lampen schakelen pas weer in als u
opnieuw de buitenverlichting inscha-
kelt.
Als u de contactsleutel in stand
STOP draait, schakelen de mistlam-
pen voor automatisch uit. De lampen
schakelen pas weer in als na het starten
opnieuw op knop Awordt gedrukt.
Druk knop Anogmaals in om de
mistlampen voor uit te schakelen.
BELANGRIJK Houdt u bij het
gebruik van de mistlampen voor aan
de geldende verkeersvoorschriften.
Het systeem voldoet aan de EU-nor-
men.
MISTACHTERLICHTEN (fig.
122)
Druk op knop Avoor in-/uitscha-
keling. De mistachterlichten werken
alleen als het dimlicht en/of de mist-
lampen voor zijn ingeschakeld.
Als de mistachterlichten zijn inge-
schakeld, brandt lampje 4op het
instrumentenpaneel.
fig. 120
L0A0103b
fig. 121
L0A0200b
fig. 122
L0A0201b

173
De mistachterlichten schakelen
automatisch uit als u de motor uitzet
of als u het dimlicht of de mistlam-
pen voor uitschakelt. Als u de motor
weer start of het dimlicht of de mist-
lampen voor weer inschakelt, moet u
opnieuw op de knop drukken om de
mistachterlichten weer in te schake-
len.
BELANGRIJK De mistachterlich-
ten kunnen hinderlijk zijn voor de
weggebruikers achter u. Doof daar-
om bij stukken met goed zicht de
mistachterlichten.
BELANGRIJK Houdt u bij het
gebruik van de mistachterlichten
aan de geldende verkeersvoorschrif-
ten. Het systeem voldoet aan de EU-
normen.
LICHTSTERKTEREGELING
INSTRUMENTENPANEEL
(fig. 123)
Draai met ingeschakelde buitenver-
lichting draaiknop Aomhoog of
omlaag om respectievelijk de licht-
sterkte van het instrumentenpaneel
te verlagen of te verhogen.
ACHTERRUITVERWARMING
(fig. 124)
Druk op knop Avoor in-/uitscha-
keling. Als de achterruitverwarming
is ingeschakeld, brandt het lampje
op de knop.
De achterruitverwarming schakelt
na ongeveer 20 minuten automa-
tisch uit.
Bij ingeschakelde achterruitver-
warming gaat ook de verwarming
van de elektrisch bedienbare buiten-
spiegels werken.
fig. 123
L0A0202b
fig. 124
L0A0198b

174
BRANDSTOF-
NOODSCHAKELAAR (fig. 125)
Deze veiligheidsschakelaar springt
omhoog bij een ongeval, waardoor
de toevoer van brandstof wordt
gestopt en de motor afslaat.
Bovendien wordt hiermee voorko-
men dat bij leidingbreuken tijdens
een ongeval brandstoflekkage ont-
staat.
Draai na een ongeval de contact-
sleutel in stand STOP om te voorko-
men dat de accu ontlaadt.
Als u geen brandstoflekkage waar-
neemt en de auto kan nog verder rij-
den, til dan het deksel Alinks van de
bestuurdersstoel omhoog en druk op
knop Bom de brandstoftoevoer weer
te herstellen.
ONTGRENDELING VAN DE
SLOTEN BIJ EEN ONGEVAL
De veiligheidsschakelaar schakelt
bij een ongeval ook de centrale por-
tiervergrendeling uit, waardoor het
interieur van buitenaf bereikbaar
blijft.
De mechanische verbin-
dingen van de handgre-
pen aan de buitenkant
werken alleen als de portieren
ontgrendeld zijn. Als de
bestuurder de centrale portier-
vergrendeling van binnenuit
heeft ingeschakeld en bij een
ongeval de veiligheidsschakelaar
de centrale portiervergrendeling
niet heeft kunnen uitschakelen
door lekkage of beschadiging aan
de accu, kan het interieur van
buitenaf niet meer bereikt wor-
den.
Het openen van de por-
tieren van buitenaf is in
ieder geval afhankelijk
van de staat van de portieren na
een ongeval: als een portier ver-
vormd is, kan het onmogelijk zijn
het portier te openen ook als het
slot is ontgrendeld. Probeer in
dat geval de andere portieren te
openen.
Als u na een ongeval een
brandstoflucht ruikt of
merkt dat het brandstof-
systeem lekt, druk dan de scha-
kelaar niet weer terug, zodat
brand wordt voorkomen.
fig. 125
L0A0273b

175
AUTOMATISCHE HANDREM
EPB (fig. 126)
De auto is uitgerust met een automa-
tische handrem EPB (Electric Parking
Brake) die inschakelt als de motor
wordt uitgezet en uitschakelt als bij
draaiende motor het gaspedaal wordt
ingetrapt en, bij uitvoeringen met
handgeschakelde versnellingsbak,
gelijktijdig het koppelingspedaal wordt
losgelaten. De handrem kan ook hand-
matig worden uitgeschakeld door op
knop Aop de middenconsole te druk-
ken bij een draaiende motor of met de
contactsleutel in stand MAR.
Na het handmatig uitschakelen van de
handrem, wordt bij het openen van het
bestuurdersportier de handrem auto-
matisch weer ingeschakeld en moet
opnieuw op knop Aworden gedrukt om
de handrem uit te schakelen.
De knop is tamelijk breed waardoor de
handrem in noodgevallen snel bediend
kan worden, ook door de passagier.
De voordelen van dit systeem ten
opzichte van de traditionele handrem
zijn talrijk:
– er is geen enkele kracht nodig om de
automatische handrem in- of uit te
schakelen
– de prestaties van de automatische
handrem zijn onder alle gebruiksom-
standigheden altijd maximaal, in tegen-
stelling tot de traditionele handrem,
waarbij alleen gegarandeerd kan wor-
den dat de auto volledig op zijn plaats
wordt gehouden als de handrem volle-
dig is aangetrokken
– de automatische handrem wordt
bediend via elektrische kabels, waar-
door alle problemen met betrekking tot
de mechanische bedieningskabels, zoals
afstellen, bevriezen of losschieten zijn
uitgesloten
– een grotere veiligheid dank zij het
geavanceerde elektronische controlesys-
teem (gelijk aan dat voor het ABS) dat
het blokkeren van de wielen voorkomt
als de handrem tijdens het rijden wordt
ingeschakeld
– een grotere veiligheid als de auto
geparkeerd staat en kinderen in de auto
worden achtergelaten; de handrem kan
niet worden uitgeschakeld als de con-
tactsleutel in stand STOP staat of is uit-
genomen.
– het systeem heeft functies die auto-
matisch worden geregeld en waarover
de andere systemen niet beschikken. De
functies worden hierna vermeld.
Als de handrem is ingeschakeld,
brandt met de contactsleutel in stand
MAR op het instrumentenpaneel het
lampje x.
Het lampje gaat branden als de hand-
rem zijn maximale remkracht heeft
bereikt en dooft als, na het loslaten, de
handrem volledig is uitgeschakeld.
Anders dan bij de traditionele handrem,
waarbij het controlelampje al gaat bran-
den als de handrem slechts een stukje
wordt aangetrokken, gaat bij het EPB-
systeem het lampje alleen branden als
de auto volledig geblokkeerd staat.
De in-/uitschakeling van de handrem
gaat gepaard met een specifiek geluid
dat de bestuurder op de in-/uitschake-
ling attendeert; de handrem is volledig
in- of uitgeschakeld als het geluid
ophoudt.
fig. 126
L0A0197b
Houd tijdens het inscha-
kelen van de handrem het
rempedaal altijd inge-
trapt.

176
Automatische inschakeling
De handrem wordt automatisch
ingeschakeld als u de motor uitzet en
schakelt daarna niet uit, ook niet als
u op knop Adrukt. Pas nadat de
contactsleutel in stand MAR is
gedraaid, kan de handrem worden
uitgeschakeld door op deze knop te
drukken.
De handrem wordt ook automa-
tisch ingeschakeld als bij een draai-
ende motor het bestuurdersportier
wordt geopend. Op deze manier is de
auto veilig als de bestuurder de auto
bij draaiende motor verlaat (hek
openen, garage openen, enz.).
Automatische uitschakeling
Als een versnelling is ingeschakeld,
wordt de handrem automatisch los-
gezet na het intrappen van het gas-
pedaal en bij uitvoeringen met
handgeschakelde versnellingsbak,
gelijktijdig met het loslaten van het
koppelingspedaal. De regeleenheid
zorg ervoor, met behulp van een
geïntegreerde hellingshoeksensor,
dat de handrem geleidelijk wordt
losgezet in overeenstemming met de
helling van de weg. Hierdoor worden
ongecontroleerde bewegingen of
ongewenst achteruitrijden voorko-
men.
Op deze wijze wordt het bergop-
waarts wegrijden makkelijker: u
hoeft namelijk alleen de handrem
met de hand in te schakelen, als deze
nog niet automatisch was ingescha-
keld in de hiervoor beschreven
gevallen, en het gaspedaal in te trap-
pen (laat gelijktijdig het koppelings-
pedaal los bij uitvoeringen met
handgeschakelde versnellingsbak)
zonder dat u de handrem met de
hand geleidelijk moet loszetten zoals
bij traditionele handremmen.
BELANGRIJK In enkele situaties,
bijv. als in de rijrichting van de auto
zich een obstakel dicht bij de auto
bevindt, kan het noodzakelijk zijn
dat de handrem met de hand moet
worden uitgeschakeld zonder de
hulp in te roepen van het automati-
sche systeem en de auto op zijn
plaats te houden met de voetrem,
zoals normaal gedaan wordt bij
auto’s met traditionele handrem.
Automatische werking uitscha-
kelen
Als u de auto bij draaiende motor
en uitgeschakelde handrem moet
verlaten (zoals verzocht wordt in
enkele wastunnels), druk dan op
knop Anadat het bestuurdersportier
is geopend.
Als daarentegen de automatische
inschakeling van de handrem bij uit-
gezette motor moet worden uitge-
schakeld om de auto met de hand in
beweging te krijgen (bijv. in een
garage of wastunnel), kan de
betreffende functie in het menu van
het CONNECT worden uitgescha-
keld. De automatische functie kan
alleen worden uitgeschakeld als de
contactsleutel in stand MAR staat en
de auto stilstaat; druk op de knop
SETUP, selecteer “Andere instel-
lingen”, schakel de functie “Auto-
matische handrem” uit en druk op
“OK”. De automatische werking kan
ook als volgt worden uitgeschakeld:
– draai de contactsleutel in stand
STOP (de handrem wordt ingescha-
keld)

177
– draai de sleutel weer in stand
MAR, trap het rempedaal in en houd
gelijktijdig knop Aten minste 2
seconden ingedrukt. Het lampje x
knippert 3 keer om aan te geven dat
de automatische werking is uitge-
schakeld.
Als vervolgens de contactsleutel
weer in stand STOP wordt gedraaid,
is de handrem niet ingeschakeld. De
automatische werking van de hand-
rem wordt automatisch weer her-
steld als de contactsleutel weer in
stand MAR wordt gedraaid.
BELANGRIJK Als na de uitscha-
keling van de handrem, de auto
begint te bewegen met een hogere
snelheid dan bij een normale hand-
matige verplaatsing, wordt de uit-
schakeling van het automatische
werking direct geannuleerd en de
handrem ingeschakeld.
Voordat u de auto in een
wastunnel laat, moet de
automatische handrem
worden uitgeschakeld volgens de
hiervoor beschreven aanwijzin-
gen.
Gebruik in noodgevallen
In uitzonderlijke omstandigheden
(bijv. hydraulisch remsysteem volle-
dig defect) kan de automatische
handrem gebruikt worden om de
bewegende auto stil te zetten
(“dynamische werking”).
Hiervoor moet het gaspedaal wor-
den losgelaten en knop A(fig. 126)
worden ingedrukt en gedurende de
gehele handeling ingedrukt worden
gehouden: de elektronische regel-
eenheid van het systeem herkent de
noodsituatie en grijpt onmiddellijk
in met een reeks cycli waarbij de
remkracht op de achterwielen wordt
overgebracht en wordt losgelaten als
ze dreigen te blokkeren. Deze cycli
worden afwisselend op het rechter
en linker achterwiel uitgevoerd om
niet alleen de stabiliteit van de auto
te garanderen maar ook voor meer
continuïteit in de vertraging en dus
een kortere remweg.
De achterwielen kunnen blokkeren
als de snelheid van de auto onder de
veiligheidslimiet komt (lager dan
ongeveer 10 km/h).
Om de gebruiker er aan te herinne-
ren dat de dynamische werking
alleen in noodgevallen gebruikt
moet worden en wordt afgeraden tij-
dens de normale werking, wordt niet
alleen het eventuele oneigenlijke
gebruik van de handrem door ande-
re inzittenden in de auto aangegeven
maar klinkt tijdens de gehele hande-
ling ook een geluidssignaal.
Storingsmeldingen
Het systeem wordt gecontroleerd
door een elektronische regeleenheid
die eventuele storingen aangeeft door
een brandend waarschuwingslampje
s! op het multifunctionele display
met daarbij het opschrift “DEFECT
IN EPB - BEZOEK EEN WERK-
PLAATS”.
Voor nog meer veiligheid wordt, als
bij een storing op de knop voor de
automatische handrem wordt
gedrukt, de bestuurder hierop geat-
tendeerd door een geluidssignaal en
het brandende lampje x.
Als de handrem niet de benodigde
remkracht bereikt (bijv. onvoldoen-
de acculading), knippert het lampje
xop het instrumentenpaneel.

fig. 128
L0A0275b
fig. 127
L0A0274b
178
Bij een storing in het waarschu-
wingslampje xop het instrumen-
tenpaneel, gaat het lampje s!op
het multifunctionele display bran-
den en verschijnt het bericht
“DEFECT IN LAMPJE EPB -
BEZOEK EEN WERKPLAATS” o m
de bestuurder op de gevaarlijke situ-
atie te attenderen.
Als er een storing wordt
aangegeven door het
brandende lampje en het
bericht op het instrumentenpa-
neel, rijd dan zo spoedig en voor-
zichtig mogelijk naar de Lancia-
dealer, omdat het mogelijk is dat
de handrem niet werkt.
Uitschakelen in noodgevallen
De automatische handrem is uitge-
rust met een eigen accu, waardoor
de handrem in noodgevallen kan
worden uitgeschakeld, bijv. als de
hoofdaccu van de auto volledig leeg
is of als gevolg van een ongeval is
beschadigd.
Met de hulpaccu, die voortdurend
door een elektronische regeleenheid
wordt gecontroleerd, kan de hand-
rem bovendien worden in- en uitge-
schakeld als de auto geduwd moet
worden.
Om de automatische handrem uit
en weer in te schakelen als de hoofd-
accu van de auto volledig leeg is,
moet de contactsleutel in stand MAR
worden gedraaid en op de hoofd-
knop op de middenconsole worden
gedrukt.
De auto is bovendien uitgerust met
een noodknop A(fig. 127) in het
rechter vak van de bagageruimte.
Deze noodknop kan gebruikt worden
om de auto te ontgrendelen als de
auto stil op de weg blijft staan ten
gevolge van een defect of ongeval, en
het niet mogelijk is de contactsleutel
in stand MAR te draaien (een ongeluk
met brandgevaar). De knop is bereik-
baar nadat het deksel van het vak ver-
wijderd is door met de contactsleutel
de sluiting A(fig. 128) in stand 1te
draaien.

179
Ga voor het uitschakelen van de
handrem met de noodknop als volgt
te werk:
– druk op de hoofdknop op de mid-
denconsole en laat de knop los
– druk op de noodknop in de baga-
geruimte en laat de knop los
– druk opnieuw op de hoofdknop
op de middenconsole en laat de knop
los.
Deze procedure moet binnen 30
seconden worden uitgevoerd.
HANDGESCHAKELDE
VERSNELLINGSBAK
Om de versnellingen in te schake-
len, moet u het koppelingspedaal
geheel intrappen en vervolgens de
versnellingspook in één van de in het
schema aangegeven standen ( fig.
129) plaatsen; dit schema staat ook
op de knop van de pook.
Om de achteruit ( R) in te schake-
len, moet de auto stilstaan en met de
vingers van de hand waarmee u de
pook vasthoudt, de schuifring A
onder de pookknop omhoog worden
getrokken. Verplaats de pook ver-
volgens vanuit de “vrij”-stand naar
rechts en vervolgens naar achteren.
Laat de schuifring los zodra de
achteruit is ingeschakeld. Voor het
uitschakelen van de achteruit hoeft
de schuifring niet omhoog te worden
getrokken.
Om op de juiste wijze te
schakelen, moet u het
koppelingspedaal geheel
intrappen. Er mogen zich in de
ruimte onder de pedalen geen
voorwerpen bevinden die het
geheel intrappen van de pedalen
kunnen verhinderen: let erop dat
de vloermatten niet zijn dubbel-
gevouwen en zo de slag van de
pedalen kunnen beperken.
De achteruit kan alleen
worden ingeschakeld als
de auto volledig stilstaat.
Wacht bij een draaiende motor
en een geheel ingetrapt koppe-
lingspedaal minstens twee secon-
den voordat u de achteruit
inschakelt om te voorkomen dat
de tandwielen beschadigen.
Laat uw hand tijdens het
rijden niet op de pook-
knop rusten omdat door
de uitgeoefende druk, ook als
deze licht is, de interne onderde-
len van de versnellingsbak op
den duur kunnen slijten.
fig. 129
L0A0250b

180
ELEKTRONISCH
BEDIENDE AUTO-
MATISCHE VER-
SNELLINGSBAK
(COMFORTRONIC)
De auto is uitgerust met een elek-
tronisch bediende automatische ver-
snellingsbak. Naast de normale
functies kunt u handmatig de ver-
snellingen inschakelen door de ver-
snellingspook in het daarvoor
bestemde deel te plaatsen.
BELANGRIJK Lees alle informa-
tie in deze paragraaf zorgvuldig
door, zodat u voordat u met de auto
gaat rijden, op de hoogte bent van
de juiste werking van onder andere
de beveiligingssystemen Shift-lock
en Key-lock, waarmee de automati-
sche transmissie is uitgerust.
MOTOR STARTEN
De motor kan alleen gestart wor-
den als de versnellingspook in stand
Pof N (fig. 130) staat.
Uit veiligheidsoverwegingen is het
raadzaam de motor te starten terwijl
het rempedaal is ingetrapt.
BELANGRIJK Druk na het starten
van de motor het gaspedaal niet in
voor en tijdens het verplaatsen van
de versnellingspook. Dit is met name
zeer belangrijk als de motor koud is.
WEGRIJDEN
Houd na het starten het rempedaal
bij een draaiende motor ingetrapt
(beveiligingssysteem Shift-lock), en
plaats de versnellingspook in stand
Dof in de stand voor handmatige
bediening. Laat het rempedaal los
en trap het gaspedaal geleidelijk in.
BELANGRIJK De versnellings-
pook kan uitsluitend uit stand P
worden verplaatst als de contact-
sleutel in stand MAR staat en het
rempedaal is ingetrapt (beveiligings-
systeem Shift-lock).
De versnellingspook kan vanuit
stand Din een andere stand worden
geplaatst, zonder het rempedaal in
te trappen, volgens het schema dat
op het schakelmasker is aange-
bracht. Alleen als de pook vanuit
stand Pwordt verplaatst, moet om
veiligheidsredenen het rempedaal
worden ingetrapt.
fig. 130
L0A0184b

181
Verlang de eerste kilo-
meters geen maximale
prestaties, maar wacht tot
de motor op bedrijfstemperatuur
is.
AUTO STILZETTEN
Voor het stilzetten van de auto hoeft
alleen het rempedaal ingetrapt te
worden, onafhankelijk van de stand
van de versnellingspook.
Als de motor stationair
draait en de hendel in
stand D of R staat, moet
het rempedaal ingetrapt worden
gehouden, ook als de auto op een
vlakke ondergrond staat; als u
het rempedaal niet ingetrapt
houdt, komt de auto in beweging.
De contactsleutel kan alleen uit het
contactslot worden genomen als de
versnellingspook in stand Pstaat
(beveiligingssysteem Key-lock) en
binnen 30 seconden nadat de con-
tactsleutel in stand STOP is
gedraaid. Gedurende deze tijd is de
letter Pop het display van het in-
strumentenpaneel verlicht ( fig.
131). Na deze 30 seconden dooft de
letter Pop het display en blijft de
contactsleutel in het slot geblok-
keerd. Om de sleutel uit het slot te
nemen, moet de contactsleutel in
stand MAR worden gedraaid en ver-
volgens weer in stand STOP; op
deze manier hebt u nog eens 30
seconden ter beschikking op de sleu-
tel uit te nemen.
BELANGRIJK In geval van nood
(storingen, lege accu, enz.) kan de
sleutel ook worden uitgenomen als
de versnellingspook niet in stand P
staat. Draai hiervoor de contactsleu-
tel in stand STOP, druk op knop A
(fig. 132) en neem tegelijkertijd de
sleutel uit het slot.
fig. 131
L0A0238b
fig. 132
L0A0178b

182
KEUZE VOOR
AUTOMATISCHE/HANDMATIGE
SEQUENTIËLE WERKING
De belangrijkste eigenschap van
deze versnellingsbak is de keuze tus-
sen automatische en handmatige se-
quentiële werking.
Plaats de versnellingspook in het
rechter gebied in stand Dvoor auto-
matische werking of in het linker ge-
bied in stand (+/-) voor handmatige
sequentiële werking.
Op display A(fig. 133) van het in-
strumentenpaneel wordt de ingescha-
kelde versnelling (1- 5bij handma-
tige sequentiële werking) of het sym-
bool D(bij automatische werking)
weergegeven.
AUTOMATISCHE WERKING
Plaats voor de automatische werking
de versnellingspook in het rechter ge-
bied (fig. 130) in één van de volgende
standen:
P- parkeren (u kunt de motor star-
ten)
R- achteruit
N- vrijstand (u kunt de motor star-
ten)
D- automatisch vooruit rijden.
BELANGRIJK De versnellingspook
kan uitsluitend uit stand Pworden
verplaatst als de contactsleutel in
stand MAR staat en het rempedaal is
ingetrapt (beveiligingssysteem Shift-
lock).
De versnellingspook kan vanuit
stand Din een andere stand worden
geplaatst, zonder het rempedaal in te
trappen, volgens het schema dat op
het schakelmasker is aangebracht. Al-
leen als de pook vanuit stand Pwordt
verplaatst, moet om veiligheidsrede-
nen het rempedaal worden ingetrapt.
fig. 133
L0A0239b
P - Parkeren
Als u de auto parkeert, moet de ver-
snellingspook altijd in deze stand
staan. De aangedreven wielen worden
automatisch geblokkeerd.
Om onverwachtse verplaatsingen te
voorkomen, kan de pook alleen van-
uit Pin een andere stand worden ge-
plaatst als het rempedaal is ingetrapt.
De pook kan in stand Pworden ge-
plaatst zonder het rempedaal in te
trappen, maar het is raadzaam ook in
dit geval het rempedaal in te trappen.
BELANGRIJK Plaats de pook al-
leen in stand Pals de auto stilstaat.

183
R - Achteruit
Plaats de pook in stand Rals de
auto stilstaat, de motor stationair
draait en het rempedaal is ingetrapt.
Als de pook in stand Rstaat, scha-
kelen de achteruitrijlichten in en hoort
u ongeveer 4 seconden een geluids-
signaal dat u en eventuele andere in-
zittenden erop attendeert dat de ach-
teruit is ingeschakeld.
BELANGRIJK Als de pook in stand
Rstaat, wordt de achteruit niet inge-
schakeld als de snelheid van de auto
hoger is dan de vastgestelde limiet.
Als de snelheid onder deze waarde
zakt, schakelt de achteruit in en blijft
ingeschakeld ook als de snelheid de li-
miet weer overschrijdt.
N - Vrijstand
Deze stand wordt gebruikt als de
auto moet worden geduwd of gesleept.
D - Vooruit rijden (automatisch)
Deze stand kan worden gebruikt als
u over alle automatische functies van
de versnellingsbak wilt beschikken.
De elektronische regeleenheid regelt
de automatische inschakeling van de
vijf versnellingen op basis van de snel-
heid van de auto, het motortoerental,
de stand van het gaspedaal, de snel-
heid waarmee het gaspedaal wordt in-
getrapt, en de belangrijkste rij-om-
standigheden zoals bergop- en berg-
afwaarts rijden, het nemen van boch-
ten en het remmen.
De automatische versnellingsbak
kan, afhankelijk van het rijgedrag van
de bestuurder, kiezen uit drie ver-
schillende schakelprogramma’s, van
comfortabel en economisch tot spor-
tief, waarbij de schakelpunten ver-
schuiven van lagere naar hogere toe-
rentallen.
Controleer voordat u de
auto verlaat of de automa-
tische handrem (EPB) is
ingeschakeld. Plaats de pook ook
in stand P als u de auto bij een
draaiende motor moet verlaten.
In geval van nood (storingen, lege
accu, enz.) kunt u de pook vanuit
stand Pin stand N, D of Rplaatsen
door het hendeltje A(fig. 134) onder
aan het schakelmasker van de ver-
snellingspook in te drukken. Om het
hendeltje te bereiken, moet het ge-
klemde afdekplaatje Bachter de ver-
snellingspook worden verwijderd.
fig. 134
L0A0276b

184
Als u het gaspedaal snel intrapt voor
betere prestaties, wordt automatisch
het sportieve programma ingescha-
keld. Om de functie uit te schakelen,
moet u het gaspedaal gedeeltelijk la-
ten opkomen.
Als u het gaspedaal geleidelijk in-
trapt, wordt automatisch het tussen-
liggende programma of het economi-
sche programma ingeschakeld.
De regeleenheid is in staat om bij-
zondere omstandigheden te herken-
nen zoals het nemen van een bocht.
Via de actieve sensoren van het ABS
wordt namelijk het plotselinge ver-
schil in draaisnelheid van de voor-
wielen gesignaleerd, waardoor niet
kan worden opgeschakeld naar een
hogere versnelling totdat het maxi-
male toerental van de motor is be-
reikt. Alleen in deze situatie of na het
nemen van een bocht, wordt een ho-
gere versnelling ingeschakeld. Door
deze strategie wordt de stabiliteit van
de auto verbeterd en kan na de bocht
snel geaccelereerd worden, omdat de
meest geschikte versnelling al is inge-
schakeld.
Op dezelfde manier wordt vooral bij
bruusk remmen een lagere versnelling
ingeschakeld, waardoor er beter op de
motor kan worden afgeremd. Bij een
bocht wordt de nieuwe versnelling al
ingeschakeld tijdens het afremmen
voor de bocht. Na de bocht hoeft
daarom niet te worden teruggescha-
keld om te accelereren.
Sportief rijden op verschillende tra-
jecten wordt door de regeleenheid her-
kend door het snelle loslaten van het
gaspedaal; als dit wordt geconsta-
teerd, blijft de versnelling ingescha-
keld (ook als het gaspedaal is losgela-
ten), zonder op te schakelen naar een
hogere versnelling, zodat snel geacce-
lereerd kan worden.
De regeleenheid is in staat het om-
hoog rijden van de auto te herkennen,
op basis van de signalen van het over-
gebrachte motorkoppel in relatie tot
de snelheid van de auto, en is dus in
staat overbodig schakelen tegen te
gaan bij het loslaten van het gaspe-
daal (bijv. voordat een bocht wordt
genomen), waarbij alleen de noodza-
kelijke versnellingen worden inge-
schakeld die het rijcomfort verhogen.
Op dezelfde manier herkent de re-
geleenheid het omlaag rijden van de
auto en verhindert het opschakelen
naar hogere versnellingen als het gas-
pedaal wordt losgelaten, waardoor er
beter op de motor kan worden afge-
remd. Dit is gunstig voor het remsys-
teem en de stabiliteit van de auto.
BELANGRIJK Als tijdens het rem-
men naar een lagere versnelling wordt
teruggeschakeld, wordt er niet op de
motor afgeremd als het ABS in wer-
king treedt.
De hoogste versnelling (5e) wordt ge-
bruikt voor het “rustig” rijden van de
auto, d.w.z. op lange trajecten met
hoge constante snelheid maar met een
beperkt motortoerental. Dit vermin-

185
Winterprogramma
Bij het wegrijden in omstandigheden
met weinig grip (besneeuwde wegen,
ijzel, enz.) schakelt de regeleenheid
van de automatische versnellingsbak
automatisch het “ICE”-programma
in.
Als dit programma is ingeschakeld,
kunt u wegrijden in de 2eversnelling,
om zo vlot mogelijk te vertrekken bij
optimale overbrengingsverhoudingen,
afhankelijk van de grip op de weg.
Het “ICE”-programma kan alleen
ingeschakeld worden als de versnel-
lingspook in stand Dstaat. Als de
pook in het gebied voor sequentiële
werking staat, wordt voor het ver-
trekken altijd de door de bestuurder
geselecteerde versnelling gebruikt.
Als het “ICE”-programma is inge-
schakeld, wordt de kick-down niet in-
geschakeld.
Inschakeling van een lagere
versnelling (kick-down)
Voor een snelle acceleratie (bijvoor-
beeld voor inhalen) moet het gaspe-
daal snel en diep worden ingetrapt,
waardoor de versnellingsbak de kortst
mogelijke overbrengingsverhouding,
die het toerenbereik van de motor toe-
staat, zal kiezen.
Als u het gaspedaal vervolgens los-
laat, zal de versnellingsbak een opti-
male overbrengingsverhouding kiezen
afhankelijk van de rijstijl en de gas-
klepopening.
De kick-down kan alleen worden in-
geschakeld als de versnellingspook in
stand Dstaat.
BELANGRIJK Gebruik de kick-
down alleen als dit nodig is, bijv. bij
het inhalen, om het brandstofverbruik
te beperken.
Bij stationair draaiende
motor en de versnellings-
pook in stand D kan de
auto in beweging komen, zelfs op
een vlakke ondergrond: houd het
rempedaal ingetrapt totdat u weer
wilt wegrijden.
dert het geluid tijdens het rijden en
het brandstofverbruik. Als maximale
prestaties van de auto worden ver-
langd (acceleratie en snelheid), is het
daarom normaal dat deze versnelling
bijna nooit wordt ingeschakeld.
De elektronisch geregelde automati-
sche versnellingsbak is voorzien van
een systeem dat de aandrijving van de
inwendige tandwielen tot een mini-
mum beperkt als de auto stilstaat met
ingetrapt rempedaal. De voordelen
van deze functie zijn minder geluid bij
stationair toerental, minder trillingen
en minder brandstofverbruik.

186
HANDMATIGE SEQUENTIËLE
WERKING
Plaats voor de handmatige sequen-
tiële werking de versnellingspook in
het linker gebied (fig. 130) in stand:
(+) = opschakelen;
(–) = terugschakelen.
De pook kan alleen in het linker ge-
bied geplaatst worden vanuit stand D:
de versnelling die door de automati-
sche versnellingsbak is ingeschakeld
op het moment dat de pook verplaatst
wordt, blijft ingeschakeld.
Onder alle rij-omstandigheden kan
worden overgeschakeld naar de hand-
matige sequentiële werking.
Plaats voor opschakelen de pook in
stand (+) en voor terugschakelen in
stand (–).
BELANGRIJK Als het commando
wordt gegeven om terug te schakelen
en de motor hierdoor met te hoge toe-
rentallen gaat draaien, wordt dit com-
mando genegeerd door de regeleen-
heid. De bestuurder wordt hierop ge-
attendeerd door een geluidssignaal en
door het knipperen van de ingescha-
kelde versnelling op het display van
het instrumentenpaneel.
Als de handmatige se-
quentiële werking is inge-
schakeld, moet handmatig
worden op- of teruggeschakeld,
zoals bij auto’s met een handge-
schakelde versnellingsbak. Alleen
als u de auto stilzet wordt auto-
matisch de 1eversnelling inge-
schakeld.
Als u de pook in stand Dzet, werkt
het systeem weer automatisch en wor-
den de versnellingen gekozen op ba-
sis van de rij-eigenschappen en het
geselecteerde programma.
BELANGRIJK De elektronische re-
geleenheid is geprogrammeerd voor
het uitvoeren van één schakelcom-
mando per keer. Als u de pook dus
snel achter elkaar bedient, worden
niet alle commando’s uitgevoerd. Een
hogere of lagere versnelling wordt in-
geschakeld als u de pook in stand (+)
of (–) zet nadat het vorige commando
is uitgevoerd.
Als er een storing in het handmatige
sequentiële systeem is, wordt de au-
tomatische werking ingeschakeld.

187
Bij een storing blijft het mogelijk de
versnellingspook in de standen R, N
en Dte plaatsen. Als de pook in stand
Dstaat, worden slechts enkele ver-
snellingen ingeschakeld, afhankelijk
van het type storing dat gesignaleerd
is.
Als er een storing in de
automatische versnellings-
bak is gesignaleerd, wendt
u dan zo snel mogelijk tot de Lan-
cia-dealer om de storing te laten
verhelpen.
STORINGSMELDINGEN
Storingen in de automatische ver-
snellingsbak worden weergegeven
door het gaan branden van het waar-
schuwingslampje top het multi-
functionele display en het verschijnen
van de volgende berichten:
– TE HOGE OLIETEMPERATUUR
COMFORTRONIC
– DEFECT IN COMFORTRONIC.
TE HOGE OLIETEMPERATUUR
IN DE AUTOMATISCHE
VERSNELLINGSBAK
Dit bericht verschijnt als de olie in
de versnellingsbak de maximale vast-
gestelde temperatuur heeft bereikt. In
dat geval beschikt de elektronische re-
geleenheid over een noodprogramma.
Onder deze omstandigheden raden
wij u aan te stoppen, de versnellings-
pook in stand Pof Nte zetten en de
motor stationair te laten draaien, tot-
dat het bericht van het display ver-
dwijnt. Rijd daarna verder zonder te
veel van de motor te eisen.
Als het bericht weer op het display
verschijnt, moet de auto opnieuw
worden stilgezet met stationair draai-
ende motor totdat het bericht ver-
dwijnt.
Als tussen het verschijnen van de
storingsmeldingen minder dan 15 mi-
nuten zit, is het raadzaam de auto stil
te zetten, de motor uit te zetten en te
wachten totdat de motor-versnel-
lingsbak compleet is afgekoeld.
Storing in automatische versnel-
lingsbak
Als dit bericht tijdens het rijden op
het display verschijnt, dan is er een
storing in de automatische versnel-
lingsbak. In dat geval beschikt de
elektronische regeleenheid over een
noodprogramma.
Onder deze omstandigheden raden
wij u aan om te stoppen en de motor
uit te zetten: als de motor weer gestart
wordt, kan het zelfdiagnose-systeem
de storing, die door de elektronische
regeleenheid wordt opgeslagen, heb-
ben verholpen.

188
Als tijdens het starten van de motor
een storingsmelding verschijnt, dan
betekent dit dat de elektronische re-
geleenheid van de versnellingsbak een
storing, tijdens de voorgaande rit
voordat de motor werd afgezet, heeft
opgeslagen. Wendt u ook in dit geval
tot de Lancia-dealer om de automa-
tische versnellingsbak te laten contro-
leren.
Rijd bij een storing in de
versnellingsbak zo voor-
zichtig mogelijk en houd
rekening met de beperkingen in de
prestaties (acceleratie en snelheid)
van de auto. Tijdens het rijden met
een defecte versnellingsbak kan de
blokkering van de achteruit moge-
lijk niet werken: plaats de pook
absoluut niet in stand R zolang de
auto in beweging is.
AKOESTISCH
WAARSCHUWINGSSYSTEEM
Dit systeem treedt in werking:
– ongeveer 15 seconden als het por-
tier aan bestuurderszijde bij draaiende
of uitgezette motor wordt geopend en
de versnellingspook niet in stand P
staat
– ongeveer 15 seconden als de mo-
tor wordt uitgezet en de versnellings-
pook niet in stand Pstaat
– ongeveer 4 seconden als de ver-
snellingspook in stand R(achteruit)
wordt gezet.
– bij handmatige sequentiële wer-
king, als het commando voor inscha-
keling van een versnelling wordt ge-
geven en dit commando niet door de
regeleenheid wordt geaccepteerd (om-
dat hierdoor bijv. de motor met over-
matig toerental gaat draaien).
ROLLEND STARTEN
Het starten door aanduwen of slepen
van de auto is niet mogelijk. In nood-
gevallen (lege accu) kan de auto wor-
den gestart met een hulpaccu. Houdt
u daarbij aan de aanwijzingen die ver-
meld staat in het hoofdstuk “Noodge-
vallen”.

189
Als de bovenstaande
voorzorgsmaatregelen niet
in acht worden genomen,
kan ernstige schade aan de auto-
matische versnellingsbak worden
toegebracht.
De auto mag slechts over korte af-
standen en met lage snelheid ge-
sleept worden: indien over een
langere afstand wordt gesleept,
moet dit gebeuren met de aange-
dreven wielen los van de grond,
zodat de versnellingsbak tijdens
het slepen niet wordt aangedreven.
SLEPEN VAN DE AUTO
BELANGRIJK Houdt u bij het sle-
pen van de auto aan de wettelijke be-
palingen en aan de aanwijzingen in
het hoofdstuk “Noodgevallen”.
Bij het slepen moeten de volgende
voorzorgsmaatregelen in acht worden
genomen:
– vervoer de auto, indien mogelijk,
op de laadvloer van een bergingsauto;
– als er geen bergingsauto beschik-
baar is, moet de auto met de aange-
dreven wielen (voorwielen) los van de
grond gesleept worden;
– als ook deze oplossing onmogelijk
is, kan de auto over een afstand van
maximaal 50 km en met een snelheid
lager dan 50 km/h, gesleept worden.
De auto mag uitsluitend worden ge-
sleept als de versnellingspook in stand
Nstaat.
Voordat u de auto gaat
slepen, moet de automati-
sche handrem worden uit-
geschakeld op de manier die be-
schreven staat in de betreffende
paragraaf. Laat de CID (indien
aanwezig) van het herkennings-
systeem (Keyless System) in het in-
terieur om te voorkomen dat het
stuurslot vergrendelt. Start de mo-
tor niet als de auto wordt gesleept.
ESP EN ASR
ESP-SYSTEEM (ELECTRONIC
STABILITY PROGRAM):
ALGEMENE INFORMATIE
Het ESP-systeem is een elektronisch
geregeld systeem dat de stabiliteit van
de auto bewaakt door het motorkop-
pel en de remwerking op de wielen af-
zonderlijk te regelen als de wielen hun
grip verliezen, waardoor de auto be-
ter op koers blijft.
Tijdens de rit is de auto onderwor-
pen aan zijwaartse krachten en krach-
ten in de lengterichting, die door de
bestuurder kunnen worden gecontro-
leerd, totdat de banden de grip ver-
liezen; als dit gebeurt, dan wijkt de
auto af van de door de bestuurder ge-
wenste koers.
Vooral als op een onregelmatig weg-
dek wordt gereden (klinkers, nat, be-
ijzeld of modderig wegdek), kan de
grip van de banden te gering zijn en
kan het gebeuren dat de auto uit
koers raakt (overstuur, onderstuur).

190
Het ESP-systeem beïnvloedt de mo-
tor en de remmen, waardoor een sta-
biel koppel wordt geleverd als de sen-
soren de omstandigheden signaleren
waarin de auto kan gaan slippen.
De prestaties van het sys-
teem vergroten in principe
de actieve veiligheid, maar
mogen de bestuurder er niet toe
verleiden onnodige en onverant-
woorde risico’s te nemen. De
rijstijl moet altijd zijn aangepast
aan het wegdek, het zicht en het
verkeer. De verantwoordelijkheid
voor de verkeersveiligheid ligt al-
tijd en overal bij de bestuurder
van de auto.
Het ESP-systeem helpt de be-
stuurder de auto onder controle te
houden als de grip van de banden
onvoldoende is. De krachten die
het ESP-systeem regelt om de sta-
biliteit van de auto te handhaven,
zijn altijd afhankelijk van de grip
tussen band en wegdek.
WERKING VAN HET ESP-
SYSTEEM
Het ESP-systeem wordt automatisch
ingeschakeld als de motor wordt ge-
start en kan niet worden uitgescha-
keld. Het ASR-systeem kan echter
worden uitgeschakeld door op de be-
treffende knop op de middenconsole
te drukken.
De belangrijkste componenten van
het ESP-systeem zijn:
– een elektronische regeleenheid die
de signalen van de sensoren verwerkt
en de best mogelijke regeling uitvoert
door de inspuitventielen en de rege-
leenheid van de motor te bedienen;
– een stuurhoeksensor;
– vier sensoren die de draaisnelheid
van elk wiel meten;
– een gierhoeksensor die de ver-
draaiing om de verticale as van de
auto meet;
– een dwarsversnellingsensor die de
zijwaartse versnelling meet (centrifu-
gaalkracht).
Het hart van het ESP-systeem is een
gierhoeksensor (afkomstig uit de
luchtvaart) die de draaiing van de
auto om de verticale as meet. De cen-
trifugale krachten die worden ge-
creëerd als de auto een bocht neemt,
worden gemeten met een dwarsver-
snellingsensor met een hoge gevoelig-
heid.
De stabiliserende werking van het
ESP-systeem is gebaseerd op de bere-
keningen die de ESP-regeleenheid uit-
voert. Deze verwerkt de ontvangen
signalen van de stuurhoeksensor, de
dwarsversnellingsensor en de snel-
heidssensor bij elk wiel. Dankzij deze
signalen kan de regeleenheid de uit-
komst voorspellen van de handelin-
gen die de bestuurder uitvoert bij het
draaien aan het stuur.
Deze stand wordt vergeleken met de
richting waarin de bestuurder de auto
wil sturen. Als deze niet met elkaar
overeenstemmen, dan kiest de regel-
eenheid in een fractie van een seconde
de meest geschikte ingrepen om de
auto op koers te houden: één of meer
wielen met een voor ieder wiel afzon-
derlijke kracht worden afgeremd en
het motorkoppel wordt, indien nodig,

191
Voor de juiste werking
van het ESP, ASR en ABS
is het noodzakelijk dat de
banden van alle wielen van het-
zelfde merk en type zijn. De ban-
den moeten in perfecte conditie en
altijd van het voorgeschreven type,
merk en afmetingen zijn.
verlaagd. De ingrepen worden door-
lopend aangepast en uitgevoerd, zo-
dat de door de bestuurder gewenste
richting wordt aangehouden.
De werking van het ESP-systeem
verhoogt de actieve veiligheid van de
auto aanzienlijk onder veel kritische
omstandigheden en is vooral nuttig bij
het inhalen, als de grip van het weg-
dek wisselt.
ASR-SYSTEEM (ANTISLIP
REGULATION)
Algemene informatie
Het ASR-systeem is geïntegreerd in
het ESP-systeem. Het ASR controleert
de trekkracht van de auto en grijpt
automatisch in als één of beide aan-
gedreven wielen dreigen door te slip-
pen, waardoor de auto stabiel blijft en
slijtage van de banden wordt voorko-
men.
Afhankelijk van de oorzaak van het
doorslippen, worden twee verschil-
lende controlesystemen ingeschakeld:
– als het doorslippen van beide aan-
gedreven wielen wordt veroorzaakt
door een te hoog motorvermogen, ver-
mindert het ASR het motorvermogen;
– als slechts één aangedreven wiel
dreigt door te slippen, zorgt het ASR-
systeem ervoor dat het wiel automa-
tisch wordt afgeremd. Het effect is
hetzelfde als dat van een sperdiffe-
rentieel.
Het ASR is vooral nuttig onder de
volgende omstandigheden:
– doorslippen van het binnenste wiel
in bochten, door verandering van de
wielbelasting of door te felle accelera-
tie;
– te hoog vermogen naar de wielen,
ook in samenhang met de condities
van het wegdek;
– acceleratie op gladde wegen en bij
sneeuw en ijzel;
– verlies van grip op natte wegge-
deelten (aquaplaning).
ASR INSCHAKELEN
Het ASR-systeem schakelt automa-
tisch in als de motor wordt gestart.
Tijdens het rijden kan het systeem
worden uit- of ingeschakeld door
schakelaar A(fig. 135) op de mid-
denconsole in te drukken.
Als het systeem wordt ingeschakeld,
gaat op het multifunctionele display
het symbool Vbranden en verschijnt
het bericht “ASR INGESCHAKELD”.
Als het systeem wordt uitgeschakeld,
gaat op het multifunctionele display

192
het symbool Vbranden en verschijnt
het bericht “ASR UITGESCHA-
KELD”.
Als het systeem wordt uitgeschakeld,
gaat het lampje Bop de schakelaar
branden. Als het systeem tijdens het
rijden wordt uitgeschakeld, schakelt
het als de auto opnieuw wordt gestart
automatisch weer in.
BELANGRIJK Schakel het ASR-
systeem uit als u met sneeuwkettin-
gen rijdt: onder deze omstandigheden
levert het doorslaan van de aangedre-
ven wielen juist meer trekkracht op.
MSR-SYSTEEM
(TRACTIEREGELING)
De auto is uitgerust met een systeem
dat geïntegreerd is in het ASR en dat
bij bruusk terugschakelen het motor-
koppel verhoogt, zodat overmatige
vertraging van de aangedreven wielen
wordt voorkomen. Dit heeft vooral
voordelen op een wegdek met weinig
grip, waarop de stabiliteit van de auto
snel verloren kan gaan.
INSCHAKELING VAN HET ESP-
SYSTEEM
Als het ESP-systeem inschakelt, gaat
het lampje áop het instrumentenpa-
neel knipperen, om de bestuurder er
op te wijzen dat de auto de stabiliteit
en de grip dreigt te verliezen.
STORINGSMELDINGEN IN HET
ESP- EN ASR-SYSTEEM
Bij storingen worden het ESP en
ASR automatisch uitgeschakeld en
gaat het symbool ábranden en ver-
schijnt het bericht “DEFECT IN
ESP” op het multifunctionele display.
Bovendien gaat het lampje Bop de
ASR-knop branden.
Als de storing alleen het ESP betreft,
gaat het symbool ábranden en ver-
schijnt het bericht “DEFECT IN
ESP” op het multifunctionele display,
terwijl het lampje op knop Bgedoofd
blijft en de werking van het ASR be-
schikbaar blijft.
Als daarentegen de storing alleen het
ASR betreft, worden beide systemen
uitgeschakeld en gaat het symbool á
branden en verschijnt het bericht
“DEFECT IN ESP” op het multi-
functionele display. Bovendien gaat
het lampje Bop de ASR-knop bran-
den.
Als er een storing is in het ESP of
ASR, gedraagt de auto zich hetzelfde
als uitvoeringen die niet met deze sys-
temen zijn uitgerust: wendt u echter
zo snel mogelijk tot de Lancia-
dealer.
fig. 135
L0A0243b

193
In de tabel hierna staat voor de verschillende gebruiksomstandigheden, de door de lampjes geleverde informatie vermeld.
Gebruiksomstandigheden
of storing
Starten van de motor
(sleutel in stand MAR draaien)
Rijden
onder normale
Rijden
op wegen met
Storing in ASR
Storing in ESP
Status van het systeem
Controle van de lampjes
(check)
ASR beschikbaar
ESP beschikbaar
ASR niet beschikbaar
ESP beschikbaar
ASR actief
ESP actief
ASR niet beschikbaar
ESP actief
ASR en ESP niet beschikbaar
ASR beschikbaar
ESP beschikbaar
ASR ingescha-
keld
ASR handmatig
uitgeschakeld
ASR ingescha-
keld
ASR handmatig
uitgeschakeld
ASR-lampje op knop
Brandt ongeveer 3 seconden
Gedoofd
Brandt
Gedoofd
Brandt
Gedoofd
Gedoofd
REGELEENHEID ESP-SYSTEEM INITIALISEREN
Iedere keer als de accu wordt losgekoppeld en daarna weer wordt vastgekoppeld of de accu wordt opgeladen als deze
volledig leeg was of na het vervangen van een zekering, moet voor een correcte werking van de portiervergrendeling, de
klimaatregeling en het ESP-systeem, de handelingen voor het initialiseren worden uitgevoerd die in de paragraaf “Accu
loskoppelen” in het hoofdstuk “Noodgevallen” vermeld staan.
ESP-lampje op het instru-
mentenpaneel
Brandt ongeveer 4 seconden
Gedoofd
Gedoofd
Knippert
Knippert
Brandt
Brandt
weinig grip
omstandigheden

194
AUTOMATISCHE
SNELHEIDS -
REGELING (CRUI-
SE- CONTROL)
ALGEMENE INFORMATIE
De elektronische snelheidsregeling
maakt het mogelijk een gewenste
snelheid aan te houden, zonder het
gaspedaal in te trappen. Op deze
manier wordt het rijden, vooral op
lange trajecten, minder vermoeiend
omdat de ingestelde snelheid auto-
matisch gehandhaafd blijft.
BELANGRIJK Het systeem kan
alleen worden ingeschakeld bij een
snelheid boven de 30 km/h.
De cruise-control mag
uitsluitend worden
gebruikt als de verkeers-
omstandigheden en het traject
van dien aard zijn dat, over een
voldoende lange afstand, in volle-
dige veiligheid een constante
snelheid kan worden aangehou-
den.
BEDIENINGSKNOPPEN (fig. 136)
De cruise-control wordt bediend
met schakelaar A, met draaiknop B
en met knop C (RCL).
De schakelaar A heeft twee stan-
den:
– OFF in deze stand is het systeem
uitgeschakeld;
– ON in deze stand werkt het sys-
teem. Als de cruise-control wordt
ingeschakeld, gaat op het multifunc-
tionele display het controlelampje Ü
branden en verschijnt het bericht
“CRUISE-CONTROL INGESCHA-
KELD”.
Met draaiknop Bkunt u de inge-
stelde snelheid van de auto opslaan
en aanhouden of de ingestelde snel-
heid verhogen of verlagen.
Het systeem schakelt in de volgen-
de gevallen automatisch uit:
– door het intrappen van het rem-
pedaal
– door het intrappen van het kop-
pelingspedaal
– als de versnellingspook per onge-
luk in stand Nwordt geplaatst.
Zet bij auto’s met auto-
matische versnellingsbak
de versnellingspook nooit
in stand N als de auto in bewe-
ging is.
fig. 136
L0A0208b

195
Zet draaiknop Bin stand ( +) om
de snelheid op te slaan of om de
ingestelde snelheid te verhogen.
Zet draaiknop Bin stand (–) om de
ingestelde snelheid te verlagen.
Telkens als u draaiknop Bbedient,
wordt de snelheid met 1 km/h ver-
hoogd of verlaagd. Als de draaiknop
gedraaid wordt gehouden, verandert
de snelheid continu. De nieuwe snel-
heid wordt automatisch opgeslagen.
Met knop C(RCL) kan de opgesla-
gen snelheid worden opgeroepen.
BELANGRIJK Als de contactsleu-
tel in stand STOP of de schakelaar
Ain stand OFF wordt gedraaid,
wordt de opgeslagen snelheid gewist
en het systeem uitgeschakeld.
SNELHEID OPSLAAN
Zet draaiknop Ain stand ON en ga
op de normale manier met de
gewenste snelheid rijden. Zet draai-
knop Bten minste drie seconden in
stand (+) en laat de knop los. De
snelheid van de auto is opgeslagen
en het gaspedaal kan worden losge-
laten.
De auto blijft vervolgens constant
met de ingestelde snelheid rijden,
totdat zich één van de volgende
omstandigheden voordoet:
– intrappen rempedaal
– intrappen koppelingspedaal
–als de versnellingspook per onge-
luk in stand Nwordt geplaatst.
BELANGRIJK Indien nodig (bij-
voorbeeld bij inhalen) kan de snel-
heid simpel verhoogd worden door
het intrappen van het gaspedaal. Als
u daarna het gaspedaal loslaat,
wordt de opgeslagen snelheid weer
aangehouden.
OPGESLAGEN SNELHEID
OPROEPEN
Als het systeem wordt uitgescha-
keld door bijvoorbeeld het intrappen
van het rem- of koppelingspedaal,
kan de opgeslagen snelheid op de
volgende manier worden opgeroe-
pen:
– geef geleidelijk gas totdat de snel-
heid ongeveer gelijk is aan de opge-
slagen snelheid
– schakel de versnelling in die inge-
schakeld was op het moment van het
opslaan van de snelheid (4 e, 5eof 6e
versnelling)
– druk op knop C (RCL).
OPGESLAGEN SNELHEID VER-
HOGEN
De opgeslagen snelheid kan op
twee manieren worden verhoogd:
– trap het gaspedaal in en sla de
nieuwe snelheid op (houd draaiknop
Blanger dan 3 seconden gedraaid)

196
of
– draai draaiknop Bkort in stand
(+): telkens als de draaiknop wordt
gedraaid, wordt de snelheid iets ver-
hoogd (ongeveer 1 km/h). Als de
draaiknop gedraaid wordt gehou-
den, verandert de snelheid continu.
Als draaiknop Bwordt losgelaten,
wordt de bereikte snelheid automa-
tisch opgeslagen.
Opgeslagen snelheid verlagen
De opgeslagen snelheid kan op
twee manieren worden verlaagd:
– schakel het systeem uit (bijvoor-
beeld door het rempedaal in te trap-
pen) en sla vervolgens de nieuwe
snelheid op (zet draaiknop Bten
minste drie seconden in stand ( +)
of
– houd draaiknop B in stand ( –)
totdat de nieuwe snelheid is bereikt
die automatisch blijft opgeslagen.
OPGESLAGEN SNELHEID WIS-
SEN
De opgeslagen snelheid wordt
automatisch gewist:
– als de motor wordt uitgezet
of
– als schakelaar Ain stand OFF
wordt gedraaid.
Als de cruise-control tij-
dens het rijden is inge-
schakeld, zet dan nooit de
versnellingspook in de vrijstand.
Schakel de cruise-control uit-
sluitend in als de verkeersom-
standigheden en de conditie van
de weg dit veilig toestaan d.w.z.:
op rechte, droge wegen en auto-
snelwegen die in goede conditie
verkeren en met een rustig ver-
keersbeeld. Schakel het systeem
nooit in de stad of in druk ver-
keer in.
Het systeem kan alleen
worden ingeschakeld bij
een snelheid boven de 30
km/h.
Het systeem mag uitsluitend wor-
den gebruikt, afhankelijk van de
snelheid, in de 4e, 5eof 6eversnel-
ling. Op uitvoeringen met een
automatische versnellingsbak
mag het systeem uitsluitend wor-
den gebruikt als de versnellings-
pook in stand D staat bij automa-
tische werking zonder daarna de
hendel te verplaatsen. Tijdens de
handmatig sequentiële werking
mag het systeem in de 3e of 4e
versnelling worden ingeschakeld.
Op afdalingen kan bij ingescha-
kelde cruise-control de snelheid
iets oplopen ten opzichte van de
opgeslagen snelheid door de wij-
ziging in de motorbelasting.

197
ADAPTIEVE CRUI-
SE CONTROL
(ACC)
ALGEMENE INFORMATIE
De adaptieve cruise-control (ACC)
is een systeem dat de bestuurder
helpt bij het behouden van de kruis-
snelheid en het aanhouden van de
afstand tot de auto die voor u rijdt
en het maakt het mogelijk een con-
stante, vooraf ingestelde snelheid
aan te houden, zonder het gaspedaal
in te trappen.
Op deze manier wordt het rijden,
vooral op lange trajecten, minder
vermoeiend omdat de ingestelde
snelheid automatisch gehandhaafd
blijft en omdat een veilige afstand
wordt aangehouden ten opzichte van
de auto die voor u rijdt. Als met con-
stante snelheid wordt gereden,
wordt ook het brandstofverbruik
beperkt en verbetert de doorstro-
ming in het verkeer.
De adaptieve cruise-
control is geen “automati-
sche piloot” maar een
hulpsysteem voor de bestuurder
tijdens het rijden. De bestuurder
is daarom volledig verantwoor-
delijk voor de handelingen die hij
tijdens het rijden in het verkeer
verricht. Bovendien dient de
bestuurder zich te houden aan de
geldende verkeerswetgeving als-
mede aan de andere regels die
betrekking hebben op het weg-
verkeer.
Het systeem signaleert
alleen rijdende auto’s en
negeert alle stilstaande
obstakels.
De adaptieve cruise-
control is geen systeem
dat botsingen kan verhin-
deren: het systeem is niet in staat
om obstakels op de rijbaan te sig-
naleren en kan de auto ook niet
stilzetten als er een obstakel aan-
wezig is.
Handelingen zoals het intrap-
pen van het rem- of gaspedaal
hebben voorrang boven de crui-
se-control. De verantwoordelijk-
heid voor de verkeersveiligheid
ligt daarom altijd en overal bij de
bestuurder van de auto.
Het elektronisch geregelde systeem
werkt geheel onafhankelijk. Er is
dus geen communicatie vereist tus-
sen de auto’s of andere auto’s hoe-
ven niet met eenzelfde systeem te
zijn uitgerust.
Het systeem is niet in
staat om een noodstop te
maken of hevig te rem-
men. De maximale vertraging
wordt automatisch door het sys-
teem uitgevoerd en is beperkt ten
opzichte van de werkelijke capa-
citeit van het remsysteem van de
auto. Een eventuele noodstop kan
dus uitsluitend door de bestuur-
der worden uitgevoerd.

198
De adaptieve cruise-
control mag uitsluitend
worden gebruikt als de
verkeersomstandigheden en het
traject van dien aard zijn dat,
over een voldoende lange afstand,
volledig veilig een constante snel-
heid kan worden aangehouden.
BELANGRIJK Het systeem kan
alleen worden ingeschakeld als de
snelheid van de auto tussen 30 en
160 km/h ligt en wordt automatisch
uitgeschakeld als het rempedaal
wordt ingetrapt. Als de snelheid bij
ingeschakeld systeem onder 30
km/h zakt, wordt de bestuurder
door een geluidssignaal gewaar-
schuwd om de snelheidsregeling
weer te hervatten. Er is geen geluids-
signaal als de snelheid boven de 160
km/h uitkomt.
BEDIENINGSKNOPPEN (fig.
137)
De adaptieve cruise-control wordt
bediend met drie knoppen.
Daarnaast kan met het gaspedaal de
snelheid worden verhoogd en met
het rempedaal het systeem worden
uitgeschakeld.
Bedieningsknoppen:
– draaiknop Aom het systeem in of
uit te schakelen en de gevoeligheid
in te stellen, d.w.z. de afstand tot de
auto die voor u rijdt in relatie tot de
snelheid.
– draaiknop Bom de ingestelde
snelheid te verhogen/verlagen
– knop Com de opgeslagen snel-
heid op te roepen.
Draaiknop Akan in vier standen
worden gezet:
OFF in deze stand is het systeem
uitgeschakeld
xafstand tot de auto die voor u
rijdt wordt vergroot
xtussengelegen afstandsniveau
tot de auto die voor u rijdt
xde afstand tot de auto die voor
u rijdt wordt verkleind.
De afstand tussen twee auto’s
neemt geleidelijk toe naarmate de
snelheid van de auto hoger wordt in
relatie tot het ingestelde niveau.
BELANGRIJK Als u de contact-
sleutel in stand STOP zet of de
draaiknop Ain stand OFF, dan
wordt de opgeslagen snelheid gewist
en het systeem uitgeschakeld. Om de
werking weer in te schakelen moet u
de draaiknop Ain stand OFF zetten
en het systeem opnieuw instellen.
fig. 137
L0A0020b

199
Als het systeem is ingeschakeld
(draaiknop Astaat in een andere
stand dan OFF), verschijnt op het
multifunctionele display het sym-
bool úen het bericht “ADAPTIEVE
CRUISE-CONTROL INGESCHA-
KELD”. Het symbool blijft weerge-
geven totdat het systeem wordt uit-
geschakeld door draaiknop Ain
stand OFF te zetten.
Met draaiknop Bkunt u de inge-
stelde snelheid van de auto opslaan
en aanhouden of de ingestelde snel-
heid verhogen of verlagen.
Zet draaiknop Bin stand ( +) om
de snelheid op te slaan of om de
ingestelde snelheid te verhogen.
Zet draaiknop Bin stand (–) om de
opgeslagen snelheid te verlagen. De
snelheid kan, indien nodig, ook ver-
laagd worden door het rempedaal in
te trappen.
Telkens als u draaiknop Bbedient,
wordt de snelheid met 10 km/h ver-
hoogd of verlaagd. Als de draaiknop
gedraaid wordt gehouden, verandert
de snelheid continu met intervallen
van 10 km/h. De nieuwe snelheid
wordt automatisch opgeslagen.
Als u draaiknop Bdraait, wordt de
huidige snelheid van de auto
beschouwd als referentiesnelheid
(kruissnelheid). Deze snelheid kan
afhankelijk van de verkeersomstan-
digheden automatisch verlaagd wor-
den. Het systeem kan overschakelen
van de cruise-control naar de
afstandsmeting. Op het display van
het instrumentenpaneel wordt de
werking van het systeem weergege-
ven.
Met knop C(RCL) kan de opgesla-
gen snelheid worden hervat. Tijdens
het rijden met ingeschakeld systeem
kan de bestuurder het systeem uit-
schakelen door het rempedaal in te
trappen. In dat geval wordt de inge-
stelde kruissnelheid in het geheugen
opgeslagen en kan weer worden
opgeroepen door op de knop RCL te
drukken.
Snelheid opslaan
Zet draaiknop Ain een andere stand
dan OFF en ga op de normale manier
met de gewenste snelheid rijden.
Zet draaiknop Bin stand (+) en
laat de knop vervolgens los. De snel-
heid van de auto wordt opgeslagen
en weergegeven op het display van
het instrumentenpaneel; het gaspe-
daal kan nu worden losgelaten.
De auto blijft vervolgens constant
met de ingestelde snelheid rijden,
totdat zich één van de volgende
omstandigheden voordoet:
– intrappen rempedaal
– aanwezigheid van een auto op de
rijbaan die langzamer rijdt.
BELANGRIJK Indien nodig (bij-
voorbeeld bij inhalen) kan de snel-
heid simpel verhoogd worden door
het intrappen van het gaspedaal. Als
u daarna het gaspedaal loslaat,
wordt de opgeslagen snelheid weer
aangehouden. Als harder dan 160
km/h wordt gereden, moet om de
opgeslagen snelheid weer te hervat-
ten, knop C(RCL) worden inge-
drukt.

200
OPGESLAGEN SNELHEID
OPROEPEN
Als het systeem wordt uitgescha-
keld door bijvoorbeeld het intrappen
van het rempedaal, kan de opgesla-
gen snelheid worden hervat door
knop C (RCL) in te drukken.
OPGESLAGEN SNELHEID VER-
HOGEN
De opgeslagen snelheid kan op
twee manieren worden verhoogd:
– trap het gaspedaal in en sla de
nieuwe snelheid op (draaiknop Bin
stand +)
of
– zet draaiknop Bkort in stand
(+): telkens als de draaiknop wordt
gedraaid, wordt de snelheid iets ver-
hoogd met intervallen van 10 km/h.
Als de draaiknop gedraaid wordt
gehouden, verandert de snelheid
continu met intervallen van 10
km/h. Als draaiknop Bwordt losge-
laten, wordt de bereikte snelheid
automatisch opgeslagen.
Op het display verschijnt de nieuwe
ingestelde snelheid.
Opgeslagen snelheid verlagen
De opgeslagen snelheid kan op
twee manieren worden verlaagd:
– schakel het systeem uit (bijvoor-
beeld door het rempedaal in te trap-
pen) en sla vervolgens de nieuwe
snelheid op (zet draaiknop Bin
stand (+)
of
– houd draaiknop Bin stand ( -)
totdat de nieuwe snelheid is bereikt
die automatisch blijft opgeslagen.
Op het display verschijnt de nieuwe
ingestelde snelheid.
OPGESLAGEN SNELHEID WIS-
SEN
De opgeslagen snelheid wordt op
een van de volgende manieren auto-
matisch gewist:
– als de motor wordt uitgezet
– als draaiknop Ain stand OFF
wordt gezet
– als de snelheid onder de 30 km/h
zakt.
Als het systeem wordt uitgescha-
keld, wordt alle informatie op het
display van het instrumentenpaneel
gewist.
Snelheid en afstand aanhouden
Het systeem houdt de opgeslagen
snelheid aan als er geen enkele auto
op de rijbaan wordt gesignaleerd.
Als daarentegen een auto wordt
gesignaleerd die langzamer rijdt,
voert het systeem automatisch enke-
le handelingen uit (snelheid verho-
gen, snelheid verlagen of bijrem-
men) om de ingestelde afstand tot de
auto die voor u rijdt aan te houden.

201
De maximale vertraging
wordt automatisch door
het systeem uitgevoerd en
is beperkt ten opzichte van de
werkelijke capaciteit van het
remsysteem van de auto. Een
eventuele noodstop kan dus uit-
sluitend door de bestuurder wor-
den uitgevoerd. De bestuurder
wordt door een geluidssignaal
gewaarschuwd als zich situaties
voordoen, waarbij de bestuurder
uit veiligheidsoverwegingen op
het rempedaal moet trappen.
Als het rempedaal wordt ingetrapt,
schakelt het systeem uit, terwijl het
gaspedaal altijd ingetrapt kan wor-
den (bijvoorbeeld bij inhalen) zon-
der dat het systeem uitschakelt. Als
u daarna het gaspedaal loslaat,
wordt de opgeslagen snelheid weer
aangehouden.
Op het multifunctionele display
wordt kort informatie gegeven over
de opgeslagen snelheid, de af- of
aanwezigheid van een rijdende auto
en de ingestelde gevoeligheid.
Signalering van een auto met
geactiveerd maar niet ingescha-
keld systeem
Als het systeem is geactiveerd
(draaiknop Ain een andere stand
dan OFF) begint het systeem pas
met het signaleren van een rijdende
auto nadat ten minste één keer het
systeem is ingeschakeld (draaiknop
Bin stand (+) zetten).
Hierna wordt de aanwezigheid van
een rijdende auto altijd gesignaleerd,
ook bij uitgeschakeld systeem, totdat
het systeem buiten werking wordt
gesteld (draaiknop Ain stand OFF).
Signaleren van een auto bij inge-
schakeld systeem
Als het systeem wordt ingeschakeld
door draaiknop Bin stand (+) te zet-
ten, wordt de aanwezigheid van een
rijdende auto voor u (binnen 150
meter) aan u bekend gemaakt via
het display op het instrumentenpa-
neel door middel van het volgende
icoontje:
Het icoontje geeft aan dat de cruise-
control en de afstandsmeting met sig-
nalering van de aanwezigheid van een
auto die voor u rijdt, zijn ingeschakeld.
Deze zijn echter nog niet “gekoppeld”
als de afstand groter is dan de ingestel-
de afstand of als de snelheid hoger is
dan de ingestelde snelheid.
Als de auto zich daarentegen op
een afstand bevindt die gelijk is aan
of korter is dan de ingestelde afstand
en het systeem nog in de “koppe-
lings”-fase is, dan verschijnt op het
display één van de icoontjes (afhan-
kelijk van het ingestelde afstandsni-
veau) die aangeeft dat de afstands-
meting is ingeschakeld:
ingestelde afstandsniveau x
ingestelde afstandsniveau x

202
ingestelde afstandsniveau x
Bij buitentemperaturen gelijk aan of
minder dan 3 oC houdt het systeem
automatisch de langste afstand aan,
ongeacht het ingestelde afstandsni-
veau.
Als het systeem korte tijd wordt uit-
geschakeld door het gaspedaal in te
trappen, dan knippert de opgeslagen
snelheid op het instrumentenpaneel en
verdwijnt het eventueel op het display
van het instrumentenpaneel weergege-
ven icoontje van de afstandsmeting.
Het icoontje dat de signalering van een
auto die voor u rijdt, aangeeft, blijft,
indien aanwezig, weergegeven.
Als het systeem is ingeschakeld en de
linker richtingaanwijzers (pijlen) wor-
den bediend om een inhaalmanoeuvre
aan te geven, dan wordt automatisch
de afstand tot de auto (al gekoppeld)
die voor u rijdt, verminderd om het
inhalen te vergemakkelijken. Als de
bestuurder de inhaalmanoeuvre niet
binnen enkele seconden uitvoert, dan
houdt de auto de ingestelde afstand
weer aan.
Als de adaptieve cruise-control is
ingeschakeld en de voor de functie toe-
gestane remcapaciteit het aanhouden
van de ingestelde afstand tot de auto
die voor u rijdt, niet kan garanderen,
wordt de bestuurder door een geluids-
signaal en het verschijnen op het mul-
tifunctionele display van het bericht
“REMMEN UIT VEILIGHEIDSRE-
DENEN” gewaarschuwd om de snel-
heidsregeling weer over te nemen.
BELANGRIJK Als de adaptieve crui-
se-control is ingeschakeld en de snel-
heid van de auto die voor u rijdt onder
de 30 km/h zakt, wordt de bestuurder
door een geluidssignaal en het verschij-
nen op het multifunctionele display
van het bericht “ACC NIET INGE-
SCHAKELD” gewaarschuwd om de
snelheidsregeling over te nemen. De
werking van de adaptieve cruise-con-
trol is niet gegarandeerd in files; het
stoppen en het vervolgens weer gaan
rijden in een file wordt altijd aan de
bestuurder overgelaten, die ook iedere
keer de cruise-control opnieuw moet
inschakelen.
STORINGSMELDINGEN
Eventuele storingen in het systeem
worden aangegeven door het gaan
branden van symbool àop het multi-
functionele display en het verschijnen
van het bericht “DEFECT IN ACC”.
De storing blijft weergegeven ook als
draaiknop Avan het systeem in stand
OFF wordt gezet.
De adaptieve cruise-control wordt
ongeacht het soort storing, volledig uit-
geschakeld. Als de uitschakeling van
het systeem wordt veroorzaakt door
vuil op de lens, dan wordt de bestuur-
der hierop geattendeerd door het
betreffende bericht op het display.
In dat geval moet de bescherming
voor de lens (aangegeven in fig. 138)
worden gereinigd met een vochtige
doek. Gebruik voor het schoonmaken
geen droge, grove of harde doek.
De sensor is in de voor-
bumper geplaatst. Bij
eventuele botsingen kan
het systeem beschadigen.

203
Wij raden u aan de adap-
tieve cruise-control alleen
in te schakelen als de ver-
keersomstandigheden en de condi-
tie van de weg dit veilig toestaan;
d.w.z.: op rechte, droge wegen en
autosnelwegen die in goede condi-
tie verkeren en met een rustig ver-
keersbeeld. Schakel het systeem
nooit in de stad of in druk verkeer
in. Als u een bocht nadert, kan het
nodig zijn de ingestelde snelheid te
verminderen of het systeem uit te
schakelen door het rempedaal in te
trappen.
Het rempedaal wordt
door de adaptieve cruise-
control bediend: plaats
uw voet daarom niet onder het
pedaal.
BELANGRIJK De adaptieve crui-
se-control kan alleen worden inge-
schakeld als de snelheid van de auto
tussen de 30 en 160 km/h ligt.
De adaptieve cruise-control schakelt
automatisch uit bij het in werking tre-
den van de volgende systemen: ABS,
ASR, MSR en ESP. Bovendien schakelt
het systeem uit bij het inschakelen van
de achteruit, van de vrijstand en bij de
bediening van de handrem.
Bij een storing of een
afwijkende werking van
de adaptieve cruise-con-
trol, moet draaiknop A in stand
OFF worden gezet en dient u zich
tot de Lancia-dealer te wenden.
Draaiknop A kan permanent in
een andere stand dan OFF blijven
staan, zonder risico op beschadi-
ging van het systeem. Het is ech-
ter raadzaam het systeem uit te
schakelen als het niet gebruikt
wordt. Zet draaiknop A in stand
OFF, zodat het per ongeluk
opslaan van snelheden wordt
voorkomen.
PARKEERSEN-
SOREN
De parkeersensoren leveren de
bestuurder bij het inparkeren infor-
matie over de afstand tot obstakels
voor en achter de auto.
De informatie over de aanwezig-
heid van en de afstand tot obstakels
wordt aan de bestuurder doorgege-
ven door middel van geluidssigna-
len. De frequentie van deze geluids-
signalen is afhankelijk van de
afstand tot de obstakels.
Door de informatie die verkregen
wordt door de eigen waarneming en
de geluidssignalen die het systeem
uitzendt, kan de bestuurder eventu-
ele botsingen voorkomen.
fig. 138
L0A0330b

204
De verantwoordelijk-
heid tijdens het parkeren
en tijdens andere moge-
lijk gevaarlijke situaties ligt
altijd en overal bij de bestuurder.
Controleer als u de auto parkeert
of zich geen personen of dieren in
de buurt van de auto bevinden.
Het systeem moet als een hulp-
middel voor de bestuurder
beschouwd worden. De bestuur-
der moet tijdens parkeermanoeu-
vres altijd volledig zijn aandacht
behouden, ook als deze met lage
snelheid worden uitgevoerd.
De parkeersensoren voor en achter
schakelen automatisch in als de con-
tactsleutel in stand MAR staat en de
achteruit wordt ingeschakeld. Als u
vervolgens een andere versnelling
inschakelt, dan schakelen de par-
keersensoren achter uit terwijl de
sensoren voor blijven ingeschakeld,
totdat de auto sneller rijdt dan 15
km/h. Zo kan de parkeermanoeuvre
volledig worden voltooid.
De sensoren voor kunnen worden
ingeschakeld door het indrukken
van knop A(fig. 139). Deze bevindt
zich op de middenconsole voor de
versnellingspook; als de sensoren
voor zijn ingeschakeld, gaat lampje
Bop de knop branden. Druk
opnieuw op knop Avoor het uit-
schakelen van de sensoren.
Bij ingeschakelde sensoren worden,
zodra een obstakel wordt waargeno-
men, geluidssignalen uitgezonden
door de sensoren voor of achter. De
frequentie daarvan neemt toe als de
afstand tot het obstakel kleiner
wordt. Het geluidssignaal klinkt
ononderbroken als de afstand tot het
obstakel minder is dan ongeveer 30
cm. Afhankelijk van de plaats van
het obstakel (voor of achter) worden
de geluidssignalen afgegeven door
de betreffende sensoren (voor of
achter). Het geluidssignaal stopt
onmiddellijk als de afstand tot het
obstakel groter wordt. De frequentie
van het geluidssignaal blijft constant
als de door de centrale sensoren
gemeten afstand onveranderd blijft,
terwijl, als deze situatie zich voor-
doet bij de sensoren aan de zijkant,
het signaal na 3 seconden onderbro-
ken wordt, om bijvoorbeeld signalen
te voorkomen als u langs een muur
rijdt.
fig. 139
L0A0016b

205
SENSOREN
Het systeem maakt gebruik van 4
sensoren in de bumper voor ( fig.
140) en 4 sensoren in de bumper
achter ( fig. 141) om de afstand tot
het obstakel te meten.
Voor een juiste werking
van het hulpsysteem mag
er geen modder, vuil,
sneeuw of ijs op de sensoren op
de bumpers zitten.
Wees voorzichtig bij het
reinigen van de sensoren
om strepen of beschadi-
gingen te voorkomen; gebruik
geen droge, grove of harde doek.
De sensoren moeten worden
gereinigd met schoon water,
waaraan eventueel autoshampoo
is toegevoegd. In wastunnels
waar gebruik wordt gemaakt van
stoom of hogedrukreiniging,
moeten de sensoren snel worden
gereinigd. Houd hierbij de straal-
pijp op meer dan 10 cm afstand.
fig. 140
L0A0278b
fig. 141
L0A0277b
Wendt u uitsluitend tot
de Lancia-dealer voor het
opnieuw lakken van de
bumpers of het eventuele bijwer-
ken van de lak in de buurt van de
sensoren. Als het bijwerken van
de lak niet op de juiste manier
wordt uitgevoerd, kan de werking
van de parkeersensoren in gevaar
worden gebracht.

206
fig. 142
LOA0172b
Meetbereik
Met de sensoren kan het gebied
voor en achter de auto worden
gecontroleerd.
Door hun plaats wordt ook de mid-
den- en zijkant aan de voor- en ach-
terzijde van de auto bestreken ( fig.
142).
Obstakels in het midden worden
waargenomen op een afstand die
korter is dan ongeveer 0,9 m (voor)
en 1,50 m (achter).

207
Obstakels aan de zijkant worden
waargenomen op een afstand die
korter is dan ongeveer 0,6 m.
De sensoren worden automatisch
weer ingeschakeld als u de aanhan-
gerstekker losmaakt.
STORINGEN
De regeleenheid van het systeem
controleert iedere keer als de con-
tactsleutel in stand MAR draait alle
componenten van het systeem. De
sensoren en de elektrische verbin-
dingen worden vervolgens continue
gecontroleerd tijdens de werking van
het systeem.
Als zich een storing voordoet in het
systeem gaat het symbool top het
multifunctionele display branden en
verschijnt het bericht “DEFECT IN
PARKEERSENSOREN”.
Als er een storing wordt gesigna-
leerd, moet u stoppen en de motor
uitzetten. Reinig de sensoren en con-
troleer of u niet in de nabijheid bent
van ultrasone systemen (bijv. lucht-
drukremmen van vrachtwagens of
pneumatische hamers). Als de oor-
zaak van de storing is weggenomen,
herneemt het systeem zijn volledige
werking, dooft het storingssymbool
en verdwijnt het bericht op het mul-
tifunctionele display.
De werking van de sen-
soren achter wordt auto-
matisch uitgeschakeld als
de stekker van de aanhanger
wordt aangesloten op de stekker-
doos van de trekhaak.
WERKING MET AANHANGER

208
Wendt u tot de Lancia-dealer als
het lampje blijft branden om het sys-
teem te laten controleren, ook als het
systeem weer werkt. Als de door de
regeleenheid gevonden storing de
werking niet in gevaar brengt, dan
blijft het systeem functioneren. De
storing wordt opgeslagen zodat de
storing bij een volgende controle
door de Lancia-dealer kan worden
waargenomen.
ALGEMENE OPMERKINGEN
Controleer tijdens parkeermanoeu-
vres of zich geen obstakels op of
onder de sensoren bevinden.
Obstakels die zich dicht bij de voor-
of achterkant van de auto bevinden,
worden onder bepaalde omstandig-
heden niet door het systeem gesigna-
leerd en kunnen dus de auto bescha-
digen of zelf beschadigd worden.
De signalen die door de sensoren
gestuurd worden, kunnen veranderd
zijn door beschadiging van de sen-
soren zelf, door vuil, sneeuw of ijs op
de sensoren of door ultrasone syste-
men (bijv. luchtdrukremmen van
vrachtwagens of pneumatische
hamers) die zich in de nabijheid
bevinden.
INTERIEURUIT-
RUSTING
PLAFONDVERLICHTING VOOR
(fig. 143)
De plafondverlichting bestaat uit
een centraal lampje en twee lampjes
aan de zijkant.
Druk op knopje Aom het lampje in
het midden handmatig in te schake-
len; druk opnieuw op het knopje om
het lampje uit te schakelen. De ver-
lichting schakelt geleidelijk in en uit.
Als het lampje met het knopje is
ingeschakeld, dan dooft het lampje
automatisch 15 minuten na het uit-
zetten van de motor (contactsleutel
in stand STOP draaien).
fig. 143
L0A0098b

209
Voor het in-/uitschakelen van de
twee lampjes aan de zijkant moeten de
knopjes Bworden ingedrukt. Deze
lampjes doven automatisch 15 minu-
ten na het uitzetten van de motor (con-
tactsleutel in stand STOP draaien).
Het centrale lampje voor gaat samen
met de plafondverlichting achter auto-
matisch branden bij het openen van
één van de portieren. De verlichting
dooft na ongeveer 3 minuten als een
portier (één of meerdere) geopend
blijft of, als de portieren al gesloten
waren, ongeveer 10 seconden na het
sluiten van het laatste portier of bij het
vergrendelen van de portieren.
Als een portier geopend blijft, dan
dooft de verlichting automatisch na 3
ongeveer minuten. De verlichting kan
opnieuw worden ingeschakeld door het
openen of sluiten van een portier.
De plafondverlichting schakelt in
(ongeveer 10 seconden) als de contact-
sleutel wordt uitgenomen (startknop in
stand STOP draaien bij uitvoeringen
met Keyless System) en als de portie-
ren met de afstandsbediening centraal
ontgrendeld worden.
Als na een ongeval de brandstofnood-
schakelaar inschakelt, gaat de verlich-
ting ongeveer 15 minuten automatisch
branden.
PLAFONDVERLICHTING
ACHTER
De plafondverlichting bestaat uit
een centraal lampje en twee lampjes
aan de zijkant.
Het lampje in het midden schakelt
samen met het plafondlampje voor
geleidelijk in en uit.
Druk op knopje Aom het lampje
handmatig in te schakelen; druk
opnieuw op het knopje om het lamp-
je uit te schakelen.
Druk op de knopjes Bom de lamp-
jes aan de zijkant in- en uit te scha-
kelen. Deze lampjes doven automa-
tisch ongeveer 15 seconden na het
uitzetten van de motor (contactsleu-
tel in stand STOP draaien).
PORTIERVERLICHTING
(fig. 145)
Aan de onderzijde van het portier-
paneel bevindt zich een lampje voor
de verlichting van het in- en uitstap-
gebied van de auto.
Het lampje gaat automatisch bran-
den bij het openen van het betreffen-
de portier, onafhankelijk van de
stand van de contactsleutel
Als het portier geopend blijft,
brandt het lampje 3 minuten en
dooft vervolgens automatisch.
fig. 144
L0A0279b
fig. 145
L0A0214b

210
VERLICHTING BUITENSPIE-
GELS (fig. 146)
Aan de onderzijde van de buiten-
spiegels bevindt zich een lampje
voor de verlichting van het in- en
uitstapgebied van de auto.
Het lampje gaat automatisch 3
minuten branden bij het openen van
het portier of als het portierslot
wordt ontgrendeld met de afstands-
bediening.
ZONNEKLEPPEN (fig. 147)
De zonnekleppen kunnen voor de
voorruit of voor de zijruit worden
gedraaid.
Om de zonnekleppen voor de zij-
ruit te draaien, moeten ze uit de
haakjes Aworden losgemaakt.
SPIEGELTJES (fig. 148)
Deze spiegeltjes bevinden zich op
de zonnekleppen: de spiegeltjes zijn
bereikbaar nadat de zonnekleppen
naar beneden zijn gedraaid en klep-
je Ais opgetild.
De spiegeltjes zijn voorzien van
verlichting: het lampje schakelt
automatisch in bij het optillen van
het klepje en dooft als u het klepje
naar beneden plaatst of automatisch
15 minuten na het uitzetten van de
motor (contactsleutel in stand STOP
draaien).
fig. 146
L0A0195b
fig. 147
L0A0192b
fig. 148
L0A0193b

211
ASBAK EN AANSTEKER VOOR
Deze bevinden zich in één vakje
dat geopend kan worden door op het
aangegeven punt te drukken ( fig.
149).
Druk op knop A(fig. 150) om de
aansteker in te schakelen; na enkele
seconden springt de knop automa-
tisch terug en is de aansteker gereed
voor gebruik.
De aansteker werkt uitsluitend als
de contactsleutel in stand MAR
staat.
Verwijder voor het legen van de
asbak het bakje B.
Controleer altijd of de
aansteker na het indruk-
ken ook uitschakelt.
De aansteker wordt erg
heet. Gebruik de aanste-
ker voorzichtig en voor-
kom dat hij gebruikt wordt door
kinderen: risico op brand en/of
brandwonden.
ASBAK ACHTER
(fig. 151)
Voor de zitplaatsen achter zijn er
twee asbakken in de panelen van de
portieren.
De asbak kan worden geopend
door op het door de pijl aangegeven
punt te drukken.
Verwijder voor het legen van de
asbak het bakje A.
fig. 149
L0A0189b
fig. 150
L0A0188b
fig. 151
L0A0053b

212
DASHBOARDKASTJE
Op het dashboard bevindt zich een
dashboardkastje dat is voorzien van
een binnenverlichting en een klepje
met slot.
Druk op knop A(fig. 152) om het
klepje te openen; het knopje werkt
alleen als de contactsleutel in stand
MAR staat en ongeveer 1 minuut na
het uitnemen van de contactsleutel of
nadat de sleutel in stand STOP is
gedraaid.
Het openen van het klepje kan wor-
den uitgesloten en weer toegestaan in
het CONNECT-menu.
Als het klepje wordt geopend, gaat
lampje A(fig. 153) branden. Het
lampje dooft als het klepje wordt geslo-
ten of automatisch na 15 minuten na
het uitzetten van de motor (contact-
sleutel in stand STOP draaien).
In het onderste vak van het dash-
boardkastje is een inbouwplaats voor-
zien voor een eventuele CD-speler
(CD-changer) Ben op enkele uitvoe-
ringen een stekkerdoos C.
BELANGRIJK Lees voor het gebruik
van de stekkerdoos de instructies in de
betreffende paragraaf op de volgende
pagina’s in dit hoofdstuk.
Rijd niet met geopend
dashboardkastje: hier-
door kan de passagier
verwondingen oplopen bij een
ongeval.
OPBERGVAKJE (fig. 154)
Aan de linkerzijde van het dash-
board bevindt zich kantelbaar op-
bergvak. Druk op punt Aom het vak
te openen en laat weer los.
Sluit het vak door het in de zitting te
duwen.
Rijd niet met geopend
vak: hierdoor kunnen
verwondingen worden
opgelopen bij een ongeval.
fig. 152
L0A0191b
fig. 153
L0A0325b
fig. 154
L0A0190b

213
BEKER-/BLIKJESHOUDER
VOOR (fig. 155)
Deze bevindt zich aan de voorzijde
van de middenconsole.
Open de houder door op het deksel
bij punt Ate drukken en los te laten:
de beker-/blikjeshouder opent auto-
matisch.
Sluit de houder door het deksel B
in de zitting te duwen.
KOEL-/WARMHOUDVAK VOOR
DRANKJES
Aan de binnenzijde van de arm-
steun voor vindt u een verlicht koel-
/warmhoudvak voor drankjes ( fig.
156). Dit vak is rechtstreeks verbon-
den met de klimaatregeling.
In dit vak kunnen drankjes langer
bewaard worden op de temperatuur
die ze hadden toen ze in het vak
werden geplaatst.
Om toegang tot het vak te krijgen,
moet de armsteun A(fig. 157)
omhoog worden getrokken met
behulp van de handgreep B.
Open de uitstroomopening van het
vak door het bedieningsorgaan A
(fig. 156) op te tillen. Sluit de uit-
stroomopening door het bedienings-
orgaan Ate laten zakken.
Klap om het vak te sluiten de arm-
steun neer totdat deze vergrendelt en
druk vervolgens op knop C om de
armsteun nog verder te laten zak-
ken.
BELANGRIJK Het koel-/warm-
houdvak dient niet voor het koelen
en opwarmen van drankjes. Het vak
dient voor het handhaven van de
temperatuur van de erin geplaatste
dranken, die dus eerst moeten wor-
den verwarmd of gekoeld voordat ze
worden geplaatst.
fig. 155
L0A0186b
fig. 156
L0A0251b
fig. 157
L0A0169b

214
Let er bijzonder goed op
dat u de drankjes niet
morst. Het koel-/warm-
houdvak beschikt evenwel over
een afvoer aan de onderkant
waardoor de eventueel gemorste
vloeistof naar buiten wordt afge-
voerd.
OPBERGVAK OP HET
DASHBOARD (fig. 158)
Achter de versnellingspook bevindt
zich een opbergvak A.
OPBERGVAKKEN IN DE
PORTIEREN
In de panelen van de portieren
bevindt zich een opbergvak:
– A(fig. 159) op de voorportieren
– B(fig. 160) op de achterportieren.
fig. 158
L0A0182b
fig. 160
L0A0212b
fig. 159
L0A0194b

215
BEKER-/BLIKJESHOUDER
ACHTER (fig. 162)
De houder Abevindt zich in de arm-
steun achter.
Open de houder door op het door de
pijl aangegeven punt te drukken en
weer los te laten: de beker-/blikjes-
houder opent automatisch.
Sluit de houder door deze in de zit-
ting te duwen.
OPBERGVAK IN ARMSTEUN
ACHTER
De armsteun achter is van binnen
voorzien van een opbergvak A(fig.
163), een vak voor pasjes, tolkaartjes,
e.d. Ben een stekkerdoos C.
Verder kan de armsteun, afhanke-
lijk van het uitrustingsniveau, bevat-
ten:
– de knoppen voor de verwarming,
de massage, de lendensteunverstelling
en de aanpassing van de zijzitplaat-
sen achter
– de knop voor het verplaatsen van
de passagiersstoel voor
– de knop voor de elektrische bedie-
ning van het zonnescherm
fig. 162
L0A0073b
fig. 163
L0A0075b
fig. 161
L0A0252b
OPBERGVAK OP DE
MIDDENCONSOLE (fig. 161)
Op de uitvoeringen met gescheiden
klimaatregeling bevindt zich aan de
achterkant van het middenconsole het
opbergvak A.

216
STEKKERDOOS
De stekkerdoos bevindt zich in de arm-
steun achter.
Om toegang tot de stekkerdoos te krij-
gen, moet de armsteun omhoog worden
getrokken met de handgreep A(fig.
164). Het vak kan gesloten worden door
de armsteun te laten zakken.
Voor het gebruik van de stekkerdoos
moet het dekseltje C(fig. 163) worden
opgetild.
Bij enkele uitvoeringen bevindt zich
ook een stekkerdoos in het dashboard-
kastje.
De stekkerdoos wordt gevoed met de
contactsleutel in stand MAR en kan al-
leen worden gebruikt voor accessoires
met een maximum stroomverbruik van
15A (vermogen 180W).
ELEKTRISCH BEDIENBAAR
ZONNESCHERM (fig. 165)
De elektrische bediening van het zon-
nescherm werkt uitsluitend als de con-
tactsleutel in stand MAR staat.
De bedieningsknoppen bevinden zich
op de middenconsole dicht bij de ver-
snellingspook en in de armsteun achter.
Voor de bediening van het zonne-
scherm vanaf de zitplaatsen voor, moet
knop Aworden ingedrukt om het zon-
nescherm omhoog te laten komen en
knop Bom het te laten zakken.
Voor de bediening van het zonne-
scherm vanaf de zitplaatsen achter, moet
op de voorzijde van schakelaar Cwor-
den gedrukt om het zonnescherm om-
hoog te laten komen, en op de achter-
zijde van de schakelaar om het te laten
zakken.
Sluit geen accessoires op
de stekkerdoos aan met een
stroomverbruik dat hoger is
dan de aangegeven maximale
waarde.
Een langdurig stroomverbruik kan
de accu uitputten, waardoor de mo-
tor niet meer gestart kan worden.
– de stekkerdoos
– de afstandsbediening voor de hifi-
en TV-functies van het CONNECT.
– de extra ontvanger voor de tele-
foon.
BELANGRIJK Lees voor het ge-
bruik van de stekkerdoos de instruc-
ties in de betreffende paragraaf in dit
hoofdstuk.
Om toegang tot het vak te krijgen,
moet de armsteun omhoog worden
getrokken met behulp van de hand-
greep A (fig. 164).
Het vak kan gesloten worden door
de armsteun te laten zakken.
fig. 164
L0A0074b
fig. 165
L0A0280b

217
EXTRA ACCESSOIRES
Als u na aanschaf van uw auto ac-
cessoires wilt monteren die constante
voeding nodig hebben (navigatiesys-
teem met anti-diefstalsatellietbewa-
king, enz.), of accessoires die de elek-
trische installatie zwaar belasten, dient
u zich tot de Lancia-dealer te wenden.
Deze kan u de meest geschikte instal-
laties aanraden die zijn opgenomen in
het Lancia Lineaccessori-programma
en controleren of de elektrische instal-
latie van de auto geschikt is voor het
extra stroomverbruik of dat het nood-
zakelijk is een accu met een grotere
capaciteit te monteren.
RADIOZENDAPPARATUUR EN
MOBIELE TELEFOON
Mobiele telefoons en andere radio-
zendapparaten (bijvoorbeeld 27 mc)
mogen alleen in de auto worden ge-
bruikt als er een aparte antenne aan
de buitenkant van de auto wordt ge-
monteerd.
Bovendien wordt de zend- en ont-
vangstkwaliteit aanzienlijk beperkt
door de isolerende eigenschappen van
de carrosserie.
HANDGREPEN (fig. 167)
Deze bevinden zich bij de portieren.
De handgrepen achter zijn voorzien
van een kledinghaakje A.
fig. 166
L0A0147b
fig. 167
L0A0222b
Controleer voordat u het
zonnescherm bedient of er
geen voorwerpen op de
hoedenplank liggen.
DOCUMENTENVAKKEN (fig.
166)
De rugleuningen van de voorstoelen
zijn aan de achterzijde voorzien van
een documentenvak.

218
Onzorgvuldig gebruik
van het opendak, ook als
het is uitgerust met een
anti-letselfunctie, kan gevaarlijk
zijn. Controleer voor en tijdens de
bediening altijd of de passagiers
niet verwond kunnen worden door
de beweging van het opendak zelf
of door in beweging gebrachte
voorwerpen. Verwijder altijd de
contactsleutel uit het contactslot
als u de auto verlaat, om te voor-
komen dat het opendak per onge-
luk in beweging wordt gebracht en
zo gevaar kan opleveren voor de
achtergebleven inzittenden.
OPENDAK MET
ZONNECELLEN
Het opendak wordt elektrisch be-
diend. De elektrische bediening werkt
alleen als de contactsleutel in stand
MAR staat. Het opendak verschuift in
lengterichting, met verschillende ope-
ningsstanden, tot aan een complete
opening waarbij het opendak in een
daarvoor bestemde ruimte is ge-
plaatst. Het opendak kan ook aan de
achterzijde worden geopend (kantel-
stand) voor ventilatie in het interieur.
Aan de bovenzijde van het opendak
bevinden zich een aantal zonnecellen
die tijdens het parkeren de aanjager
van de klimaatregeling van stroom
voorzien, waardoor de temperatuur in
het interieur aanmerkelijk daalt.
Het opendak is uitgerust met een an-
tiletsel-veiligheidssysteem, dat het
opendak controleert tijdens het slui-
ten en dicht kantelen.
De elektronische regeleenheid van
het systeem signaleert eventuele ob-
stakels tijdens het sluiten en dicht
kantelen van het opendak. Als een ob-
stakel wordt geconstateerd wordt het
sluiten/dicht kantelen gestopt en on-
middellijk een klein stukje in tegen-
gestelde richting uitgevoerd.
Door het gebruik van een
mobiele telefoon, een 27
mc-zender of gelijksoor-
tige apparaten in de auto (zonder
buitenantenne) ontstaan elektro-
magnetische velden die, als ze
worden versterkt door de reflectie
in het interieur, niet alleen
schadelijk voor de gezondheid van
de inzittenden kunnen zijn, maar
ook storingen in de elektrische
systemen van de auto (zoals de re-
geleenheid van het motormanage-
mentsysteem, de regeleenheid van
het ABS/EBD enz.) kunnen ver-
oorzaken. Hierdoor wordt de vei-
ligheid in gevaar gebracht.

219
Open het dak niet bij
sneeuw of ijs: het kan dan
beschadigd worden.
BELANGRIJK Plaats bij uitvoerin-
gen met Keyless System de CID niet
op het opendak van de auto om te
voorkomen dat de CID per ongeluk
wordt herkend.
OPENEN/SLUITEN EN
KANTELSTAND
Alle functies van het opendak (ope-
nen, sluiten en kantelstand achterzijde)
worden bediend met keuzeschakelaar
A(fig. 168).
Er zijn 6 openingsstanden in lengte-
richting en 3 kantelstanden (fig. 169).
Na de bediening van de schakelaar,
beweegt het opendak en stopt auto-
matisch in de gekozen stand.
Bij het openen van het opendak ver-
schijnt aan de voorzijde automatisch
een windscherm A (fig. 170) om
luchtwervelingen in het interieur te
voorkomen.
fig. 168
L0A0281b
fig. 170
L0A0282b
fig. 169
L0A0284b

220
Na het loskoppelen van
de accu of het doorbran-
den van de zekering is het
nodig om de anti-letselfunctie op-
nieuw in te stellen. Ga daarbij als
volgt te werk:
1) draai keuzeschakelaar Ahelemaal
naar links, in de maximale kantel-
stand 3 (fig. 168)
2) houd de keuzeschakelaar Ain die
stand totdat het opendak in de maxi-
male kantelstand staat
3) laat de schakelaar los als het
opendak minstens 2 seconden in die
stand staat
4) druk binnen 5 seconden op de
schakelaar en houd deze ingedrukt
5) binnen nog eens 5 seconden be-
gint het opendak te bewegen en voert
een complete cyclus uit van openen en
sluiten en stopt als het opendak vol-
ledig gesloten is
6) laat de schakelaar los als het open-
dak minstens 2 seconden stilstaat.
Op deze manier wordt het systeem
opnieuw ingesteld en functioneert
weer op normale wijze. Wendt u tot
de Lancia-dealer als dit niet het ge-
val is.
Als de procedure voortijdig wordt
onderbroken, moet deze vanaf het be-
gin worden herhaald.
Controleer regelmatig of
de afvoeropeningen A (fig.
171), die zich in de hoeken
voor van de omlijsting van het
opendak bevinden, niet verstopt
zijn.
fig. 171
L0A0283b

221
CENTRAAL OPENEN/SLUITEN
VAN DE ZIJRUITEN EN HET
OPENDAK
De zijruiten en het opendak kunnen
centraal worden geopend/gesloten
als:
– de contactsleutel is uitgenomen
– alle portieren op de juiste wijze
zijn gesloten.
Om de zijruiten en het opendak cen-
traal te sluiten, moet knopje B(fig. 172)
op de afstandsbediening langer dan 3 se-
conden worden ingedrukt na het sluiten
van de portieren: de zijruiten en het
opendak worden geheel gesloten. Als u
het knopje loslaat stopt het sluiten.
Om de zijruiten en het opendak cen-
traal te openen, moet knopje A(fig. 172)
op de afstandsbediening langer dan 3 se-
conden worden ingedrukt na het openen
van de portieren:de zijruiten en het
opendak worden geheel geopend. Als u
het knopje loslaat stopt het openen.
Als de auto in de zon heeft gestaan,
kunt u deze functie inschakelen om het
interieur te ventileren, voordat u in de
auto stapt.
De zijruiten en het opendak kunnen
ook centraal worden gesloten door de
sleutel in het slot van één van de voor-
portieren te draaien: houd de sleutel
langer dan 3 seconden in stand 2(fig.
173). De zijruiten en het opendak
worden geheel gesloten. Als u de sleu-
tel loslaat stopt het sluiten.
Als de sleutel langer dan 3 seconden
in stand 1(fig. 173) wordt gehouden,
dan openen de zijruiten en het open-
dak. De zijruiten en het opendak wor-
den geheel geopend. Als u de sleutel
loslaat stopt het openen.
fig. 172
L0A0174b
fig. 173
L0A0176b

222
ZONNECELLEN
Op de bovenzijde van het opendak
zijn 21 zonnecellen geplaatst die
maximaal een vermogen leveren van
24 W. Dit is voldoende voor de voe-
ding van de aanjager van de klimaat-
regeling, als de auto geparkeerd staat
met gesloten dak of met het dak in
kantelstand.
De aanjager wordt automatisch in-
geschakeld en de luchtverdeling wordt
ingesteld op de instelling die voor het
uitzetten van de motor was ingesteld.
Deze functie is zeer nuttig op zo-
merse dagen, omdat hierdoor de tem-
peratuur in het interieur aanzienlijk
daalt. Hierdoor is minder tijd nodig
voor het koelen na het wegrijden ook
omdat wordt voorkomen dat warme
lucht opeenhoopt in de kanalen van
de klimaatregeling.
In de winter vermindert de ventila-
tie de vochtigheid in het interieur.
BEDIENING IN
NOODGEVALLEN
Als de elektrische bediening van het
opendak defect is, kan het dak hand-
matig geopend worden. Ga hiervoor
als volgt te werk:
1) Pak de sleutel D(fig. 175) voor
de bediening in noodgevallen uit de
gereedschaptas.
2) Verwijder met behulp van een
schroevendraaier de geklemde doppen
Aen B(fig. 174) van de plafondver-
lichting voor.
3) Draai de schroeven C(fig. 175)
los en verwijder de plafondverlichting
door deze los te maken uit de voorste
borgveren.
BELANGRIJK Maak de stekkers
van de plafondverlichting niet los.
4) Steek de sleutel Din de zeshoe-
kige zitting van de startmotor van het
opendak en draai de sleutel:
– rechtsom om het opendak te openen
– linksom om het opendak te sluiten.
5) Bevestig na het openen of sluiten de
plafondverlichting: plaats eerst de voor-
ste borgveren en draai daarna de schroe-
ven vast.
BELANGRIJK Controleer bij het be-
vestigen van de plafondverlichting of de
elektrische bedrading op de juiste wijze
is geplaatst.
6) Monteer de doppen.
fig. 174
L0A0129b
fig. 175
L0A0329b

223
BAGAGERUIMTE
Het kofferdeksel kan zowel van bin-
nenuit als van buitenaf worden geo-
pend.
BELANGRIJK Als het kofferdeksel
niet goed is gesloten, gaat het be-
treffende symbool op het multifunc-
tionele display branden en verschijnt
het bericht “BAGAGERUIMTE
OPEN”.
Bij een lege accu of als
een zekering is doorge-
brand of als u de lege accu
wilt loskoppelen (bijv. als de auto
langere tijd niet gebruikt wordt),
moeten, voordat het kofferdeksel
wordt geopend, aandachtig de in-
structies worden gelezen en opge-
volgd die vermeld staan in de para-
graaf “Accu loskoppelen” in het
hoofdstuk “Noodgevallen”.
VAN BINNENUIT OPENEN
Het kofferdeksel wordt elektrisch ge-
opend en is alleen mogelijk met de
contactsleutel in stand MAR en bij
stilstaande auto of binnen 3 minuten
nadat de contactsleutel in stand
STOP is gedraaid zonder dat een por-
tier is geopend of gesloten.
Om het kofferdeksel te openen, moet
knop A(fig. 176) op de middencon-
sole op de volgende manier worden
ingedrukt:
– door kort op de knop te drukken,
ontgrendelt het slot van het koffer-
deksel
De gasveren zijn zo afge-
steld dat het kofferdeksel
op de juiste wijze wordt
geopend als het deksel het oor-
spronkelijke gewicht heeft. Ach-
teraf aangebrachte voorwerpen
(spoiler, enz.) kunnen de juiste
werking en de veiligheid in gevaar
brengen.
fig. 176
L0A0167b
– door langer op de knop te druk-
ken, ontgrendelt het slot en wordt het
kofferdeksel geopend.
Het kofferdeksel gaat dank zij de gas-
veren gemakkelijk open.

224
VAN BUITENAF OPENEN MET
DE SLEUTEL (fig. 177)
Het slot van het kofferdeksel wordt
elektrisch bediend: als het slot wordt
ontgrendeld en op knop Awordt ge-
drukt, wordt de servobesturing inge-
schakeld en het kofferdeksel geopend.
In noodgevallen (lege accu of een
storing in het elektrische systeem) kan
het kofferdeksel geopend worden door
de sleutel in het slot geheel linksom te
draaien, en tegelijkertijd een lichte
druk uit te oefenen op de onderzijde
van de kentekenplaathouder om de
druk te verminderen.
BELANGRIJK Als het kofferdeksel
met de sleutel is geopend, wordt bij
het sluiten de automatische functie
uitgeschakeld. Druk op knop Aom
deze functie weer in te schakelen.
OPENEN MET
AFSTANDSBEDIENING
Het kofferdeksel kan, ook bij inge-
schakeld alarm, op afstand worden
geopend door knopje A(fig. 178) in
te drukken.
Als het alarm is ingeschakeld, knip-
peren bij het openen van het koffer-
deksel de richtingaanwijzers twee
keer; bij het sluiten knipperen de rich-
tingaanwijzers één keer.
BELANGRIJK Als het kofferdeksel
bij ingeschakeld diefstalalarm met de
sleutel wordt geopend, dan wordt het
diefstalalarm niet uitgeschakeld.
Als het alarm is ingeschakeld en het
kofferdeksel wordt geopend, dan
wordt de volumetrische beveiliging en
het kofferdekselsensor uitgeschakeld
en geeft het systeem (behalve bij som-
mige uitvoeringen in enkele landen)
twee geluidssignalen (“BIEP”).
Als het kofferdeksel wordt vergren-
deld, dan wordt de beveiliging her-
steld. Het systeem geeft (behalve bij
sommige uitvoeringen in enkele lan-
den) twee geluidssignalen (“BIEP”) .
fig. 177
L0A0181b
fig. 178
L0A0179b

225
Bediening van het kofferdekselslot met de afstandsbediening
Status van de centrale
portiervergrendeling
Handeling om het
kofferdeksel te openen
Handeling om het
kofferdeksel te sluiten
Uitgeschakeld
Druk op de knop op
het kofferdeksel
Als het kofferdeksel
wordt gesloten, blijft
het slot ontgrendeld
Verbonden met de centrale portiervergrendeling Niet verbonden met de centrale portiervergrendeling
Ingeschakeld
Druk op knopje A
(fig. 178) op de af-
standsbediening en
druk vervolgens op de
knop op het kofferdek-
sel of houd het knopje
op de afstandsbedie-
ning ingedrukt
(langer dan 1 seconde)
Als het kofferdeksel
wordt gesloten, blijft
het slot ontgrendeld.
Druk voor het vergren-
delen van het slot op
knopje B(fig. 178) op
de afstandsbediening
Ingeschakeld
Druk op knopje A(fig.
178) op de afstandsbe-
diening en druk ver-
volgens op de knop op
het kofferdeksel of
houd het knopje op de
afstandsbediening in-
gedrukt (langer dan 1
seconde)
Als het kofferdeksel
wordt gesloten, blijft
het slot ontgrendeld.
Druk voor het vergren-
delen op knopje B(fig.
165) op de afstandsbe-
diening
Uitgeschakeld
Druk op knopje A(fig.
178) op de afstandsbe-
diening en druk ver-
volgens op de knop op
het kofferdeksel of
houd het knopje op de
afstandsbediening in-
gedrukt (langer dan 1
seconde)
Als het kofferdeksel
wordt gesloten, blijft
het slot ontgrendeld.
Het slot vergrendelt
automatisch als de
auto harder rijdt dan
ongeveer 20 km/h
INSTELBARE FUNCTIES MET
HET CONNECT-MENU
In het CONNECT kunnen de vol-
gende functies worden in- en uitge-
schakeld:
– ver-/ontgrendelen van het koffer-
dekselslot bij het centraal ver-/ont-
grendelen van de portieren
– automatische vergrendeling van
het kofferdekselslot,de portiersloten
en het tankklepje als de auto harder
rijdt dan 20 km/h.
Zie voor het in-/uitschakelen van
deze functies het CONNECT-boekje
dat bij deze auto wordt geleverd.
In de volgende tabellen wordt de
werking van het kofferdekselslot in
relatie tot de ingeschakelde functies
vermeld.

226
Bediening van het kofferdekselslot met de metalen baard van de sleutel
Status van de centrale
portiervergrendeling
Handeling om het
kofferdeksel te openen
Handeling om het
kofferdeksel te sluiten
Ingeschakeld
Draai de sleutel
linksom in het koffer-
dekselslot
Als het kofferdeksel
wordt gesloten, blijft
het slot ontgrendeld.
Draai voor vergrende-
ling de sleutel linksom
in het kofferdekselslot
Uitgeschakeld
Draai de sleutel
linksom in het koffer-
dekselslot
Als het kofferdeksel
wordt gesloten, blijft het
slot ontgrendeld. Draai
voor vergrendeling de
sleutel linksom in het slot
van het kofferdeksel Het
slot vergrendelt automa-
tisch als de auto harder
rijdt dan 20 km/h
Ingeschakeld
Draai de sleutel
linksom in het koffer-
dekselslot
Als het kofferdeksel
wordt gesloten, blijft
het slot ontgrendeld.
Draai voor vergrende-
ling de sleutel linksom
in het slot van het
kofferdeksel
Uitgeschakeld
Druk op de knop op
het kofferdeksel
Als het kofferdeksel
wordt gesloten, blijft
het slot ontgrendeld
Niet verbonden met de centrale portiervergrendeling
Verbonden met de centrale portiervergrendeling

227
KOFFERDEKSEL SLUITEN
Gebruik voor het sluiten van het
kofferdeksel de handgrepen A(fig.
179) in de bekleding.
Laat om het kofferdeksel
te sluiten, het deksel zak-
ken tot op het slot, zonder
het dicht te slaan. Het slot wordt
elektrisch bediend en het koffer-
deksel sluit automatisch.
VERLICHTING BAGAGERUIMTE
(fig. 180)
De bagageruimte wordt verlicht met
plafondlampje Adat automatisch gaat
branden als het kofferdeksel wordt
geopend.
De verlichting dooft automatisch als
u het kofferdeksel sluit.
Als u het kofferdeksel open laat
staan, dooft de verlichting na onge-
veer 20 minuten: om de verlichting
weer in te schakelen, moet u het
kofferdeksel sluiten en weer openen.
BAGAGENETTEN
De bagageruimte is voorzien van een
vast bagagenet (fig. 181) aan de lin-
kerzijde en een los bagagenet.
fig. 179
L0A0081b
fig. 180
L0A0180b
fig. 181
L0A0049b

228
Het losse bagagenet kan op twee
manieren in het voorste gedeelte van
de bagageruimte (fig. 182-183), in de
zittingen Aen B(fig. 184) worden be-
vestigd.
Bevestig het net door de haken A
(fig. 185) in de zittingen Bte steken
en ze omlaag te duwen.
Houd om het net los te haken het
bevestigingspunt Cingedrukt en trek
het net omhoog.
BAGAGE VASTZETTEN
De vervoerde lading kan met riemen
of spanbanden (niet bijgeleverd) wor-
den bevestigd aan de daarvoor be-
stemde ringen (fig. 186-187) in de
hoeken van de bagageruimte.
fig. 182
L0A0046b
fig. 183
L0A0047b
fig. 184
L0A0099b
fig. 185
L0A0048b
fig. 186
L0A0219b

230
STEKKERDOOS (fig. 188)
De stekkerdoos bevindt zich rechts
in de bagageruimte.
Voor het gebruik van de stekkerdoos
moet u dekseltje Aopenen.
De stekkerdoos wordt gevoed met de
contactsleutel in stand MAR en kan
alleen worden gebruikt voor accessoi-
res met een maximum stroomverbruik
van 15A (vermogen 180W).
Sluit geen accessoires op
de stekkerdoos aan met
een stroomverbruik dat
hoger is dan de aangegeven maxi-
male waarde.
Een langdurig stroomverbruik
kan de accu uitputten, waardoor
de motor niet meer gestart kan
worden.
SKILUIK
Het skiluik kan worden gebruikt
voor het vervoer van lange voorwer-
pen (bijv. ski’s). Steek de ski’s vanuit
de bagageruimte door het luik.
Toegang tot het luik:
1) Klap vanaf de achterbank de
armsteun omlaag met behulp van de
handgreep A(fig. 189).
fig. 188
L0A0218b
fig. 189
L0A0076b

231
2) Laat de bekleding zakken door
aan de handgreep B (fig. 190) te trek-
ken.
3) Open het luik door de knoppen C
(fig. 191) in te drukken. 4) Maak de bescherming D (fig.
192) los en plaats deze op de arm-
steun.
5) Klap vanuit de bagageruimte het
luikje neer door op de handgreep A
(fig. 193) te drukken.
fig. 191
L0A0078b
fig. 190
L0A0077b
fig. 193
L0A0080b
fig. 192
L0A0079b

232
fig. 196
L0A0094b
Nadat u de lading in de bescherming
heeft geplaatst, moet u deze met de
riem vastbinden om te voorkomen dat
de lading gaat schuiven bij hard rem-
men of ongelukken.
Bescherming met lading bevestigen:
1) Leg de riem van de bescherming
om de armsteun.
2) Trek de riem aan door aan het
uiteinde te trekken terwijl u de gesp
A (fig. 194) vasthoudt.
3) Maak de lading vast door de gesp
van de riem A (fig. 195) in de sluiting
van de middelste veiligheidsgordel
achter te bevestigen.
Bescherming met lading losmaken:
1) Maak de riem los door op de
knop van de sluiting van de veilig-
heidsgordel te drukken.
2) Maak de riem losser door hem
door de gesp A (fig. 196) te laten lo-
pen terwijl u op knop Bdrukt.
3) Haal de riem van de bescherming
van de armsteun af en plaats hem op
de juiste wijze in de zitting
Sluit de klepjes door ze in hun zit-
ting te drukken totdat ze vastklikken.
fig. 194
L0A0093b
fig. 195
L0A0095b

233
MOTORKAP
Open de motorkap alleen
als de auto stilstaat.
Motorkap openen:
1) Open het bestuurdersportier.
2) Trek aan hendel A(fig. 197) in
de richting die door de pijl wordt aan-
gegeven.
3) Trek hendel B(fig. 198) omhoog
om de motorkap los te maken van de
veiligheidshaak.
4) Til de motorkap op.
BELANGRIJK Het optillen van de
motorkap wordt vergemakkelijkt door
twee gasveren (fig. 199). Wij raden u
aan deze gasveren niet te demonteren
en de motorkap tijdens het optillen te
begeleiden.
fig. 197
L0A0019b
fig. 198
L0A0018b
fig. 199
L0A0285b

234
Wees bij het uitvoeren
van werkzaamheden in
de motorruimte voorzich-
tig als de motor nog warm is en
kom niet in de buurt van de elek-
troventilateur: de elektroventila-
teur kan, ook bij uitgeschakeld
contact, onverwacht inschakelen.
Wacht totdat de motor is afge-
koeld.
Pas op als u sjaals, das-
sen of loszittende kle-
dingstukken draagt: deze
kunnen door de bewegende
onderdelen worden gegrepen.
Motorkap sluiten:
1) Laat de motorkap vanaf een
hoogte van ongeveer 20 cm dichtval-
len: hij vergrendelt nu automatisch.
2) Controleer of de motorkap volle-
dig is gesloten en niet alleen door de
veiligheidshaak wordt vastgehou-
den. Sluit in dit laatste geval de
motorkap niet door erop te drukken,
maar til de motorkap op en herhaal
de handeling.
Controleer altijd of de
motorkap goed vergren-
deld is: probeer de motor-
kap op te tillen om er zeker van te
zijn dat hij goed vergrendeld is en
niet alleen door de veiligheids-
haak wordt vastgehouden.
DOP VAN DE
BRANDSTOFTANK
De vergrendeling van het tankklep-
je wordt bediend door de centrale
portiervergrendeling.
Als de centrale portiervergrende-
ling is ingeschakeld, kan het tank-
klepje niet worden geopend; als de
centrale portiervergrendeling daar-
entegen is uitgeschakeld, kan het
klepje worden geopend door op de
voorzijde van het klepje bij punt A
(fig. 200) te drukken.
Open het tankklepje door het naar
buiten te draaien in de richting van
de pijl, totdat het klepje geheel geo-
pend is.
fig. 200
L0A0012b

236
Controleer na enkele
kilometers opnieuw of de
bevestigingsbouten nog
goed vastzitten.
Verdeel de lading gelijk-
matig en houd tijdens de
rit rekening met een ver-
hoogde zijwindgevoeligheid.
Overschrijd nooit het
maximum draagvermo-
gen (zie het hoofdstuk
“Technische gegevens”).
IMPERIAAL/SKI-
DRAGER
BEVESTIGINGSPUNTEN
Op het dak bevinden zich 4 beves-
tigingsbeugels voor de imperiaal/
skidrager ( fig. 204), die door dek-
seltjes zijn afgedekt.
De bevestigingsbeugels zijn bereik-
baar door de dekseltjes bij punt A
(fig. 205) omhoog te kantelen.
Bevestig de steunen van de imperi-
aal/skidrager aan de bevestigings-
beugels volgens de bijgeleverde
instructies.
Kantel na het verwijderen van de
imperiaal/skidrager de dekseltjes
weer omlaag in de zittingen.
BELANGRIJK Houdt u zorgvuldig
aan de wettelijke bepalingen
betreffende de maximale afmetin-
gen.
Volg nauwgezet de bijgeleverde
instructies op voor de montage van
de imperiaal/skidrager. Het is raad-
zaam de montage door deskundige
personen te laten uitvoeren.
fig. 204
L0A0083b
fig. 205
L0A0084b

KOPLAMPEN
KOPLAMPEN MET
DIMLICHT/GROOTLICHT MET
GASONTLADINGSLAMPEN (BI-
XENON) EN DYNAMISCHE
KOPLAMPVERSTELLING
Bij dit type koplampen, met de
naam Bi-Xenon, wordt voor het
dimlicht en het grootlicht gebruik
gemaakt van een lamp met een bol
die xenongas bevat.
Dit type koplampen heeft de vol-
gende eigenschappen:
– betere lichtopbrengst
– grotere reikwijdte en betere
afstelling lichtbundel
– minder verbruik tijdens de wer-
king
– langere levensduur van de lamp.
Iedere koplamp is voorzien van een
regeleenheid voor het regelen van de
voedingsspanning. Vanwege de ster-
ke lichtopbrengst wordt de afstelling
van de bi-xenon koplampen door
een dynamisch controlesysteem
geregeld.
Dit systeem wordt bediend door
een elektronische regeleenheid die
op twee niveaus werkzaam is:
– constante aanpassing van de
stand van de koplampen als de
lading wijzigt
– dynamische handhaving van de
koplampafstelling om het duiken
van de auto tijdens het rijden te
compenseren.
Werking
Het licht wordt op de weg geprojec-
teerd via een bolle glazen lens met een
groot oppervlak (diameter van 70
mm).
Een afscherming, die omhoog of
omlaag komt, zorgt ervoor dat de licht-
verdeling verschillend is voor het dim-
licht en het grootlicht. De afscherming
wordt elektrisch bediend en de mecha-
nische verplaatsing van de afscherming
wordt direct tijdens de omschakeling
van de verlichting uitgevoerd.
De xenonlamp bestaat uit een bol
met xenongas onder lage druk en
twee elektroden.
Voor het uitzenden van licht moet
er een spanningsboog tussen de twee
elektroden tot stand worden
gebracht.
Iedere koplamp is voorzien van een
regeleenheid die het volgende regelt:
– de spanning/stroomsterkte tij-
dens de normale werking
– het opwekken van de spannings-
boog tussen de elektroden voor de
verdamping van de zouten tijdens
het inschakelen.
237

238
Dynamische automatische rege-
laar voor de koplampafstelling
Vanwege de sterke lichtopbrengst
wordt de afstelling van de bi-xenon
koplampen door een dynamisch
controlesysteem geregeld.
Dit systeem wordt bediend door
een elektronische regeleenheid die
de actuatoren bedient die op iedere
koplamp gemonteerd zijn. Het com-
mando voor de actuatoren is afhan-
kelijk van de verwerking van de sig-
nalen die afkomstig zijn van twee
rijhoogtesensoren.
De voordelen van dit dynamische
systeem voor automatische koplamp-
afstelling zijn:
– verhindert het verblinden van
tegenliggers
– stabiliseert het verlichte gebied
voor een betere actieve veiligheid.
Regeleenheid koplampafstelling
De regeleenheid berekent de stand
van de auto en vergelijkt die met de
signalen die afkomstig zijn van de
rijhoogtesensoren.
Een “correctie”-signaal wordt naar
de actuatoren gezonden om de licht-
bundel aan te passen aan de bere-
kende hoogte.
Om te voorkomen dat de lichtbun-
del van het dimlicht te veel heen en
weer schommelt op bepaalde wegge-
deeltes (klinkerbestrating, onverhar-
de wegen, enz.) of vanwege abrupte
bewegingen van de auto veroorzaakt
door de bestuurder (bruuske bedie-
ning van de koppeling, schakelen,
enz.), beperkt de regeleenheid het
aantal correcties dat op de lichtunit
moet worden uitgevoerd.
STORINGSMELDINGEN
Als er een storing is in één of meer-
dere componenten van het systeem,
gaat het symbool 6op het multi-
functionele display branden en ver-
schijnt het bericht “DEFECT IN
KOPLAMPAFSTELLING”.
BELANGRIJK Wendt u bij een
storing tot de Lancia-dealer.
Bij een storing in één of meerdere
componenten of bij een verminde-
ring van voedingsspanning, werkt
het systeem op de volgende wijze:
– sensor voor defect: de afstelling
wordt berekend door de afgelezen
spanningswaarde van de defecte
sensor te vervangen door een vaste
opgeslagen waarde
– sensor achter defect: het systeem
schakelt over naar een veiligheids-
stand en houdt de koplampen in een
vaste stand, waarbij de lichtbundel
maximaal naar beneden schijnt.

239
– actuatoren niet aangesloten: als
het commandosignaal ontbreekt,
worden de actuatoren in een stand
gezet waarbij de lichtbundel maxi-
maal naar beneden is gericht
– storing in regeleenheid: afhanke-
lijk van het type storing, kan bij een
storing het systeem in de huidige
stand blijven of zich in de stand zet-
ten waarbij de lichtbundel maximaal
naar beneden is gericht
– vermindering van de spanning:
als de spanning onder 9 volt zakt,
blijft het systeem in de stand staan
waarin het stond op het moment van
de storing.
KOPLAMPEN AFSTELLEN
VOOR VERKEER
LINKS/RECHTS
De koplampen van de auto zijn
voorzien van bi-xenonlampen met
een hoge lichtopbrengst, waardoor,
als u van een land waar rechts wordt
gereden naar een land gaat waar
links wordt gereden of omgekeerd,
de afstelling van de dimlichten moet
worden veranderd.
Deze procedure is noodzakelijk om
verblinding van de tegenliggers te
voorkomen en voor een optimale
verlichting van de zijkant van de
weg.
Wendt u voor het afstel-
len tot de Lancia-dealer.
Als u terugkeert naar het
land van origine, vergeet
dan niet de dimlichten
opnieuw te laten afstellen.

240
EOBD-systeem
(benzine-uitvoeringen)
Het op de auto gemonteerde
EOBD-systeem (European On Board
Diagnosis) is conform de
2001/1/EU-richtlijnen niveau B
(EURO 3 + D4) voor motoruitvoe-
ring 2.4 en de 2001/1/EU-richtlij-
nen niveau B (EURO 4) voor de
motoruitvoeringen 2.0 TB en 3.0V6
AUT.
Met dit systeem kan een doorlopen-
de diagnose worden uitgevoerd van
die componenten op de auto die van
invloed zijn op de emissie; boven-
dien attendeert het systeem de
bestuurder door het branden van het
lampje Uop het instrumentenpa-
neel met daarbij het bericht
“DEFECT IN MOTORCONTROLE-
SYSTEEM” op de veroudering van
de betreffende componenten.
Het doel hiervan is:
– de werking van het systeem con-
troleren;
– signaleren wanneer door een sto-
ring de emissies boven de wettelijk
vastgestelde drempelwaarde uitko-
men;
– signaleren wanneer het noodza-
kelijk is defecte componenten te ver-
vangen.
Het systeem beschikt verder nog
over een diagnosestekker die, als
deze verbonden is met speciale
apparatuur, het mogelijk maakt, de
door de regeleenheid opgeslagen sto-
ringscodes en de specifieke parame-
ters voor de diagnose en werking van
de motor, te lezen. Deze controle kan
ook worden uitgevoerd door de ver-
keerspolitie.
Als u de contactsleutel in
stand MAR draait en het
lampje Uop het instru-
mentenpaneel gaat niet branden
of het gaat branden of knipperen
tijdens het rijden met daarbij het
bericht “DEFECT IN MOTORRE-
GELSYSTEEM”, wendt u dan zo
snel mogelijk tot de Lancia-
dealer. De werking van het lamp-
je Ukan met speciale appara-
tuur door de verkeerspolitie
gecontroleerd worden. Houdt u
aan de wetgeving van het land
waarin u rijdt.
BELANGRIJK Na het verhelpen
van de storing moet de Lancia-
dealer voor een complete controle
van het systeem, tests uitvoeren op
een testbank en, zonodig, een proefrit
maken die eventueel een langere af-
stand kan omvatten.

241
ABS
ALGEMENE INFORMATIE
Het ABS (Antilock-Blocking Sys-
tem) voorkomt dat tijdens het rem-
men de wielen blokkeren, ongeacht de
conditie van het wegdek en de pe-
daaldruk, en verhindert daarmee het
doorslippen van één of meerdere wie-
len. Hierdoor blijft de auto bestuur-
baar en stabiel en wordt de remweg
aanzienlijk verkort.
Tijdens het remmen kan het name-
lijk voorkomen dat één van de wielen
blokkeert. Dit kan veroorzaakt wor-
den door een verschil in grip (door
water, ijzel, sneeuw, enz.) of door het
dynamische gedrag van de auto. In dit
geval wordt noch een goede decelera-
tie, noch het handhaven van de rij-
richting, noch de mogelijkheid tot stu-
ren, gegarandeerd. In dat geval grijpt
het ABS in door de hydraulische druk
alleen bij de remtang van het geblok-
keerde wiel weg te nemen en, zodra
het wiel weer begint te draaien, het
opnieuw af te remmen. Hierdoor
wordt een goede werking van het
remsysteem gegarandeerd en blijft de
auto goed bestuurbaar.
ELEKTRONISCHE
REMDRUKVERDELING EBD
De auto is uitgerust met een elektro-
nische remdrukverdeling EBD (Elec-
tronic Brakeforce Distribution). Het
systeem zorgt door middel van de re-
geleenheid en de sensoren van het
ABS voor een optimale verdeling van
de remdruk tussen de voor- en ach-
terwielen. Hierdoor wordt voorkomen
dat, in de ernstigste gevallen, de auto
gaat slippen.
WERKING ABS
De centrale regeleenheid ontvangt en
verwerkt de informatie van het rem-
pedaal en van de 4 sensoren die bij de
wielen zijn geplaatst en geeft de elek-
tro-hydraulische unit de opdracht de
remdruk op de remcilinders te ver-
minderen, constant te houden of te
verhogen. Zo wordt het blokkeren van
de wielen voorkomen.
De belangrijkste componenten van
het ABS zijn:
- een elektronische regeleenheid die
de signalen van de sensoren verwerkt
en de best mogelijke regeling uitvoert
door de inspuitventielen te bedienen
Een storing in het ABS
wordt bij draaiende motor
aangegeven door het gaan
branden van het waarschuwings-
lampje >op het multifunctionele
display met daarbij het bericht
“DEFECT IN ABS”: In dat geval
werkt het conventionele remsys-
teem op de normale manier, ter-
wijl geen gebruik wordt gemaakt
van het antiblokkeersysteem. On-
der deze omstandigheden kan ook
de werking van het EBD-systeem
verminderen. Rijd zeer voorzich-
tig naar de dichtstbijzijnde Lan-
cia-dealer om het systeem te laten
controleren.
- vier sensoren die de draaisnelheid
van elk wiel meten
- een pomp om de druk van de rem-
vloeistof te herstellen.
BELANGRIJK Tijdens het remmen
kunnen lichte trillingen in het rempe-
daal worden gevoeld. Dit betekent dat
het ABS in werking is getreden.

242
De auto is uitgerust met
een elektronische rem-
drukverdeling (EBD). Als
bij een draaiende motor de waar-
schuwingslampjes xen >gelijk-
tijdig gaan branden op het multi-
functionele display met en het be-
richt “DEFECT IN EBD” ver-
schijnt, dan is er een storing in het
EBD-systeem. In dat geval kunnen
bij hard remmen de achterwielen
vroegtijdig blokkeren waardoor de
auto kan gaan slippen. Rijd zeer
voorzichtig naar de dichtstbij-
zijnde Lancia-dealer om het sys-
teem te laten controleren.
Als bij een draaiende mo-
tor alleen het waarschu-
wingslampje xvoor te
laag remvloeistofniveau gaat bran-
den met daarbij het bericht “TE
LAAG REMVLOEISTOFPEIL”,
stop dan onmiddellijk en raad-
pleeg een Lancia-dealer. Als er
vloeistof lekt uit het hydraulische
systeem, wordt de werking van zo-
wel het conventionele remsysteem
als het ABS in gevaar gebracht.
De prestaties van het sys-
teem vergroten in principe
de actieve veiligheid, maar
mogen de bestuurder er niet toe
verleiden onnodige en onverant-
woorde risico’s te nemen. De
rijstijl moet altijd zijn aangepast
aan het wegdek, het zicht en het
verkeer.
Als u te sterk op de motor
afremt (lage versnellingen
bij weinig grip) kunnen, de
aangedreven wielen doorslippen.
Het ABS werkt niet bij deze vorm
van slippen.
De maximale remvertra-
ging blijft uiteraard altijd
afhankelijk van de grip
van de banden op het wegdek. Bij
sneeuw of ijs is de grip vanzelf-
sprekend veel minder, waardoor
de remweg, ook met ABS, aanzien-
lijk langer zal zijn.

243
AUTORADIO
De auto is uitgerust met een com-
pleet audiosysteem. Het systeem be-
staat uit:
– een RDS-TMC radio geïntegreerd
in het CONNECT-systeem
– een CD-speler voor audio- CD’s en
navigatie-CD-ROM’s A(fig. 206) op
het dashboard
– een audio-cassettespeler Bop het
dashboard
– een CD-wisselaar C(fig. 207) in
het dashboardkastje (indien aanwezig)
– een BOSE hifi-audiosysteem (in-
dien aanwezig).
De instructies voor het gebruik van
de radio, CD-speler en CD-wisselaar
zijn beschreven in het supplement van
het CONNECT dat bij de auto gele-
verd wordt.
LUIDSPREKERS
Luidsprekers voor (fig. 208)
De luidsprekers Abevinden zich in
de voorportieren.
fig. 206
L0A0210b
fig. 207
L0A0217b
fig. 208
L0A0215b

244
fig. 211
L0A286b
Luidsprekers achter (fig. 209)
De luidsprekers Bbevinden zich in
de achterportieren.
Luidsprekers op de hoedenplank
(fig. 210)
De auto is ook voorzien van
luidsprekers Caan beide uiteinden
van de hoedenplank.
BOSE HIFI-AUDIOSYSTEEM
Het hifi-audiosysteem bestaat uit:
– twee woofer luidsprekers (diame-
ter 168 mm) met hoog uitgangsver-
mogen, gemonteerd in de voorportie-
ren
– twee coaxiaal geplaatste tweeter
luidsprekers (diameter 50 mm) inge-
bouwd in de woofer luidsprekers op
de voorportieren
– twee midrange luidsprekers (dia-
meter 160 mm) met hoog uitgangs-
vermogen en breed bereik, gemon-
teerd in de achterportieren
– twee subwoofer luidsprekers (dia-
meter 230 mm) met hoog uitgangs-
vermogen, ingebouwd in de hoeden-
plank
fig. 209
L0A213b
fig. 210
L0A211b

245
– luidspreker A(fig. 211) aan de
bovenzijde in het midden van het
dashboard
– een hifi-versterker met hoog uit-
gangsvermogen met 5 kanalen, 4 van
25 W en 1 van 100 W, in klasse D
met analoge fase-/amplitude-equali-
zer in het vak rechts in de bagage-
ruimte A(fig. 212).
Totaal muziekvermogen 300 W.
Het hifi-systeem is speciaal voor de
THESIS ontwikkeld om de beste
akoestische prestaties te leveren en
een muziekconcert zo levensecht mo-
gelijk te laten klinken op iedere plaats
in het interieur.
Een van de belangrijkste kenmerken
van het systeem is de kristalheldere
weergave van de hoge tonen en de
volle en rijke bassen. Bovendien wor-
den de klanken in het gehele interieur
weergegeven, waardoor de inzittenden
het gevoel van ruimtelijkheid krijgen
zoals bij het beluisteren van levende
muziek.
De componenten van het systeem
zijn onder licentie gefabriceerd en
ontwikkeld met de meest geavan-
ceerde technologie. De bediening van
de autoradio is echter eenvoudig zo-
dat ook minder ervaren mensen het
systeem op de beste manier kunnen
gebruiken.
fig. 212
L0A209b

246
MOTOR
STARTEN
BELANGRIJK De auto is uitgerust
met een elektronische startblokke-
ring. Zie bij startproblemen “Lancia
CODE”.
Het is raadzaam om
gedurende de eerste
gebruiksperiode geen
maximale prestaties van uw auto
te verlangen (bijv. krachtig acce-
lereren, langdurig rijden met
hoge toerentallen en bruusk rem-
men).
Het is zeer gevaarlijk om
de motor in een afgesloten
ruimte te laten draaien.
De motor verbruikt zuurstof en
produceert koolmonoxide dat
zeer giftig is en dodelijk kan zijn.
Het contactslot is voorzien van een
herstartbeveiliging. Als de motor bij
de eerste poging niet aanslaat, moet
u de sleutel terugdraaien in stand
STOP en nogmaals starten.
Het start-/contactslot is voorzien
van een beveiligingsmechanisme,
waardoor het slot niet van stand
MAR in AVV kan worden gezet bij
een draaiende motor.
Laat de contactsleutel
niet in stand MAR staan
als de motor stilstaat,
zodat de accu niet onnodig wordt
ontladen.
GEBRUIK VAN DE AUTO EN PRAKTISCHE TIPS

247
BENZINEMOTOR STARTEN
BELANGRIJK Het gaspedaal mag
pas worden ingetrapt nadat de
motor is gestart.
1) Zorg ervoor dat de automatische
handrem is ingeschakeld (lampje x
op het instrumentenpaneel brandt).
2) Controleer of elektrische syste-
men en verbruikers zijn uitgescha-
keld. Let vooral op systemen die veel
vermogen vragen (bijv. de achter-
ruitverwarming).
3) Zet bij uitvoeringen met hand-
geschakelde versnellingsbak de ver-
snellingspook in de vrijstand en trap
het koppelingspedaal geheel in, om
te voorkomen dat de startmotor de
versnellingsbak moet aandrijven.
4) Controleer bij uitvoeringen met
automatische versnellingsbak of de
versnellingspook in stand Pstaat en
houd het rempedaal ingetrapt.
5) Draai de contactsleutel in stand
AVV en laat de sleutel los zodra de
motor aanslaat.
6) Als de motor niet aanslaat, moet
u de sleutel terugdraaien in stand
STOP en nogmaals starten.
BELANGRIJK Als de startpoging
moeizaam verloopt, blijf dan niet
langdurig proberen de motor te star-
ten. Hierdoor zou de katalysator
kunnen beschadigen. Wendt u in dat
geval tot de Lancia-dealer.
MOTOR STARTEN BIJ JTD-UIT-
VOERINGEN
1) Zorg ervoor dat de automatische
handrem is ingeschakeld (lampje x
op het instrumentenpaneel brandt).
2) Zet de versnellingspook in de
vrijstand.
3) Draai de contactsleutel in stand
MAR.
4) Wacht tot het lampje m
gedoofd is. Hoe warmer de motor,
hoe sneller het lampje dooft. Bij een
warme motor kan het lampje zo snel
doven dat dit niet wordt opgemerkt.
5) Trap het koppelingspedaal
geheel in.
6) Draai de contactsleutel in stand
AVV onmiddellijk nadat het lampje
mgedoofd is. Als u te lang wacht,
zijn de voorgloeibougies weer afge-
koeld.

248
BELANGRIJK De elektrische
installaties die veel stroom verbrui-
ken (airconditioning, achterruitver-
warming, enz.) schakelen tijdens het
starten tijdelijk uit.
Als de motor bij de eerste poging
niet aanslaat, moet u de sleutel
terugdraaien in stand STOP en nog-
maals starten.
Als de startpoging moeizaam ver-
loopt (bij een goed werkende Lancia
CODE), probeer dan niet langdurig
de motor te starten.
Gebruik alleen een hulpaccu als de
oorzaak een onvoldoende geladen
boordaccu is. Gebruik nooit een
acculader voor het starten van de
motor.
MOTOR OPWARMEN
– Rijd rustig weg, laat de motor
niet met hoge toerentallen draaien
en trap het gaspedaal niet bruusk in.
– Verlang de eerste kilometers geen
maximale prestaties, maar wacht tot
de koelvloeistof een temperatuur
van 50-60 °C heeft bereikt.
MOTOR UITZETTEN
– Laat het gaspedaal los en wacht
tot de motor met stationair toerental
draait.
– Draai de contactsleutel in stand
STOP en zet de motor uit. Bij uit-
voeringen met automatische versnel-
lingsbak moet, voordat de motor
wordt uitgezet, eerst de versnellings -
pook in stand Pworden geplaatst.
BELANGRIJK Het is beter om de
motor na een zware rit even “op
adem” te laten komen. Zet de motor
niet onmiddellijk uit, maar laat hem
even stationair draaien. Hierdoor
kan de temperatuur in de motor-
ruimte dalen.

249
Houd er rekening mee
dat de rem- en de stuur-
bekrachtiging niet wer-
ken zolang de motor niet is aan-
geslagen, waardoor meer kracht
nodig is voor de bediening van
het rempedaal en het stuur.
Het is raadzaam, vooral
bij auto’s met turbocom-
pressor, niet krachtig te
accelereren voordat u de motor
uitzet. Gasgeven voordat u de
motor uitzet heeft geen enkel nut,
verspilt brandstof en kan de
lagers van de turbocompressor
ernstig beschadigen.
Voordat u het kofferdek-
sel opent om de accu op te
laden of een hulpaccu
aan te sluiten, moet u de instruc-
ties in de paragraaf “Accu los-
koppelen” in het hoofdstuk
“Noodgevallen” aandachtig lezen
en opvolgen.
NOODSTART
Als de regeleenheid van de Lancia
CODE de via de contactsleutel
gezonden code niet herkent (sym-
bool Yop het multifunctionele dis-
play brandt met daarbij het bericht
“DEFECT IN BEVEILIGING “),
kan een noodstart worden uitge-
voerd met de code die op de CODE-
card vermeld staat.
Zie voor de juiste procedure het
hoofdstuk “Noodgevallen”.
Probeer auto’s nooit te
starten door ze aan te
duwen, te slepen of van
een helling te laten rijden. Op die
wijze kan er onverbrande benzi-
ne in de katalysator terechtko-
men, waardoor deze onherstel-
baar zal beschadigen.
BELANGRIJK Als de motor even-
tueel wordt uitgezet als de auto in
beweging is, gaat als de motor weer
wordt gestart, op het multifunctio-
nele display het symbool Lancia
CODE Ybranden met daarbij het
bericht “DEFECT IN BEVEILI-
GING”. Controleer in dat geval, als
bij stilstaande auto de motor wordt
uitgezet en vervolgens weer wordt
gestart, of het lampje dooft. Is dit
niet het geval, wendt u dan tot de
Lancia-dealer.

250
Laat kinderen nooit
alleen achter in de auto.
Neem de contactsleutel
altijd uit het contactslot als u de
auto verlaat en houdt de sleutel
bij u.
Als de auto is uitgerust
met het Keyless System en
de CID wordt in de auto
gelaten, kan de motor worden
gestart: let hier goed op omdat
anders eventueel in de auto ach-
tergelaten kinderen of kwaadwil-
lenden de motor kunnen starten.
PARKEREN
Voer voor het parkeren van de auto
de volgende handelingen uit:
– Zet de motor uit.
– Controleer of de automatische
handrem is ingeschakeld.
– Schakel de eerste versnelling in
als de auto op een helling omhoog
staat en de achteruit bij een helling
omlaag (gezien vanuit de rijrich-
ting).
– Zet bij uitvoeringen met automa-
tische versnellingsbak de versnel-
lingspook in stand P.
– Zet de voorwielen in een zodani-
ge stand dat de auto onmiddellijk
stopt als de handrem per ongeluk
wordt uitgeschakeld.
Laat de contactsleutel
nooit in stand MAR staan
omdat hierdoor de accu
ontlaadt.
VEILIG RIJDEN
Tijdens het ontwerpen van de
THESIS heeft LANCIA veel aan-
dacht besteed aan de optimale vei-
ligheid voor de inzittenden.
Desalniettemin blijft het gedrag van
de bestuurder van doorslaggevende
betekenis voor de veiligheid op de
weg.
Hierna vindt u enkele eenvoudige
tips en aanbevelingen om onder
diverse omstandigheden veilig te rij-
den Hoewel u de meeste natuurlijk
al kent, is het toch de moeite waard
ze aandachtig te lezen.

251
VOOR U WEGRIJDT
– Controleer of de verlichting goed
werkt.
– Zet de stoel, het stuur en de ach-
teruitkijkspiegels in de juiste stand.
– Zet de hoofdsteunen zo, dat ze
het hoofd steunen en niet de nek.
Controleer of de slag van de pedalen
niet beperkt wordt (door matten,
enz.).
– Controleer of eventuele kinderzit-
jes (stoeltjes, wiegjes, enz.) goed
bevestigd zijn op de zitplaatsen ach-
ter.
– Stuw eventuele bagage zorgvul-
dig in de bagageruimte om te voor-
komen dat bij bruusk remmen voor-
werpen door het interieur schieten.
– Gebruik geen zware maaltijden
voor een reis. Een lichte maaltijd
draagt ertoe bij goede reflexen te
behouden. Vermijd vooral het
gebruik van alcohol.
Controleer regelmatig:
– bandenspanning en conditie van
de banden;
– niveau van de motorolie;
– niveau van de koelvloeistof en de
conditie van het koelsysteem;
– niveau van de remvloeistof;
– niveau van de olie van de stuur-
bekrachtiging;
– niveau van de ruitensproeier-
vloeistof.
TIJDENS DE RIT
– De eerste regel van veilig rijden is
voorzichtigheid.
– Voorzichtigheid houdt ook in, dat
u alert bent op fouten en onvoor-
zichtigheden van anderen.
– Houdt u altijd strikt aan de gel-
dende verkeersregels van elk land
waarin u rijdt en houdt u vooral aan
de maximum snelheden.
– Controleer ook altijd of naast
uzelf ook alle overige inzittenden de
veiligheidsgordel dragen en dat de
kinderen in passende zitjes worden
vervoerd. Dieren dienen bij voorkeur
in een van het interieur afgescheiden
gedeelte te worden vervoerd.
– Lange reizen moeten in optimale
conditie worden gestart.

252
Let op de dikte van
eventuele extra vloermat-
ten: zelfs een gering defect
in het remsysteem kan tot gevolg
hebben, dat het rempedaal die-
per dan normaal moet worden
ingetrapt.
Water, ijs en strooizout
op de wegen kunnen zich
afzetten op de remschij-
ven waardoor de gewenste rem-
vertraging iets later wordt
bereikt.
Rijden onder invloed
van alcohol, verdovende
middelen, of bepaalde
medicijnen is zeer gevaarlijk
voor uzelf en voor anderen.
Draag altijd veiligheids-
gordels, zowel voorin als
achterin en zorg ervoor
dat kinderen in passende zitjes
worden vervoerd. Zonder gordels
rijden vergroot het risico op ern-
stig letsel of dodelijke afloop bij
een ongeval.
Let op bij de montage
van spoilers, lichtmetalen
velgen en niet standaard
wieldoppen: ze kunnen de venti-
latie van de remmen verminderen
en daarmee hun doelmatigheid
tijdens krachtig en veelvuldig
remmen; bijvoorbeeld tijdens een
steile afdaling.
Rijd niet met voorwer-
pen op de vloer voor de
bestuurdersstoel: tijdens
het remmen kunnen deze tussen
de pedalen komen waardoor het
onmogelijk is te accelereren of te
remmen

254
IN DE MIST RIJDEN
Vermijd, indien mogelijk, het rij-
den in dichte mist. Tips bij nevel,
mist of kans op mistbanken:
– Beperk uw snelheid.
– Ontsteek, ook overdag, het dim-
licht, de mistachterlichten en de
eventuele mistlampen voor. Gebruik
niet het grootlicht.
BELANGRIJK Doof bij stukken
met goed zicht de mistachterlichten
om de weggebruikers achter u niet te
hinderen.
– Denk eraan dat mist de wegen
ook nat maakt, waardoor manoeu-
vres moeilijker uit te voeren zijn en
de remweg langer is.
– Houd ruim afstand van de auto’s
voor u.
– Voorkom zoveel mogelijk abrup-
te snelheidswisselingen.
– Vermijd zoveel mogelijk het
inhalen van andere voertuigen.
– Als u plotseling moet stoppen (bij
een defect, door sterke vermindering
van het zicht, enz.), tracht dan toch
buiten de rijstrook te stoppen. Zet
vervolgens de waarschuwingsknip-
perlichten aan en, zo mogelijk, de
dimlichten. Druk in een rustig ritme
op de claxon als u een andere auto
denkt te zien.
IN DE BERGEN RIJDEN
– Rem zoveel mogelijk op de motor
af en rijd in een lage versnelling
bergafwaarts. Daarmee voorkomt u
dat de remmen oververhit raken.
– Rijd nooit naar beneden met
afgezette motor of met de versnel-
lingspook in de vrijstand, en abso-
luut nooit met uitgenomen contact-
sleutel.
– Rijd met een matige snelheid, en
vermijd het “afsnijden” van boch-
ten.
– Denk eraan dat bergopwaarts
inhalen veel langzamer gaat en dat
de weg daarom langer vrij moet zijn.
Als u wordt ingehaald terwijl u berg-
opwaarts rijdt, geef de passerende
auto dan de ruimte.

255
MET SNEEUW EN IJS
RIJDEN
– Enkele tips voor het rijden met
sneeuw en ijs:
– Rijd met zeer matige snelheid.
– Monteer op besneeuwde wegen
winterbanden of sneeuwkettingen;
zie de betreffende paragrafen in dit
hoofdstuk.
– Rem bij voorkeur op de motor af
en vermijd bruusk remmen.
– Vermijd snel optrekken en plot-
seling van richting veranderen.
– In de winter kan op schijnbaar
droge wegen toch ijs liggen. Let
daarom vooral goed op de delen van
de weg die door de aanwezigheid
van bomen of rotsen weinig zon krij-
gen, waardoor ijs kan blijven liggen.
– Houd ruim afstand van de auto’s
voor u.
MET ABS RIJDEN
Het ABS is een voorziening op het
remsysteem dat twee belangrijke
voordelen biedt:
1) Het voorkomt het blokkeren en
daarmee het slippen van de wielen
bij een noodstop en in omstandighe-
den waarbij de grip op het wegdek
beperkt is.
2) Het houdt de auto tijdens het
remmen bestuurbaar. Hierdoor kunt
u tijdens het remmen obstakels ont-
wijken of van richting veranderen,
mits de grip van de banden dit toe-
laat.
Het beste gebruik van ABS:
– Bij een noodstop of bij vermin-
derde grip voelt u een lichte trilling
in het rempedaal: dit is het signaal
dat het ABS werkt. Laat het pedaal
niet los, maar blijf het ingetrapt
houden zodat het remsysteem conti-
nu werkt.
– Het ABS voorkomt het blokkeren
van de wielen, maar verhoogt de
grip van de banden op het wegdek
niet. Houd daarom ook met auto’s
met ABS een veilige afstand van de
auto’s die voor u rijden en beperk de
snelheid voor u een bocht inrijdt.
Het ABS dient om de bestuurbaar-
heid van de auto te verbeteren, en
niet om harder te rijden.

256
KOSTENBESPARING EN BEPERKING VAN DE
UITSTOOT VAN SCHADELIJKE UITLAATGASSEN
Hierna volgen enkele nuttige tips,
waardoor de kosten van de auto zo
laag mogelijk blijven en de uitstoot
van schadelijke uitlaatgassen zoveel
mogelijk beperkt wordt.
ALGEMENE OPMERKINGEN
ONDERHOUD VAN DE AUTO
Doelmatig onderhoud is een beslis-
sende factor voor een lange levens-
duur, de beste prestaties en een zo
zuinig mogelijk gebruik van de auto.
Laat daarom tijdig de in het onder-
houdsschema aangegeven werk-
zaamheden uitvoeren (zie bougies,
lucht-/brandstoffilter, klepspeling,
enz.).
Banden
Controleer regelmatig, ten minste
een keer per maand, de spanning
van de banden. Als de spanning te
laag is, wordt de weerstand groter en
neemt het verbruik toe. Bovendien
slijten hierdoor de banden sneller en
verslechtert de wegligging van de
auto, waardoor de veiligheid in
gevaar kan worden gebracht.
Overbodige bagage
Rijd niet met een te zwaar beladen
bagageruimte. Het gewicht van de
auto (vooral in stadsverkeer) en de
wieluitlijning hebben grote invloed
op het brandstofverbruik en de sta-
biliteit.
Imperiaal/skidrager
Verwijder de imperiaal of skidra-
ger als u deze niet meer gebruikt. Ze
verminderen de aërodynamica van
de auto, waardoor het brandstofver-
bruik toeneemt. Gebruik voor het
vervoer van volumineuze voorwer-
pen bij voorkeur een aanhanger.
Stroomverbruikers
Gebruik de elektrische installaties
alleen als u ze nodig hebt. De ach-
terruitverwarming, de verstralers, de
ruitenwissers en de aanjager van het
ventilatie-/verwarmingssysteem vra-
gen veel stroom, waardoor het
brandstofverbruik toeneemt (tot aan
25% in stadsverkeer).
Airconditioning
De airconditioning gebruikt zeer
veel energie, waardoor de motor
zwaar wordt belast en het brandstof-
verbruik sterk toeneemt (met
gemiddeld 20%). Gebruik wanneer
de buitentemperatuur het toelaat bij
voorkeur de functies van het ventila-
tiesysteem.

257
Keuze van de versnellingen
Gebruik als het verkeer en de weg
het toelaten de hoogste versnelling.
Het inschakelen van een lage ver-
snelling voor een snelle acceleratie
verhoogt het brandstofverbruik. Op
dezelfde wijze neemt bij het oneigen-
lijke gebruik van een hoge versnel-
ling, het verbruik en de schadelijke
uitlaatgasemissie toe. Bovendien slijt
de motor hierdoor sneller.
Maximum snelheid
Het brandstofverbruik neemt aan-
zienlijk toe bij een hogere snelheid:
als de snelheid wordt verhoogd van
90 naar 120 km/h, neemt het
brandstofverbruik met ongeveer
30% toe. Rijd daarom zoveel moge-
lijk met een gelijkmatige snelheid,
vermijd overbodig remmen en
optrekken. Dit kost brandstof en
verhoogt de uitstoot van schadelijke
uitlaatgassen. Wij raden u daarom
aan om rustig te rijden en een veili-
ge afstand te bewaren van de auto’s
die voor u rijden, waardoor u tijdig
kunt reageren op gevaarlijke situ-
aties.
Acceleratie
Met vol gas optrekken waarbij de
motor met hoge toerentallen draait,
kost veel brandstof en verhoogt de
uitstoot van schadelijke uitlaatgas-
sen. Het is beter geleidelijk op te
trekken en geen maximale toerental-
len te gebruiken.
GEBRUIKSOMSTANDIGHEDEN
Koude start
Bij korte ritten en regelmatig koud
starten bereikt de motor niet de opti-
male bedrijfstemperatuur. Hierdoor
neemt niet alleen het brandstofver-
bruik toe (van 15 tot aan 30% in
stadsverkeer) maar ook de uitstoot
van schadelijke uitlaatgassen.
Aërodynamische accessoires
Het gebruik van niet goedgekeurde
aërodynamische accessoires kan de
aërodynamica negatief beïnvloeden,
waardoor het brandstofverbruik zal
toenemen.
RIJSTIJL
Het starten
Laat de motor als de auto stilstaat,
niet warmdraaien met stationair toe-
rental en ook niet met een verhoogd
toerental: onder deze omstandighe-
den warmt de motor veel langzamer
op, terwijl het verbruik en de
schadelijke uitlaatgasemissie toene-
men. Het is beter om rustig weg te
rijden en geen hoge toerentallen te
gebruiken. Op deze manier warmt
de motor sneller op.
Overbodige handelingen
Trap het gaspedaal niet in als u
stilstaat voor een stoplicht of voor-
dat u de motor afzet. Deze handeling
heeft evenals het overschakelen met
tussengas geen enkel nut. Het kost
brandstof en verhoogt de uitstoot
van schadelijke uitlaatgassen.

258
Verkeerssituatie en conditie van
het wegdek
Op een drukke weg bijvoorbeeld bij
filerijden, waarbij overwegend lage
versnellingen worden gebruikt, of in
de stad waar zich veel verkeerslich-
ten bevinden, zal het brandstofver-
bruik aanzienlijk hoger zijn.
Bochtige trajecten, bergwegen en
een slecht wegdek verhogen even-
eens het brandstofverbruik.
Stilstaan in het verkeer
Als u langere tijd stilstaat (spoor-
wegovergangen), is het raadzaam de
motor uit te zetten.
De bescherming van het milieu is
een van de uitgangspunten geweest
bij de ontwikkeling van de THESIS.
Het is niet voor niets dat resultaten
van zijn emissiereductiesystemen
boven de geldende normen liggen.
Het milieu heeft recht op maxima-
le aandacht van iedereen.
De automobilist kan door enkele
simpele aanwijzingen op te volgen,
voorkomen dat hij/zij onnodig scha-
de aan het milieu toebrengt. Vaak
wordt door die aanwijzingen ook het
brandstofverbruik beperkt. Over dit
onderwerp vindt u hierna diverse
nuttige tips, die een geheel vormen
met de tips met het symbool #, die u
in de diverse hoofdstukken van dit
boekje kunt vinden.
We vragen uw aandacht voor al
deze tips.
ECONOMISCH
EN MILIEUBEWUST RIJDEN
Voorzorgsmaatregelen voor het
behoud van de emissiereductie-
systemen
De correcte werking van deze sys-
temen is niet alleen belangrijk voor
het milieu, maar ook voor het rende-
ment van de auto. Het in goede con-
ditie houden van de systemen is de
belangrijkste voorwaarde voor
milieubewust en economisch rijden.
De eerste eis is dat u zich te allen
tijde houdt aan het “geprogram-
meerd onderhoudsschema”. Gebruik
voor de benzinemotoren uitsluitend
loodvrije benzine (95 RON).
Gebruik voor de JTD-motoren uit-
sluitend speciale dieselbrandstof
(EN590-specificatie).

259
Het negeren van deze
aanwijzingen kan brand-
gevaar opleveren.
Onder normale bedrijfs -
omstandigheden bereikt
de katalysator hoge tem-
peraturen. Parkeer daarom niet
boven brandbare materialen
(gras, droge bladeren, dennen-
naalden, enz.): brandgevaar.
Spuit geen reinigings- of
beschermingsmiddelen
op de katalysator, de
lambdasondes en het uitlaatsys-
teem.
Monteer geen andere
hitteschilden en verwij-
der de op de katalysator
en uitlaat gemonteerde schilden
niet.
Laat de motor nooit, ook niet tij-
dens testwerkzaamheden, met losge-
nomen bougiekabels draaien. Laat
de motor voor vertrek niet warm-
draaien met stationair toerental,
behalve als de buitentemperaturen
zeer laag zijn. Maar ook in dit laat-
ste geval moet u de motor niet langer
dan 30 seconden laten warmdraai-
en.
Als het starten problemen oplevert,
blijf dan niet proberen. Vermijd
aanduwen, aanslepen of rollend
starten: al deze handelingen kunnen
de katalysator beschadigen. Maak
bij een noodstart uitsluitend gebruik
van een hulpaccu.
Als de motor tijdens het rijden
“slecht loopt”, rijd dan zeer rustig
zodat de motor zo min mogelijk
wordt belast en wendt u zo snel
mogelijk tot een Lancia-dealer.
Als het waarschuwingslampje van
de brandstofreserve brandt, tank
dan zo snel mogelijk. Een laag
brandstofniveau kan een onregelma-
tige brandstoftoevoer veroorzaken,
waardoor de temperatuur van de
uitlaatgassen stijgt; hierdoor kan de
katalysator ernstig beschadigen.

260
TREKKEN VAN
AANHANGERS
BELANGRIJKE TIPS
Voor het trekken van aanhangwa-
gens of caravans moet de auto uitge-
rust zijn met een trekhaak van een
goedgekeurd type en een adequate
elektrische installatie. De montage
van de trekhaak moet door gespecia-
liseerd personeel worden uitgevoerd.
Ook moet documentatie worden
overhandigd m.b.t. het rijden met
een aanhanger.
Monteer speciale en/of extra ach-
teruitkijkspiegels, waarmee u vol-
doet aan de geldende verkeerswetge-
ving.
Let er op dat het maximum klim-
vermogen van de auto door het
gewicht van een aanhanger of cara-
van wordt beperkt. Ook de remweg
wordt langer en u hebt langer de tijd
nodig om in te halen.
Schakel een lage versnelling in tij-
dens het afdalen om te voorkomen
dat u constant moet remmen.
Het gewicht van de aanhanger dat
op de trekhaak rust, moet worden
afgetrokken van het laadvermogen
van de auto. Om er zeker van te zijn
dat u het maximum toelaatbaar aan-
hangergewicht niet overschrijdt
(aangegeven op de typegoedkeu-
ring), moet u er rekening mee hou-
den dat het maximum betrekking
heeft op het totale gewicht van de
aanhangwagen of caravan, inclusief
accessoires en bagage.
Houdt u aan de snelheidsbeperkin-
gen die voor auto’s met aanhanger
gelden. U mag in geen geval harder
rijden dan 100 km/h.
Voor de elektrische verbinding van
de trekhaak moet de contactsleutel
in stand STOP staan of zijn uitge-
nomen.
Als de trekhaak is aangesloten en u
de mistachterlichten inschakelt,
worden alleen de mistachterlichten
van de aanhanger ingeschakeld.
Het ABS werkt niet op
het remsysteem van de
aanhanger. Wees daarom
extra voorzichtig op gladde
wegen.
Voer in geen geval modi-
ficaties aan het remsys-
teem van de auto uit. Het
remsysteem van de aanhanger
moet geheel onafhankelijk van
het hydraulisch remsysteem van
de auto worden bediend.
De werking van de par-
keersensoren achter wordt
automatisch uitgescha-
keld als de stekker van de aan-
hanger wordt aangesloten op de
trekhaak in de auto. De sensoren
achter worden automatisch weer
ingeschakeld als u de stekker
losmaakt van de trekhaak.

261
TREKHAAK MONTEREN
De trekhaak moet door gespeciali-
seerd personeel aan de carrosserie
worden bevestigd waarbij de richtlij-
nen die hierna zijn opgenomen,
moeten worden aangehouden. Deze
richtlijnen worden eventueel aange-
vuld door extra informatie van de
fabrikant van de trekhaak.
De te installeren trekhaak moet
voldoen aan de huidige EU-normen
94/20 en daarop volgende wijzigin-
gen.
Voor iedere uitvoering moet een
trekhaak worden gebruikt die
geschikt is voor het maximale aan-
hangergewicht van de auto waarop
de trekhaak wordt bevestigd.
Voor de elektrische aansluiting
moet een gestandaardiseerde stekker
worden gebruikt die kan worden
bevestigd op de daarvoor bestemde
steun op de trekhaak. Bovendien
moet op de auto een regeleenheid
voor de buitenverlichting van de
aanhanger worden geïnstalleerd.
Voor de elektrische aansluiting
moet een 7- polige 12VDC stekker-
verbinding (CUNA/UNI- en
ISO/DIN-normen) worden gebruikt,
waarbij eventuele aanwijzingen van
de fabrikant van de auto en/of van
fabrikant van de trekhaak moeten
worden opgevolgd.
De eventueel aanwezige elektrisch
geregelde rem (lier, enz) moet recht-
streeks op de accu worden aangeslo-
ten met een kabel met een diameter
van minimaal 2,5 mm2.
BELANGRIJK De elektrisch gere-
gelde rem of lier kan alleen gebruikt
worden als de motor draait.
Naast de op het schema aangege-
ven aansluitingen, is slechts een aan-
sluiting voor een eventuele elektrisch
geregelde rem toegestaan en één
voor een 15W-gloeilamp voor de
binnenverlichting van de caravan.
Gebruik voor de elektrische verbin-
dingen de aparte module met een
kabel vanaf de accu met een diame-
ter van ten minste 2,5 mm 2.
MONTAGESCHEMA (fig. 1)
De trekhaak moet op de punten
aangegeven met ( 1) bevestigd wor-
den met 18 M10-bouten en op de
punten aangegeven met ( 2) met 4
M8-bouten.
De trekhaak moet op de carrosserie
gemonteerd worden zonder gaten in
of vervormingen van de achterbum-
per die zichtbaar zijn bij gedemon-
teerde trekhaak.
BELANGRIJK Het is verplicht om
op dezelfde hoogte als de trekkogel
een (goed zichtbaar) plaatje van vol-
doende afmetingen en kwaliteit aan
te brengen met de volgende tekst:
MAX. GEWICHT OP KOPPELING
75 kg
Na de montage van de trekhaak
moeten de boutgaten worden afge-
dicht om te voorkomen dat uitlaatgas-
sen in het interieur kunnen dringen.

262
fig. 1
L0A0264b

263
WINTERBANDEN
Deze banden zijn speciaal ontwor-
pen voor het rijden op sneeuw en ijs
en kunnen worden gemonteerd in
plaats van de standaard geleverde
banden.
Gebruik alleen winterbanden met
goedgekeurde afmetingen die in de
typegoedkeuring vermeld staan.
De Lancia-dealer kan u adviseren
welke band het meest geschikt is
voor het doel waarvoor u hem wilt
gebruiken
Houdt u voor bandenmaat, de ban-
denspanning en de winterbanden
exact aan de aanwijzingen die staan
aangegeven in het hoofdstuk
“Technische gegevens”.
De specifieke eigenschappen van
winterbanden verminderen aanzien-
lijk als de profieldiepte minder is
dan 4 mm. Vervang ze in dat geval.
Door de specifieke eigenschappen
van winterbanden zijn de prestaties
onder niet-winterse omstandigheden
of wanneer er lange afstanden op de
snelweg worden gereden, minder
dan die van de standaard gemon-
teerde banden.
Beperk het gebruik van winterban-
den tot die omstandigheden waar-
voor ze zijn goedgekeurd.
BELANGRIJK Als u winterbanden
gebruikt waarvan de maximum toe-
gestane snelheid lager is dan de top-
snelheid van de auto (met een marge
van 5%), dan dient u in het interieur
van de auto een voor de bestuurder
duidelijk zichtbaar waarschuwings-
plaatje te plaatsen met de maximum
toegestane snelheid wanneer met die
winterbanden wordt gereden (over-
eenkomstig de EU-normen).
Monteer op alle vier de wielen
dezelfde banden (zelfde merk en
profieldiepte) voor meer veiligheid
tijdens het rijden en remmen en voor
een betere bestuurbaarheid.
Keer de draairichting van de ban-
den niet om.
Bij winterbanden met de indicatie
“Q” geldt een maximum snelheid
van 160 km/h; bij winterbanden
met de indicatie “T” geldt een maxi-
mum snelheid van 190 km/h; bij
winterbanden met de indicatie “H”
geldt een maximum snelheid van
210 km/h. Deze maximum snelhe-
den zijn in overeenstemming met de
huidige wetgeving.

264
Op bandenmaat
225/50R17 (94W) en
225/50ZR17 (94W) kun-
nen geen sneeuwkettingen worden
gemonteerd, omdat ze de naafdra-
ger van de voorwielophanging
raken.
Houd bij gemon-
teerde sneeuwket-
tingen een matige
snelheid aan; rijd niet harder dan
50 km/h. Vermijd kuilen, stoep-
randen en andere obstakels en
rijd, om de auto en het wegdek
niet te beschadigen, geen lange
stukken op sneeuwvrije wegen.
Bij gemonteerde
sneeuwkettingen is het
raadzaam het ASR-sys-
teem uit te schakelen. Druk op de
knop ASR-OFF, het lampje op de
knop brandt.
SNEEUWKETTIN-
GEN
Het gebruik van sneeuwkettingen
is afhankelijk van de voorschriften
van het land waar wordt gereden.
De sneeuwkettingen mogen alleen
op de voorwielen gemonteerd wor-
den (aangedreven wielen).
Uitvoering
2.0 TB
2.4 - 2.4 AUT.
2.4 JTD
3.0 V6 AUT.
De banden waarop
sneeuwkettingen gemon-
teerd kunnen worden en
het type sneeuwketting staan
aangegeven in de volgende tabel;
houdt u strikt aan deze tabel.
Voordat u overgaat tot de aankoop
en montage van sneeuwkettingen,
raden wij u aan contact op te nemen
met de Lancia-dealer.
Controleer na enkele meters rijden
of de kettingen nog goed gespannen
zijn.
Banden waarop sneeuw-
kettingen gemonteerd kun-
nen worden
215/60 R16 95W
215/60 ZR16 95W
215/60 R16 95H M+S
215/60 R16 95W
215/60 ZR16 95W
215/60 R16 95H M+S
215/60 R16 95W
215/60 ZR16 95W
215/60 R16 95H M+S
215/60 R16 95W
215/60 ZR16 95W
215/60 R16 95H M+S
Type sneeuwketting
Maximale dikte van de
sneeuwkettingen boven het
profiel van de band: 10 mm.

265
WEER IN GEBRUIK NEMEN
Als de auto langdurig niet gebruikt
is en u wilt de auto weer in gebruik
nemen, voer dan de volgende hande-
lingen uit:
– Reinig de buitenzijde van de auto
niet droog.
– Controleer visueel op lekkage van
vloeistoffen (olie, rem- en koppe-
lingsvloeistof, koelvloeistof, enz.).
– Vervang de motorolie en het
oliefilter.
–Controleer het niveau van:
– rem-/koppelingsvloeistof
– koelvloeistof.
– Controleer het luchtfilter en ver-
vang het zonodig.
– Controleer de bandenspanning en
controleer de banden op beschadi-
gingen, inkepingen of scheuren.
Vervang zonodig de banden.
– Controleer de conditie van de rie-
men in de motor.
– Controleer de acculading en sluit
de minkabel (–) aan.
AUTO LANGERE
TIJD STALLEN
Tref de volgende maatregelen als de
auto langere tijd niet wordt gebruikt:
– Zet de auto in een overdekte, droge
en zo mogelijk goed geventileerde
ruimte.
– Schakel een versnelling in.
– Schakel de automatische handrem
uit als de auto op een vlakke onder-
grond geparkeerd staat, volgens de
instructies in de betreffende para-
graaf.
– Maak de gespoten plaatdelen
schoon en behandel ze met een
beschermende was.
– Smeer de wisserrubbers van de
ruitenwissers in met talkpoeder en
laat ze los van de ruit staan.
– Zet de ruiten een klein stukje open.
– Breng de bandenspanning 0,5 bar
boven de normaal voorgeschreven
spanning en controleer deze regelma-
tig. Laat de banden, zo mogelijk, op
houten blokken steunen.
– Schakel het diefstalalarm niet in.
– Maak de minkabel (-) los van de
accu en controleer de acculading.
Gedurende het stallen moet deze
controle iedere vier weken worden
herhaald. Laad de accu op als de
spanning lager is dan 12,5V.
BELANGRIJK Voordat u het
kofferdeksel opent om de accu los te
koppelen, moet u de instructies in de
paragraaf “Accu loskoppelen” in het
hoofdstuk “Noodgevallen” aandach-
tig lezen en opvolgen.
– Tap het koelsysteem van de
motor niet af.
– Dek de auto af met een stoffen of
een ademende kunststof hoes.
Gebruik geen dichte plastic hoes,
omdat het in en op de auto aanwezi-
ge vocht dan niet kan verdampen.

266
BELANGRIJK Voordat u de accu
weer vastkoppelt, moet u de instruc-
ties in de paragraaf “Accu loskoppe-
len” in het hoofdstuk
“Noodgevallen” aandachtig lezen en
opvolgen.
– Zet de versnellingspook in de
vrijstand, start de motor en laat de
motor enige minuten stationair
draaien. Trap hierbij een aantal
malen het koppelingspedaal in.
Deze handelingen moe-
ten in de openlucht wor-
den uitgevoerd. Het uit-
laatgas bevat koolmonoxide dat
zeer giftig is en dodelijk kan zijn.
NUTTIGE ACCES-
SOIRES
Onafhankelijk van de wettelijk ver-
plichtingen, raden wij u aan het vol-
gende aan boord te hebben ( fig. 2):
– verbandtrommel met niet alcoho-
lische, desinfecterende deppers, ste-
riele gaascompressen, verbandgaas,
pleisters enz.,
– een zaklamp,
– een schaar met afgeronde punten;
– werkhandschoenen,
– een brandblusser.
De afgebeelde en beschreven voor-
werpen zijn opgenomen in het
Lancia Lineaccessori-programma.
fig. 2
L0A0170b

267
NOODSTART
Als de Lancia CODE er niet in slaagt
om de startblokkering op te heffen,
blijven de symbolen Yen Uop het
multifunctionele display branden met
daarbij de opschriften “ELEKTRO-
NISCHE SLEUTEL NIET HER-
KEND” en “DEFECT IN MOTOR-
CONTROLESYSTEEM” en start de
motor niet. Voor het starten van de
motor is het nodig een noodstart uit
te voeren.
Wij raden u aan om eerst de in-
structies goed te lezen voordat u de
motor op deze wijze start.
Als er tijdens deze noodstartproce-
dure een vergissing wordt gemaakt,
moet de contactsleutel in stand STOP
worden gedraaid en de gehele proce-
dure vanaf het begin (punt 1) worden
herhaald.
1) Lees de 5-cijferige elektronische
code die op de CODE-card vermeld
staat.
2) Draai de contactsleutel in stand
MAR.
3) Trap het gaspedaal geheel in en
houd het ingetrapt. Het lampje U
gaat ongeveer 8 seconden branden.
Zodra het lampje is gedoofd, moet u
het gaspedaal loslaten en u voorbe-
reiden op het tellen van het aantal ke-
ren dat het lampje Uknippert.
4) Als het lampje evenveel keer heeft
geknipperd als het eerste cijfer van de
code op uw CODE-card, moet u het
gaspedaal intrappen en ingetrapt hou-
den totdat het lampje U4 seconden
heeft gebrand. Zodra het lampje is ge-
doofd, moet u het gaspedaal loslaten.
5) Het lampje Ugaat weer knippe-
ren: als het lampje evenveel keer heeft
geknipperd als het tweede cijfer van
de code op uw CODE-card, moet u
het gaspedaal intrappen en ingetrapt
houden.
6) Herhaal deze procedure voor de
overige cijfers van de code op uw
CODE-card.
7) Houd bij het laatste cijfer het gas-
pedaal ingetrapt. Het lampje Ugaat
4 seconden branden. Zodra het
lampje is gedoofd, moet u het gaspe-
daal loslaten.
8) Als het lampje Uongeveer 4 se-
conden snel gaat knipperen, is de pro-
cedure op de juiste wijze uitgevoerd.
9) Start de motor door de contact-
sleutel van stand MAR in stand AVV
te draaien, zonder de sleutel in stand
STOP te plaatsen.
Als het lampje Ublijft branden,
draai dan de contactsleutel in stand
STOP en herhaal de procedure vanaf
punt 1).
BELANGRIJK Bij elke volgende
startpoging van de motor moet deze
noodstartprocedure worden herhaald.
Wij raden u daarom aan om na het
uitvoeren van een noodstart een Lan-
cia-dealer te raadplegen.
NOODGEVALLEN

268
STARTEN MET EEN
HULPACCU
Als de accu leeg is, kan de motor
worden gestart met een hulpaccu, die
dezelfde capaciteit moet hebben als de
lege accu (zie hoofdstuk “Technische
gegevens”).
De accu is links in de bagageruimte
geplaatst en wordt beschermd door
een deksel.
Voordat u het kofferdek-
sel opent om de accu op te
laden of een hulpaccu aan
te sluiten, moet u de instructies in
de paragraaf “Accu loskoppelen”
in het hoofdstuk “Noodgevallen”
aandachtig lezen en opvolgen.
Het starten met een hulpaccu is niet
schadelijk voor de Lancia CODE en
moet als volgt worden uitgevoerd:
1) Schakel alle niet noodzakelijke
elektrische systemen uit.
2) Open het kofferdeksel door de
metalen baard van de sleutel rechts -
om in het slot te draaien.
3) Draai aan knop A(fig. 1) en ver-
wijder de bescherming B.
fig. 1
L0A0030b
fig. 2
L0A0031b
fig. 3
L0A0032b
4) Druk op de lippen A(fig. 2) en
verwijder het deksel B.
5) Verbind de pluspolen (+) A(fig.
3) en Bvan de accu’s met een start-
kabel.
6) Sluit eerst een tweede startkabel
aan op de minpool (–) Cvan de hulp -
accu en daarna op het metalen uit-
einde Dvan de massakabel van de
auto met de lege accu.

269
7) Start de motor.
8) Neem als de motor draait, de ka-
bels in omgekeerde volgorde los: klem
D, C, Ben tenslotte A.
BELANGRIJK Als de motor na en-
kele pogingen niet aanslaat, blijf dan
niet proberen maar wendt u tot Lan-
cia-dealer.
9) Bevestig het deksel met de lippen
op de pluspool van de accu.
10) Monteer de bescherming en
draai de knop vast.
11) Sluit het kofferdeksel.
Voer deze werkzaamhe-
den niet uit als u daarmee
niet voldoende ervaring
hebt : onjuiste handelin-
gen kunnen leiden tot vonken en
zelfs tot het openbarsten van de
accu. Kom ook niet dicht bij een
accu met open vuur of een bran-
dende sigaret en veroorzaak geen
vonken: brand- en ontploffings-
gevaar.
Gebruik voor een nood-
start beslist nooit een ac-
culader. Hierdoor kunnen
de elektronische systemen worden
beschadigd, in het bijzonder de re-
geleenheden die de inspuiting en
ontsteking regelen.
ROLLEND
STARTEN
Probeer auto’s nooit te starten door
ze aan te duwen, te slepen of van een
helling te laten rijden. Op die wijze
kan er onverbrande brandstof in de
katalysator terechtkomen, waardoor
deze onherstelbaar zal beschadigen.
Houd er rekening mee dat de rem- en
stuurbekrachtiging niet werken zolang
de motor niet is aangeslagen, waardoor
meer kracht nodig is voor de bediening
van het rempedaal en het stuur.
Verbind de minklemmen
van de twee accu’s niet di-
rect met elkaar: eventuele
vonken kunnen het explosieve gas
ontsteken dat uit de accu kan ont-
snappen. Als de hulpaccu is geïn-
stalleerd aan boord van een an-
dere auto, mogen tussen deze auto
en de auto met de lege accu niet
per ongeluk metalen delen met el-
kaar in verbinding staan.
BELANGRIJK Als u het kofferdek-
sel sluit, vergrendelt het kofferdeksel-
slot niet. Om het slot te vergrendelen,
moet de metalen baard van de sleutel
linksom in het slot worden gedraaid.

270
Attendeer het overige
wegverkeer op de stil-
staande auto m.b.v de
waarschuwingsknipperlichten, de
wettelijk verplichte gevarendrie-
hoek, enz.
Tijdens het verwisselen van een
wiel moeten alle inzittenden de
auto hebben verlaten, en op een
veilige afstand van het verkeer
wachten, totdat het wiel verwisseld
is.
EEN LEKKE BAND
Voor het verwisselen van het wiel en
voor het juiste gebruik van de krik
moeten de onderstaande voorzorgs-
maatregelen in acht worden genomen.
Blokkeer de wielen met
stenen of andere voorwer-
pen als de auto schuin op
een helling of op een slecht weg-
dek staat.
Laat het verwisselde wiel zo snel
mogelijk repareren. Smeer de
schroefdraad van de wielbouten
niet met vet in, voordat u ze mon-
teert: de bouten kunnen loslopen.
De krik dient uitsluitend
voor het verwisselen van
een wiel van de auto waar-
bij de krik geleverd is of voor au-
to’s van hetzelfde model. Gebruik
de krik niet voor het opkrikken
van andere auto’s. En beslist nooit
voor het uitvoeren van werkzaam-
heden onder de auto.
Als de krik niet juist geplaatst
wordt, kan de opgekrikte auto van
de krik vallen.
Op een sticker op de krik
is het maximum hefvermo-
gen aangegeven; de krik
mag nooit voor een zwaardere last
worden gebruikt.
Door een verkeerde montage kan
het wieldeksel tijdens het rijden
loslaten. Maak het ventiel absoluut
niet open. Plaats geen enkel stuk
gereedschap tussen velg en band.
Controleer regelmatig de span-
ning van de banden en van het re-
servewiel en houdt u daarbij aan
de waarden die beschreven staan
in het hoofdstuk “Technische ge-
gevens”.

271
WIEL
VERWISSELEN
Het is nodig te weten dat:
– de krik 2,100 kg moet wegen,
– de krik geen afstelwerkzaamheden
mag vereisen;
– de krik bij beschadiging vervangen
moet worden door een krik van het-
zelfde type;
– buiten de slinger geen enkel ander
gereedschap op de krik gemonteerd
mag kunnen worden.
Ga voor het verwisselen van een wiel
als volgt te werk:
1) Stop de auto op een plaats waar
het verkeer niet in gevaar wordt ge-
bracht en in alle veiligheid het wiel
kan worden verwisseld. Zet de auto zo
mogelijk op een vlakke en stevige on-
dergrond.
2) Zet de motor uit en controleer of
de automatische handrem is inge-
schakeld.
3) Schakel de eerste versnelling of de
achteruit in. Plaats bij uitvoeringen
met automatische versnellingsbak de
versnellingspook in stand P.
4) Open het kofferdeksel.
5) Vouw de vloerbedekking van de
bagageruimte A(fig. 4) naar achteren.
6) Neem de gevarendriehoek A(fig.
5) en de gereedschaptas Buit.
7) Draai de blokkeerschroef A(fig.
6) los. Pak de krikhouder Ben het re-
servewiel Cen plaats deze dicht bij
het te verwisselen wiel.
fig. 4
L0A0033b
fig. 5
L0A0034b
fig. 6
L0A0035b

272
8) Draai met de hand aan het wiel-
tje A(fig. 7) van de krik en neem de
krik uit de houder B.
9) Open de gereedschaptas en neem
het noodzakelijke gereedschap uit de tas
(fig. 8):
1 – sleepoog
2– schroevendraaier met plat
blad/kruiskop
3– ratelsleutel
4– dopsleutel voor ratelsleutel
5– centreerpen
6– gereedschap voor verwijderen
wieldeksel
7– dop voor met de hand los-/vast-
draaien wielbouten
8– sleutel voor bouten van deksel
reservoir stuurbekrachtiging
9– sleutel voor het in noodgevallen
bedienen van het opendak (in-
dien aanwezig).
10) Verwijder het geklemde wiel-
deksel A(fig. 9) door het daarvoor
bestemde gereedschap Bin de zitting
Cte steken en er aan te trekken.
11) Monteer de dopsleutel A(fig.
10) op de ratelsleutel B.
BELANGRIJK De ene kant van de
ratelsleutel dient voor het losdraaien
en de andere voor het vastdraaien.
12) Draai de wielbouten ongeveer
één slag los en schud vervolgens enige
malen aan de bovenkant van de car-
rosserie, waardoor de velg los van de
wielnaaf kan komen.
fig. 8
L0A0326b
fig. 7
L0A0038b
fig. 9
L0A0327b
fig. 10
L0A0037b

273
Waarschuw eventuele
omstanders dat de auto
wordt opgekrikt; zorg er-
voor dat ze zich niet in de nabij-
heid van de auto bevinden en de
auto vooral niet aanraken totdat
deze weer geheel op de grond
staat.
13) Plaats de krik onder de auto
dicht bij het te verwisselen wiel, op
het punt dat staat aangegeven aan de
onderkant van de portieren op onge-
veer 20 cm van de wielkuip, zoals af-
gebeeld in (fig. 11).
14) Draai met het wieltje A(fig. 12)
de krik iets omhoog en plaats vervol-
gens de krik onder de auto.
Draai het wieltje totdat de pen B
(fig. 12) van de krik goed in de zit-
ting Cop de carrosserie valt.
15) Steek de ratelsleutel A(fig. 13)
met de dopsleutel B op de as van de
krik.
fig. 11
L0A0039b
fig. 12
L0A0040b
BELANGRIJK De ene kant van de
ratelsleutel dient voor het losdraaien
en de andere voor het vastdraaien.
16) Krik de auto op totdat het wiel
enkele centimeters los van de grond
is.
fig. 13
L0A0041b

274
18) Zorg ervoor dat de boutgaten en
alle contactvlakken van het reserve-
wiel schoon zijn en geen onzuiverhe-
den bevatten, omdat hierdoor na ver-
loop van tijd de wielbouten kunnen
loslopen.
19) Draai om de montage van het
wiel te vergemakkelijken de centreer-
pen A(fig. 15) uit de gereedschaptas
op de wielnaaf, plaats vervolgens het
wiel op de pen en draait de 4 wiel-
bouten vast. Draai ten slotte de cen-
treerpen Alos en draai de laatste bout
vast.
BELANGRIJK Gebruik om de wiel-
bouten makkelijker vast te draaien de
dopsleutel A(fig. 14).
17) Draai de wielbouten helemaal
los en trek het wiel los.
BELANGRIJK Gebruik om deze
handeling te vergemakkelijken, de be-
treffende dopsleutel A(fig. 14).
20) Laat de auto zakken en verwij-
der de krik (fig. 16).
21) Draai de wielbouten kruiselings
vast, in de volgorde die aangegeven is
in (fig. 17).
22) Monteer het wieldeksel en druk
het licht aan.
fig. 15
L0A0043b
fig. 14
L0A0328b
fig. 16
L0A0044b

275
De bouten moeten met
een aanhaalmoment van
98 Nm (10 kgm) worden
aangedraaid.
Het is raadzaam om na het ver-
wisselen van het wiel het aanhaal-
moment van de wielbouten zo snel
mogelijk door de Lancia-dealer te
laten controleren.
Als de wielbouten niet voldoende
zijn vastgedraaid, kunnen de bou-
ten loslopen, waardoor er een ge-
vaarlijke situatie ontstaat. Als de
bouten daarentegen te strak zijn
vastgedraaid, kunnen de wielbou-
ten beschadigd worden, waardoor
de weerstand in gevaar wordt ge-
bracht.
EEN GLOEILAMP
VERVANGEN
Modificaties of reparaties
aan de elektrische instal-
latie die niet correct wor-
den uitgevoerd en waarbij geen re-
kening wordt gehouden met de
technische specificaties van het
systeem, kunnen storingen in de
werking en zelfs brand veroorza-
ken.
BELANGRIJK Door een verkeerde
montage kan het wieldeksel tijdens
het rijden losraken.
23) Plaats het verwisselde wiel, de
krik en het gereedschap in de baga-
geruimte en maak ze op de juiste
wijze vast.
BELANGRIJK Plaats de krik in de
houder B(fig. 6) en draai de blok-
keerschroef A(fig. 6) met de hand
vast om rammelen tijdens het rijden
te voorkomen.
fig. 17
L0A0045b

276
Halogeenlampen mag u
uitsluitend aanraken op
het metalen gedeelte. Als u
de bol met uw vingers aanraakt,
zal de lichtopbrengst van de lamp
teruglopen en kan ook de levens-
duur beperkt worden. Als u de bol
per ongeluk toch hebt aangeraakt,
moet u de bol schoonwrijven met
een doekje met alcohol en daarna
laten drogen.
Halogeenlampen bevat-
ten gas onder druk. Bij
breuk kunnen er glas -
splinters wegschieten.
Wij raden u aan defecte
gloeilampen, indien moge-
lijk, door de Lancia-dealer
te laten vervangen. De juiste wer-
king en afstelling van de buiten-
verlichting zijn van essentieel be-
lang voor de rijveiligheid en bo-
vendien wettelijk verplicht.
Defecte gasontladings-
lampen (bi-xenon) moeten
door de Lancia-dealer
worden vervangen.

277
ALGEMENE AANWIJZINGEN
– Als een lampje niet brandt, con-
troleer dan eerst of de zekering niet
doorgebrand is, voordat u het lampje
vervangt.
– Zie voor de plaats van de zekerin-
gen de paragraaf “Een doorgebrande
zekering” in dit hoofdstuk.
– Controleer voordat u een defecte
lamp vervangt of de contacten niet
zijn geoxideerd.
– Vervang een defecte lamp door een
exemplaar van hetzelfde type en ver-
mogen.
– Als u een lampje in de koplamp
hebt vervangen, controleer dan om
veiligheidsredenen altijd of de afstel-
ling nog goed is.
TYPEN GLOEILAMPEN
Op de auto zijn verschillende typen
gloeilampen gemonteerd (fig. 18):
A - Glasfittinglampen
Deze zijn voorzien van een klemfit-
ting. Verwijder de lamp door hem uit
de houder te trekken.
B - Gloeilampen met bajonetfit-
ting
Verwijder de lamp uit de houder
door hem iets in te drukken en
linksom te draaien.
C - Buislampen
Verwijder de lamp door hem uit de
veercontacten los te maken.
D - E Halogeenlampen
Verwijder de lamp door de borgveer
los te haken.
fig. 18
L0A0105b

278
Gloeilamp
Dimlicht/Grootlicht
Extra grootlicht
Parkeerlichten voor
Richtingaanwijzers voor
Richtingaanwijzers op voorspatbord
Richtingaanwijzers achter
Mistlampen voor
Achterlichten
Remlichten
Derde remlicht
Achteruitrijlichten
Mistachterlichten
Kentekenplaatverlichting
Plafondverlichting voor
Instapverlichting
Plafondverlichting achter
Spiegelverlichting zonneklep
Verlichting dashboardkastje
Bagageruimteverlichting
Portieren
Vermogen
35W
55W
6W
21W
5W
–
55W
–
–
–
21W
21W
5W
10W
5W
5W
5W
5W
10W
5W
Type
Gasontladingslamp
H7
H6W
H21W
WY5W
LED
H3
LED
LED
LED
P21W
P21W
C5W
Halogeen lamp
Halogeen lamp
Halogeen lamp
C5W
W5W
Halogeen lamp
W5W
Figuur 18
–
E
B
B
A
–
E
–
–
–
B
B
C
A
A
A
C
A
A
A

280
De gasontladingslampen
(bi-xenon) moeten door de
Lancia-dealer worden ge-
controleerd en eventueel worden
vervangen. De procedure voor het
vervangen van een lamp, die
hierna beschreven staat, dient
slechts ter informatie en mag niet
worden uitgevoerd door personen
die niet over de noodzakelijke
technische kennis beschikken:
kans op vonken!
Bi-xenonlamp vervangen:
1) Steek de speciale sleutel in de zit-
ting A(fig. 20) bij de koplampunit.
2) Draai de sleutel linksom totdat de
koplampunit loshaakt.
3) Verwijder de unit, plaats de
klemveer Bopzij en maak de stekker
A(fig. 21) los.
4) Plaats de koplampunit op een ta-
fel.
5) Draai de drie schroeven A(fig.
22) los en verwijder het deksel Bmet
de regeleenheid van de ontsteking.
DIMLICHT/GROOTLICHT
(BI-XENONLAMPEN)
Bi-xenonlampen hebben een zeer
lange levensduur waardoor een even-
tueel defect onwaarschijnlijk is.
fig. 21
L0A0108b
fig. 20
L0A0107b
fig. 22
L0A0110b

281
6) Draai de stekker A(fig. 23) van
de bi-xenonlamp een kwart slag
linksom en trek de stekker los.
7) Draai knop A(fig. 24) linksom en
trek hem los.
8) Verwijder de bi-xenonlamp A
(fig. 25).
9) Plaats de nieuwe lamp, waarbij
de nok in de uitsparing op de zitting
moet vallen.
Bi-xenonlampen mag u
uitsluitend aanraken op
het metalen gedeelte. Als u
de bol met uw vingers hebt aange-
raakt of in contact is gekomen met
olie of vet, moet u de bol schoon-
wrijven met een doekje met alco-
hol en laten drogen. Monteer ver-
volgens de lamp.
fig. 23
L0A0111b
fig. 24
L0A0112b
fig. 25
L0A0113b

285
13) Steek de unit in de zitting op het
spatbord en blokkeer de unit door de
speciale sleutel rechtsom in de zitting
A(fig. 31) te draaien.
PARKEERLICHTEN VOOR
Gloeilamp vervangen:
1) Steek de speciale sleutel in de zit-
ting A(fig. 38) bij de koplampunit.
2) Draai de sleutel linksom totdat de
koplampunit loshaakt.
3) Verwijder de unit, plaats de
klemveer Bopzij en maak de stekker
A(fig. 39) los.
4) Plaats de unit op een tafel en trek
het deksel A(fig. 40) los nadat het is
verplaatst in de richting van de pijl
met het opschrift “OPEN”.
Controleer na deze pro-
cedure of de koplampunit
goed is vastgehaakt door er
aan te trekken en controleer of het
profiel van de koplamp goed op
het spatbord aansluit.
fig. 38
L0A0107b
fig. 39
L0A0108b
fig. 40
L0A0109b

286
5) Draai de lamphouder A(fig. 41)
een kwart slag linksom en verwijder
hem uit de zitting.
6) Verwijder de lamp A(fig. 42) uit
de lamphouder door hem iets in te
drukken en een kwart slag linksom te
draaien.
7) Monteer de nieuwe lamp in de
lamphouder door hem iets in te druk-
ken en een kwart slag rechtsom te
draaien.
8) Plaats de lamphouder in de unit
en blokkeer de houder door hem
rechtsom te draaien.
9Monteer het deksel A(fig. 40) en
blokkeer het door het in de richting
van de pijl met het opschrift
“CLOSE” te plaatsen.
10) Plaats de unit bij de zitting op
het spatbord en maak de stekker A
(fig. 39) vast met de klemveer B.
11) Steek de unit in de zitting op het
spatbord en blokkeer de unit door de
speciale sleutel rechtsom in de zitting
A(fig. 38) te draaien.
Controleer na deze pro-
cedure of de koplampunit
goed is vastgehaakt door er
aan te trekken en controleer of het
profiel van de koplamp goed op
het spatbord aansluit.
fig. 42
L0A0118b
fig. 41
L0A0116b

287
RICHTINGAANWIJZERS VOOR
(PIJLEN)
Gloeilamp vervangen:
1) Steek de speciale sleutel in de zit-
ting A(fig. 43) bij de koplampunit.
2) Draai de sleutel linksom totdat de
koplampunit loshaakt.
3) Verwijder de unit, plaats de
klemveer Bopzij en maak de stekker
A(fig. 44) los.
4) Plaats de unit op een tafel en ver-
wijder het onderste deksel A(fig. 45)
door het linksom te draaien.
5) Draai de lamphouder A(fig. 46)
linksom en trek hem uit de zitting.
6) Verwijder de lamp B(fig. 46) uit
de lamphouder door hem iets in te
drukken en linksom te draaien
7) Monteer de nieuwe lamp in de
lamphouder door hem iets in te druk-
ken en rechtsom te draaien.
8) Plaats de lamphouder in de unit
en blokkeer de houder door hem
rechtsom te draaien.
9) Plaats het onderste deksel en
blokkeer het deksel door het rechtsom
te draaien.
10) Plaats de unit bij de zitting op
het spatbord en maak de stekker A
(fig. 44) vast met de klemveer B.
fig. 43
L0A0107b
fig. 45
L0A0119b
fig. 44
L0A0108b
fig. 46
L0A0120b

289
ACHTERLICHTUNIT (fig. 49)
De parkeerverlichting, de richting-
aanwijzers en de remlichten bestaan
uit LED’s die in de achterlichtunit
zijn ingebouwd.
Als de verlichting maar gedeeltelijk
werkt of helemaal niet, wendt u dan
tot de Lancia-dealer.
ACHTERUITRIJLICHTEN EN
MISTACHTERLICHTEN
De achteruitrijlichten en mistachter-
lichten zijn in het kofferdeksel ge-
plaatst.
Gloeilamp vervangen:
1) Open het kofferdeksel, til de be-
kleding A(fig. 50) op bij de lamp die
vervangen moet worden.
2) Draai de schroeven Blos en ver-
wijder de lamphouder C.
3) Trek het geklemde glasfitting-
lampje uit de houder (fig. 51).
D- Gloeilamp type B, 12V-P21W
voor achteruitrijlicht.
E- Gloeilamp type B, 12V-P21W
voor mistachterlicht.
4) Vervang de lampen en bevestig
vervolgens de lamphouder met de
schroeven.
5) Plaats de bekleding terug.
fig. 49
L0A0123b
fig. 50
L0A0124b
fig. 51
L0A0125b

290
KENTEKENPLAATVERLICHTING
(fig. 52)
Gloeilamp vervangen:
1) Verwijder het lampenglas met een
schroevendraaier bij punt A.
2) Verwijder het lampje Bdoor het
los te maken uit de contacten aan de
zijkant en vervang het lampje.
3) Monteer het lampenglas: plaats
eerst de zijde Cen druk vervolgens op
de andere zijde totdat het lampenglas
vastzit.
DERDE REMLICHT (fig. 53)
Als de verlichting van het derde
remlicht maar gedeeltelijk werkt of
helemaal niet, wendt u dan tot de
Lancia-dealer.
DEFECTE
INTERIEUR -
VERLICHTING
PLAFONDVERLICHTING VOOR
Gloeilamp vervangen:
1) Verwijder met behulp van een
schroevendraaier de klemdoppen Aen
B (fig. 54) aan de buitenkant.
fig. 52
L0A0126b
fig. 53
L0A0287b
fig. 54
L0A0129b

291
2) Draai de schroeven C(fig. 55) los
en verwijder de plafondverlichting.
3) Verwijder de lamphouders door
ze linksom te draaien (fig. 56).
D- Gloeilamp middelste plafond-
lampje.
E- Gloeilampen plafondlampjes aan
zijkant.
4) Trek de geklemde glasfittinglam-
pen uit de houders en vervang ze.
5) Plaats de lamphouders in de zit-
tingen en draai ze rechtsom.
6) Bevestig de plafondverlichting
met de schroeven.
7) Monteer de doppen.
BELANGRIJK Controleer als u het
plafondlampje weer monteert of de
elektrische bedrading op de juiste
wijze is aangesloten.
PLAFONDVERLICHTING
ACHTER
Gloeilamp vervangen:
1) Licht het lampenglas met een
schroevendraaier aan de voorzijde
(fig. 57) op.
2) Verwijder de lamphouders door
ze linksom te draaien (fig. 58).
fig. 55
L0A0130b
fig. 56
L0A0131b
fig. 57
L0A0288b

292
A- Gloeilamp middelste plafond-
lampje.
B- Gloeilampen plafondlampjes aan
de zijkant.
3) Trek de geklemde glasfittinglam-
pen uit de houders en vervang ze.
4) Plaats de lamphouders in de zit-
tingen en draai ze rechtsom.
5) Monteer de plafondverlichting:
plaats eerst de achterzijde en druk
vervolgens op de voorzijde totdat de
plafondverlichting vastzit.
BELANGRIJK Controleer als u het
plafondlampje weer monteert of de
elektrische bedrading op de juiste
wijze is aangesloten.
VERLICHTING
DASHBOARDKASTJE
Gloeilamp vervangen:
1) Verwijder het lampenglas door
met een schroevendraaier de borgveer
A(fig. 59) in te drukken.
2) Druk op beide zijden van het
scherm B(fig. 60) bij de bevesti-
gingspunten en draai het scherm om
de gloeilamp te bereiken.
3) Vervang het geklemde lampje C.
4) Plaats het scherm Bweer in de
zitting.
5) Monteer het lampenglas: plaats
eerst de zijde D(fig. 59) en druk ver-
volgens op de andere zijde totdat de
borgveer Ais vastgehaakt.
fig. 60
L0A0135b
fig. 59
L0A0134b
fig. 58
L0A0133b

293
SPIEGELVERLICHTING
ZONNEKLEP
Gloeilampen vervangen:
1) Til het klepje A(fig. 61) omhoog.
2) Licht het spiegeltje met een
schroevendraaier in punt Bop.
BELANGRIJK Wees zeer voorzich-
tig bij het verwijderen van het spie-
geltje, om beschadiging aan de om-
lijsting van de spiegel en de spiegel
zelf te voorkomen.
3) Verwijder de lampjes C(fig. 62)
uit de contacten aan de zijkant en ver-
vang ze.
4) Monteer het spiegeltje: plaats
eerst de bovenste rand en druk ver-
volgens op de onderste rand totdat het
spiegeltje vastzit.
BAGAGERUIMTEVERLICHTING
Gloeilamp vervangen:
1) Verwijder het plafondlampje door
met een schroevendraaier de borgveer
A(fig. 63) in te drukken.
2) Druk op beide zijden van het
scherm B(fig. 64) bij de bevesti-
gingspunten, draai het scherm en ver-
wijder het.
fig. 61
L0A0136b
fig. 62
L0A0137b
fig. 63
L0A0139b

294
3) Vervang het geklemde lampje C.
4) Plaats het scherm weer in de zit-
ting.
5) Monteer het plafondlampje:
plaats eerst de zijde Ddruk vervol-
gens op de andere zijde totdat de
borgveer Ais vastgehaakt.
PORTIERVERLICHTING (fig. 65)
Gloeilamp vervangen:
1) Verwijder het plafondlampje door
met een schroevendraaier de borgveer
Ain te drukken.
2) Druk op beide zijden van het
scherm Bbij de bevestigingspunten en
draai het scherm om het lampje te be-
reiken.
3) Vervang het geklemde lampje C.
4) Plaats het scherm Bweer in de
zitting.
5) Monteer het plafondlampje:
plaats eerst de zijde Den druk ver-
volgens op de andere zijde totdat de
borgveer Ais vastgehaakt.
VERLICHTING
BUITENSPIEGELS (fig. 66)
Gloeilamp vervangen:
1) Licht het lampenglas met een
schroevendraaier bij punt Aop.
2) Verwijder de lamphouder Bdoor
hem linksom te draaien.
3) Vervang het geklemde lampje C.
4) Monteer de lamphouder en draai
hem rechtsom.
5) Monteer het lampenglas: plaats
eerst de zijde Den druk vervolgens op
de andere zijde totdat het lampenglas
vastzit.
fig. 65
L0A0138b
fig. 66
L0A0141b
fig. 64
L0A0140b

295
EEN DOOR -
GEBRANDE
ZEKERING
ALGEMENE AANWIJZINGEN
(fig. 67)
Het elektrische systeem wordt door
zekeringen beveiligd: de zekering
brandt door bij een storing of bij on-
eigenlijk gebruik van het systeem.
Als een elektrisch onderdeel niet
werkt, controleer dan eerst of de ze-
kering niet is doorgebrand. De ver-
bindingsstrip mag niet onderbroken
zijn. Is dit wel het geval, dan moet u
de zekering vervangen door een exem-
plaar met dezelfde stroomsterkte
(ampère) (zelfde kleur).
A- Zekering in goede staat
B- Zekering met doorgebrande
strip.
Verwijder een zekering met behulp
van het tangetje C, uit de zekeringen-
kast.
Controleer voordat u een
zekering vervangt of de
contactsleutel uit het con-
tactslot is genomen en alle stroom-
gebruikers uit staan en/of zijn uit-
geschakeld.
fig. 67
L0A0127b
Vervang een defecte ze-
kering nooit door ander
materiaal. Gebruik altijd
een zekering met dezelfde kleur.
Vervang een zekering
nooit door een zekering
met een hogere stroom-
sterkte (ampère): BRANDGEVAAR!
Als een hoofdzekering
(MIDI-FUSE of MEGA-
FUSE) doorbrandt, voer
dan niet zelf reparatiewerkzaam-
heden uit maar wendt u tot de
Lancia-dealer.
Als de zekering opnieuw
doorbrandt, wendt u dan
tot de Lancia-dealer.

296
PLAATS VAN DE
ZEKERINGEN
De belangrijkste zekeringen van de
THESIS zijn in vier zekeringenkast-
jes geplaatst, aan de linkerzijde van
het dashboard, in de motorruimte, op
de accu en in het servicevak rechts in
de bagageruimte.
HOOFDZEKERINGEN (MIDI-
FUSE en MEGA-FUSE)
De auto is uitgerust met diverse
hoofdzekeringen (MIDI-FUSE en
MAXI-FUSE). Deze zekeringen be-
veiligen afzonderlijk de verschillende
componenten van het elektrische sys-
teem, samen met de zekeringen van
de individuele stroomverbruikers.
De hoofdzekeringen bevinden zich
links in de bagageruimte, in een kastje
op de pluspool van de accu en zijn daar
direct mee verbonden.
Toegang tot de zekeringen:
1) Open het kofferdeksel.
2) Draai knop A(fig. 68) los en ver-
wijder de bescherming Bvan de accu.
3) Druk op de lippen A(fig. 69) en
verwijder het deksel B.
De systemen en componenten die
door de hoofdzekeringen ( fig. 70)
worden beveiligd, staan in de tabellen
op de volgende pagina’s.
fig. 68
L0A0030b
fig. 69
L0A0031b
fig. 70
L0A0142b

297
ZEKERINGEN IN DE
ZEKERINGENKAST OP HET
DASHBOARD
De zekeringen van de belangrijkste sys-
temen bevinden zich in een zekeringen-
kastje links van het stuurwiel op het
dashboard, achter het opbergvak (fig.
72).
De zekeringen zijn bereikbaar nadat
het opbergvak A(fig.71) is verwij-
derd door met een schroevendraaier
de twee bevestigingspennen Blos te
draaien. Deze zijn bereikbaar als het
vak is geopend. Maak na het vervan-
gen van de zekeringen het opbergvak
weer vast met de twee pennen.
In het zekeringenkastje bevindt zich
een tangetje waarmee de zekeringen
kunnen worden uitgenomen.
In het bovenste deel van het zeke-
ringenkastje zijn naast elkaar de re-
servezekeringen geplaatst A(fig. 72)
met verschillende stroomsterkte.
De systemen die door de zekeringen
(fig. 73) worden beveiligd, staan in de
tabellen op de volgende pagina’s.
BELANGRIJK Het is raadzaam om
na het vervangen van een zekering de
reservevoorraad weer aan te vullen.
ZEKERINGEN IN DE ZEKERIN-
GENKAST IN DE MOTORRUIMTE
Het zekeringenkastje bevindt zich
links in de motorruimte.
De zekeringen zijn bereikbaar nadat
het deksel A(fig. 74) is verwijderd
door de borgveren Blos te haken.
fig. 71
L0A0144b
fig. 72
L0A0143b
fig. 73
L0A0265b
fig. 74
L0A0145b

298
De systemen die door de zekeringen
(fig. 75) worden beveiligd, staan in de
tabellen op de volgende pagina’s.
Maak na het vervangen van de ze-
keringen het deksel weer vast met de
borgveren.
ZEKERINGEN IN DE
BAGAGERUIMTE
De zekeringenhouder (fig.77) be-
vindt zich rechts in de bagageruimte,
in het servicevak.
Draai, om het klepje van het servi-
cevak te openen, met de contactsleu-
tel de sluiting A(fig.76) in stand 1
en trek het klepje omlaag.
Aan de zijkanten van de houder, in
verticale stand, zijn de reservezeke-
ringen met verschillende stroom-
sterktes (ampère) geplaatst.
De systemen die door de zekeringen
(fig.78) worden beveiligd, staan in de
tabellen op de volgende pagina’s.
fig. 75
L0A0267b
fig. 76
L0A0275b
fig. 77
L0A0146b
fig. 78
L0A0266b

299
MIDI-FUSE en MEGA-FUSE
Zekeringenkast dashboard 1
Zekeringenkast dashboard 2
Zekeringenkast bagageruimte
Zekeringenkast motorruimte
Zekering
1
2
3
4
Ampère
70
50
60
150
Plaats
fig. 70
fig. 70
fig. 70
fig. 70
Buitenverlichting
Bediening buitenverlichting (afstelling schemersensor)
Richtingaanwijzers (pijlen)
Grootlicht rechts
Grootlicht links
Dimlicht rechts
Dimlicht links
Achteruitrijlichten
Derde remlicht
Waarschuwingsknipperlichten
Mistlampen
Zekering
23
16
8
10
24
25
21
14
16
14
Ampère
7.5
10
10
10
15
15
7.5
10
10
15
Plaats
fig. 73
fig. 73
fig. 75
fig. 75
fig. 73
fig. 73
fig. 73
fig. 73
fig. 73
fig. 75

300
Systeem/component en gebruikers
Vrij
Aansteker
Airbag
Voeding knooppunt bagageruimte 1
Voeding knooppunt bagageruimte 2
Versterker hifi-audiosysteem
Hoofdsteunen achter (omlaag zetten)
Bagageruimte (actuator elektrisch bediend slot)
Bobines (benzine-uitvoeringen)
Spoelen van relais zekeringenkast motorruimte
Zekering
1
6
8
12
17
18
21
23
22
18
9
5
7
3
11
19
21
Ampère
–
–
–
–
–
–
–
–
20
7.5
20
20
25
25
20
15
7.5
Plaats
fig. 78
fig. 78
fig. 78
fig. 78
fig. 78
fig. 78
fig. 78
fig. 78
fig. 73
fig. 73
fig. 73
fig. 73
fig. 78
fig. 73
fig. 78
fig. 75
fig. 73
Interieurverlichting
Bagageruimteverlichting
Plafondverlichting achter
Motorruimteverlichting
Portierverlichting
Zekering
13
13
6
13
Ampère
10
10
10
10
Plaats
fig. 73
fig. 73
fig. 73
fig. 73
Product specificaties
Merk: | Lancia |
Categorie: | Personenwagen |
Model: | Thesis |
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Lancia Thesis stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Personenwagen Lancia

27 Maart 2023

27 Maart 2023

27 Maart 2023

27 Maart 2023

27 Maart 2023

27 Maart 2023

27 Maart 2023

27 Maart 2023

27 Maart 2023

27 Maart 2023
Handleiding Personenwagen
- Personenwagen Ford
- Personenwagen Fiat
- Personenwagen Opel
- Personenwagen Renault
- Personenwagen Volvo
- Personenwagen Alfa Romeo
- Personenwagen Audi
- Personenwagen Hella
- Personenwagen Hyundai
- Personenwagen Infiniti
- Personenwagen Kia
- Personenwagen Land Rover
- Personenwagen Lexus
- Personenwagen Maserati
- Personenwagen Mazda
- Personenwagen Mercedes
- Personenwagen Mini
- Personenwagen Nissan
- Personenwagen Peugeot
- Personenwagen Porsche
- Personenwagen Skoda
- Personenwagen Smart
- Personenwagen Subaru
- Personenwagen Suzuki
- Personenwagen Tesla
- Personenwagen Toyota
- Personenwagen Vauxhall
- Personenwagen Volkswagen
Nieuwste handleidingen voor Personenwagen

22 Oktober 2023

16 Oktober 2023

16 Oktober 2023

16 Oktober 2023

16 Oktober 2023

5 Oktober 2023

5 Oktober 2023

5 Oktober 2023

5 Oktober 2023

5 Oktober 2023