Ducati Multistrada V2 S Travel (2022) Handleiding

Ducati Motor Multistrada V2 S Travel (2022)

Lees hieronder de 📖 handleiding in het Nederlandse voor Ducati Multistrada V2 S Travel (2022) (306 pagina's) in de categorie Motor. Deze handleiding was nuttig voor 47 personen en werd door 2 gebruikers gemiddeld met 4.5 sterren beoordeeld

Pagina 1/306
Onderhouds- en gebruiksaanwijzingen Nederlands
1
Beste Ducatist
wij danken u voor het  dat u in ons  gesteld met de aankoop van uw nieuwe Multistrada V2.
We raden u aan om de gebruiksaanwijzing zorgvuldig te lezen, zodat u snel  raakt met uw Ducati
en optimaal gebruik kunt maken van alle functies; in de handleiding geven we u veel tips en
informatie over uw veiligheid, over hoe u uw motor kunt verzorgen en over hoe u de waarde van uw 
hoog kunt houden door het bij gespecialiseerde servicecentra.juiste onderhoud
Je kunt deze handleiding ook in digitaal formaat vinden, altijd geactualiseerd, in de speciale pagina van de
Ducati website en in de MyDucati App, die zowel vanaf een PC als een telefoon kan worden geraadpleegd.
Zo heb je altijd de meest actuele versie van de handleiding informatie en ter beschikking en vind je ook
veelgestelde vragen over je motor en de wereld van Ducati.
Suggesties voor verbetering van de inhoud van deze Gebruiks- en Onderhoudshandleiding kun je naar het
volgende adres sturen: OwnerManual@ducati.com
2
Deze handleiding is een integraal onderdeel van de  en moet gedurende de hele levensduur ervan
worden bewaard. Overhandig deze handleiding in het geval van verkoop aan de nieuwe eigenaar. De
kwaliteit en veiligheid van Ducati worden constant bijgewerkt met aanpassingen en
ontwikkelingen op het gebied van het ontwerp, de uitrusting en de accessoires. Ondanks dat de handleiding
bijgewerkt is tot op het moment dat deze gedrukt wordt, behoudt Ducati Motor Holding S.p.A. zich het recht
voor op ieder moment zonder mededeling vooraf of zonder verplicht te zijn, wijzigingen te kunnen
toepassen. Om deze reden kan het zijn dat u verschillen opmerkt als u de afbeeldingen met uw nieuwe
 vergelijkt. De verveelvoudiging of openbaarmaking, ook gedeeltelijk, van de inhoud van deze
uitgave is absoluut verboden. Alle rechten zijn voorbehouden aan Ducati Motor Holding S.p.A., waaraan een
 toestemming met verklaring van reden gevraagd moet worden. Neem voor reparaties en
advies contact op met één van onze erkende servicecentra.
Neem voor meer informatie contact met ons op via de volgende e-mail:
contact_us@ducati.com
Onze Advisors staan tot uw beschikking voor tips en advies.
Belangrijk
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Ducati  door te klikken op “Contacteer ons”
in de sectie Dienstverlening en Onderhoud van de www.ducati.com website.
Onze Advisors staan tot uw beschikking voor tips en advies.
Veel rijplezier!
3
Pechhulp
Belangrijk
De «ACI Global Servizi» pechhulp is alleen
geldig in de volgende landen:
Denemarken, België, Frankrijk, Luxemburg,
Zwitserland, Ierland, Verenigd Koninkrijk, Italië,
Noorwegen, Nederland, Spanje, Oostenrijk,
Duitsland, Zweden,  Canarische eilanden,
Cyprus, Kroatië, Tsjechië, Estland, Letland,
Litouwen, Finland, Griekenland, Hongarije, Malta,
Polen, Servië en Montenegro, Slowakije, Slovenië,
Turkije, Oekraïne.
Het Programma Ducati Card Assistance, ontwikkeld
in samenwerking met Ducati en ACI Global Servizi,
biedt de Ducati-klant hulp bij pech en/of ongevallen.
De service is 24 uur per dag, 365 dagen per jaar
beschikbaar gedurende 24 maanden (in het geval
van een verlengde garantie gelden de voorwaarden
van de verlenging) vanaf de leveringsdatum van de
 of gedurende de dekkingsperiode van de
garantieverlenging Ever Red.
De wegenwachtdienst omvat de volgend services:
Hulpverlening bij pech onderweg en sleepdienst
Passagiersvervoer na pechverhelping
Terugkeer van de passagiers of  van
de reis
Ophalen van de gerepareerde 
Repatriëring van de vanuit het
buitenland
Zoeken en verzenden van reserveonderdelen
naar het buitenland
Hotelkosten
Ophalen van de  die buiten de rijbaan
is geraakt bij een ongeval
Voorschot van borgtocht in het buitenland
en deze kunnen worden aangevraagd in de volgende
landen:
Andorra, Oostenrijk, België, Bulgarije, Kroatië,
Cyprus, Tsjechië, Estland, Finland, Frankrijk
(inclusief Corsica, op wegen die toegankelijk zijn voor
normaal verkeer) FYROM (de voormalige
Joegoslavische Republiek Macedonië), Duitsland,
Gibraltar, Griekenland, Hongarije, Ierland, IJsland,
4
Italië (inclusief San Marino en Vaticaanstad),
Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Montenegro,
Nederland, Noorwegen, Polen,  Monaco,
Roemenië, Servië, Slowakije, Slovenië, Spanje,
Zweden, Zwitserland, Turkije, Oekraïne, Verenigd
Koninkrijk.
Belangrijk
Alle informatie is gedetailleerd beschikbaar op
de Ducati-website van uw land.
Telefoonnummers van de centrales
De nummers die u kunt bellen om de bovenstaande
services aan te vragen zijn:
Andorra +34-91-594 93
40
+34-91-594 93
40
 0800-22 03 50 +43-1-25 119
19398
België 0800-14 134 +32-2-233 22 90
 (02)-986 73 52 +359-2-986 73 52
Cyprus 22 31 31 31 +357-22-31 31 31
Kroatië 0800-79 87 +385-1-464 01 41
Denemarken 80 20 22 07 +45-80 20 22 07
Estland (0)-69 79 199 +372-69 79 199
Finland (09)-77 47 64 00 +358-9-7747640
0

(+Corsica)
0800-23 65 10 +33-4-72 17 12 83
FYROM (02)-3181 192 +389-2-3181 192
Duitsland 0800-27 22 774 +49-89-76 76 40
90
Gibraltar 91-594 93 40 +34-91-594 93
40
Griekenland (210)-9462 058 +30-210-9462
058
Ierland 1800-304 500 +353-1-617 95 61
 5 112 112 +354-5 112 112
Italië 800.744.444 +39 02
66.16.56.10
Letland 67 56 65 86 +371-67 56 65 86
Litouwen (85)-210 44 25 +370-5-210 44 25
Luxemburg 25 36 36 301 +352-25 36 36
301
Malta 21 24 69 68 +356-21 24 69 68
5
Monaco +33-4-72 17 12 83 +33-4-72 17 12 83
Montenegro 0800-81 986 +382-20-234 038
Noorwegen 800-30 466 +47-800-30 466
Nederland 0800-099 11 20 +31-70-314 51 12
Polen 061 83 19 885 +48 61 83 19 885
Portugal 800-20 66 68 +351-21-942 91
05
Verenigd Ko‐
ninkrk
00800-33 22 88
77
00800-33 22 88
77
Tsjechië 261 10 43 48 +420-2-61 10 43
48
Roemenië 021-317 46 90 +40-21-317 46 90
Servië (011)-240 43 51 +381-11-240 43
51
Slowake (02)-492 05 963 +421-2-49 20 59
63
Slovenië (01)-530 53 10 +386-1-530 53 10
Spanje 900-101 576 +34-91-594 93
40
Zweden 020-88 87 77 +46-771-88 87 77
(+46 8 5179 2873
Zwitserland
(+Liechten‐
stein)
0800-55 01 41 +41 58 827 60 86
Turke (216) 560 07 50 +90 216 560 07
50
Oekraïne 044-494 29 52 +380-44-494 29
52
Hongare (06-1)-345 17 47 +36-1-345 17 47
6
Inhoud
Informatie over de garantie............12
Algemene garantievoorwaarden ................... 12
Infotainment .................................... 20
Infotainment (indien aanwezig).................... 20
Koppelen en beheren van Bluetooth-
apparaten (indien aanwezig) .......................... 21
Telefoon (indien aanwezig) ............................. 31
Muziek (indien aanwezig) ...............................36
Algemene informatie...................... 39
Acroniemen en die in de
handleiding zijn gebruikt ................................39
Waarschuwingssymbolen die in deze
handleiding gebruikt worden .........................39
Toegestaan gebruik......................................... 40
Verplichtingen van de bestuurder................ 42
Scholing van de bestuurder........................... 43
Kleding............................................................... 44
"""Best Practices"" voor uw veiligheid" ....... 45
Tanken ................................................................47
Rijden met volle bepakking........................... 49
Informatie omtrent de te vervoeren
lading ................................................................. 49
Gevaarlijke producten - waarschuwingen... 50
Identificatienummer ....................... 52
Identificatienummer motor............................53
Versies................................................................ 54
De belangrijkste elementen en
mechanismen ................................... 63
Plaats van deze elementen op de
 ..........................................................63
Dop op de ............................... 64
Zadelslot ........................................................... 65
De hoogte van het zadel regelen.................. 70
Behoud van de acculading ..............................73
Stopcontact .......................................................75
Zijstandaard.......................................................77
Zijstandaard.......................................................79
7
Bluetooth-regeleenheid................................. 80
Montage van de Ducati-zijtassen ................ 82
Gebruik van de zijtassen .................................91
USB-aansluiting .............................................. 95
Regeling van het windscherm....................... 96
Afstelling voorvork...........................................97
Achterdemper afstellen ............................... 100
Bedieningsorganen ....................... 102
Plaats van de bedieningsorganen op de
 ........................................................102
Stuurschakelaars ............................................103
Controle lampen .............................................105
Sleutels.............................................................109
Contactschakelaar en stuurslot .................... 111
Deblokkering  met pincode ........... 112
De koppelingshendel..................................... 115
De gashendel................................................... 116
De hendel van de voorrem.............................117
Het pedaal van de achterrem....................... 118
Het versnellingspedaal.................................. 119
De stand van het versnellingspedaal en
het achterrempedaal afstellen ....................120
 ................... 121
Voorzorgsmaatregelen tijdens de
inrijperiode van de ..................... 121
Controleren voor het ........................ 123
ABS....................................................................125
Motor .........................126
De en ermee rijden ......128 
Remmen ...........................................................129
De .................................131 
Parkeren ...........................................................132
Tanken ..............................................................134
Meegeleverde accessoires ............................136
Instrumentenpaneel
(Dashboard) ..................................... 137
Instrumentenpaneel ...................................... 137
Waarschuwingslampjes.................................138
Elementen van de hoofdschermen .............142
Hoofdfuncties en secundaire functies .......145
Aanduiding toerental.....................................147
Riding Mode ....................................................148
ABS.................................................................... 151
DTC....................................................................159
DQS - accessoire.............................................165
8
Functiemenu ................................................... 167
Verwarmde handgrepen.................................171
Activering / deactivering ABS ...................... 172
Instelmenu (SETTING MENU) .....................174
Aanpassing Rijstijl (RIDING MODE) ........... 176
Aanpassing van de rijstijl: Afstelling
motor ................................................................ 179
Aanpassing van de rijstijl: Instelling
DTC-niveau ...................................................... 181
Aanpassing van de rijstijl: Regeling ABS ...183
Aanpassing Rijstijl: activering /
deactivering DQS - accessoire......................185
Aanpassing van de rijstijl: Herstel
default instellingen (DEFAULT)...................187
Aanpassing van de rijstijl: Herstel
default instellingen (ALL DEFAULT)...........189
Activering PIN CODE (PIN CODE) ............... 191
Wijziging PIN CODE (PIN CODE).................195
Datuminstelling (DATE SETTING) .............200
Klokinstelling (CLOCK SETTING) ...............204
Instelling achtergrondverlichting
(BACKLIGHT)..................................................206
Instelling meeteenheden (UNITS
SETTING) ........................................................ 207
Aanduiding servicedrempels (SERVICE
INFO)................................................................. 213
Kalibratie banden en
koppelingsverhouding (TIRE
CALIBRATION) ................................................215
Beheer automatische uitschakeling
richtingaanwijzers (TURN INDICATORS) ...219
Digitale aanduiding toerental (RPM) .........221
Aanduiding accuspanning (BATTERY)....... 222
Vehicle Hold Control (VHC).......................... 223
Aanduiding onderhoud (SERVICE)............. 225
Indicatie OIL SERVICE nul ........................... 226
Aanduiding OIL SERVICE of SERVICE
DATE of DESMO SERVICE .......................... 227
Aanduiding OIL SERVICE of SERVICE
DATE of DESMO SERVICE countdown ..... 228
Waarschuwingen / Alarmen (Warning) ..... 229
Weergave foutmeldingen .............................233
Belangrijkste gebruiks- en
onderhoudswerkzaamheden....... 234
Koelvloeistof controleren en eventueel
bijvullen........................................................... 234
Rem- en koppelingvloeistof........................ 236
Controle van de slijtage van de
remblokken..................................................... 238
De accu opladen............................................. 239
9
De spanning van de 
controleren...................................................... 242
De smeren........................... 245
De hoogte van de koplamp afstellen......... 250
Vervangen van lampen grootlicht en
dimlicht............................................................ 252
Kentekenplaatverlichting ............................ 254
Het afstellen van de achteruitkijkspiegels 255
Tubeless banden............................................ 256
Het peil van de motorolie controleren ...... 258
Algemene reiniging....................................... 260
De een lange tijd niet
gebruiken ........................................................ 263
Belangrijke waarschuwingen....................... 263
Vervoer van ..................................... 265
Geprogrammeerd
onderhoudsplan............................. 266
Geprogrammeerd onderhoudsplan:
werkzaamheden die door de dealer
verricht moeten worden ............................... 266
Geprogrammeerd onderhoudsplan:
werkzaamheden die door de eigenaar
verricht moeten worden ............................... 270
Technische kenmerken ..................271
Gewicht............................................................. 271
Afmetingen..................................................... 272
Brandstof .........................................................273
Motor ............................................................... 275
Distributie ....................................................... 276
Prestaties .........................................................277
Bougies.............................................................277
Voeding.............................................................277
Remmen ...........................................................277
Overbrenging.................................................. 278
Frame............................................................... 279
Wielen.............................................................. 279
Banden ............................................................280
Ophangingen..................................................280
Uitlaat .............................................................. 280
Verkrijgbare kleuren......................................280
Elektrische installatie ...................................282
Open source ...................286
Informatie over de open source .286
Verklaringen van conformiteit .... 287
10
Verklaringen van conformiteit .................... 287
11
Informatie over de
garantie
Algemene garantievoorwaarden
1. Inhoud van de conventionele garantie
1.1. Ducati Motor Holding S.p.A. -
Eenpersoonsvennootschap - Onderneming van de
Audi-groep, gevestigd in Via Cavalieri Ducati n. 3,
40132, Bologna, Italië (hierna “Ducati”), 
in alle landen ter wereld waar zij aanwezig is met haar
 servicenetwerk (lijst beschikbaar op de site
www.ducati.com), haar nieuwe 
geproduceerd voor gebruik op de weg, gedurende
een periode van vierentwintig (24) maanden zonder
kilometerbeperking, vanaf de datum van levering
van de aan de eerste eigenaar, tegen
fabricagefouten die door Ducati vastgesteld en
erkend zijn.
1.2. In dergelijke gevallen de Klant recht op
reparatie of kosteloze vervanging van de defecte
onderdelen.
1.3. Defecte onderdelen die onder garantie
vervangen worden, worden het eigendom van
Ducati.
1.4. Nieuwe onderdelen die onder garantie
vervangen of gerepareerd worden, vallen onder de
garantie voor de rest van de garantieperiode van de

1.5. Bovendien zal Ducati in de landen die in de
“Gebruiks- en onderhoudshandleiding” worden
vermeld, de Klant gratis, via een specifieke
verzekeringspolis, aanvullende wegenwacht- en
medische hulpdiensten ter beschikking stellen,
volgens de specifieke voorwaarden en procedures
die daarin worden vermeld.
1.6. Deze algemene garantievoorwaarden (hierna
“Garantievoorwaarden”) doen geen afbreuk aan de
dwingende rechten die de fysieke persoon die door
zijn of haar nationale wetgeving als “consument”
wordt omschreven, worden toegekend. Met name in
de landen die tot de Europese Unie behoren, blijven
de nationale bepalingen tot en
tenuitvoerlegging van Richtlijn 99/44/EG (in Italië,
de Italiaanse wetsverordening D.Lgs. 206 van 6
september 2005, nr. 206 - Consumentenwet)
onaangetast. Indien een clausule van deze
Garantievoorwaarden in strijd is met een dwingende
12
regel van het land waar de “consument” woont of
gedomicilieerd is, zal die clausule beschouwd
worden als niet opgenomen.
2. Uitzonderingen
2.1. Deze door Ducati aangeboden garantie is niet
van toepassing:
a) op de die niet ten volle het
geplande onderhoudsschema, zoals voorzien in
de gebruikershandleiding, uitgevoerd;
b) op de waarop onderhouds- of
reparatiewerkzaamheden op onjuiste wijze zijn
uitgevoerd door andere dan de Ducati
Dealer en/of Erkende Ducati garages;
c) op gebreken uit
 in de verzorging van de

d) op defecten aan onderdelen die aan slijtage of
achteruitgang onderhevig zijn ten gevolge van
het normale gebruik van de (zoals
bijvoorbeeld: banden, filters, lampen,
secundaire overbrenging, riemen,
draadontspanners, bougies, onderdelen
onderhevig aan wrijving zoals de koppeling en
remschijven en -blokken, enz.);
e) op uiterlijke gebreken aan gelakte of
verchroomde oppervlakken, zoals oxidatie van
de en/of de onderdelen ervan,
natuurlijke verkleuring, enz;
13
f) op gebreken aan de accu van de  als
deze niet goed wordt onderhouden met een
Ducati acculader;
g) indien de wordt gebruikt voor
 van welke aard dan ook of op
schade die het gevolg is van oneigenlijk gebruik
van de op het circuit of op de weg;
h) op de waaraan wijzigingen zijn
aangebracht die niet zijn goedgekeurd door de
fabrikant, of die op enige wijze is gemanipuleerd
en/of bewerkt om de prestaties ervan te
wijzigen, of waarvan de is
gemanipuleerd;
i) op de die wordt gebruikt in
commerciële of verhuurdiensten of anderszins
wordt gebruikt voor beroepsmatig gebruik;
j) op de die is uitgerust met
reserveonderdelen of accessoires die geen
originele Ducati onderdelen zijn of die niet door
Ducati zijn goedgekeurd;
k) op het gebruik van smeermiddelen met
specificaties die niet overeenkomen met de
instructies van Ducati voor de 

l) op het niet naleven van de  voor
het gebruik van de en de uitrusting
ervan, zoals aangegeven in de Gebruiks- en
onderhoudshandleiding;
m) op wijzigingen aan de die door de
Klant en/of derden zijn aangebracht zonder de
uitdrukkelijke toestemming van Ducati;
n) indien de Klant de terugroep- en/of
actualiseringsprogramma's die eventueel door
Ducati voor de zijn opgesteld, niet

3. Verplichtingen van de Klant
3.1. Om deze garantie geldig van kracht te laten
blijven, de Klant de plicht om:
a) defecten aan de binnen twee (2)
maanden na het moment waarop de klant de
defecten ontdekt  aan een van de erkende
Ducati Dealers en/of Garages te melden (lijst
beschikbaar op de website www.ducati.com).
b) voldoende documentatie te bewaren over alle
onderhouds- en/of reparatiewerkzaamheden
die aan het zijn uitgevoerd
(belastingbonnetjes/facturen met vermelding
van de uitgevoerde werkzaamheden en de
gebruikte onderdelen). Het is mogelijk om de
geschiedenis van het routine-onderhoud van uw
 te raadplegen op de website
14
www.ducati.com in de rubriek MyDucati of op de
MyDucati-app.
3.2. In geval van eigendomsoverdracht van de
 moet de nieuwe eigenaar, om deze
garantie te behouden, Ducati onmiddellijk op de
hoogte stellen van de verandering van eigenaar van
de door dit door te geven op de website
www.ducati.com in de sectie MyDucati of bij het
netwerk van erkende Ducati Dealers en/of Garages.
3.3. In geval van niet-naleving van de bepalingen van
de punten 3.1. en 3.2. hierboven, vervalt deze door
Ducati aangeboden garantie en de klant
het recht op de diensten.
4. Beperkingen van de aansprakelijkheid
4.1. Met uitzondering van de bepalingen van de
dwingende nationale reglementeringen die van
toepassing zijn op de “consument” en de relatieve
bepalingen over de verantwoordelijkheid van de
fabrikant, is Ducati niet verantwoordelijk in geval van
schade aan zaken en/of personen veroorzaakt door
de of tijdens het gebruik ervan.
4.2. Eventuele defecten of in de
reparatie of vervanging van de 
veroorzaakt door Ducati Dealers en/of Erkende
Garages geven de Klant geen recht op enige
vergoeding van Ducati, noch op enige uitbreiding
van de garantie zoals uiteengezet in deze
Garantievoorwaarden, onverminderd de rechten en
acties van de Klant met betrekking tot de Dealer en/
of de Erkende Garages die nalatig/verzuimend zijn.
4.3. Deze garantie, onder de hierin gespecificeerde
voorwaarden, is de enige conventionele garantie die
door Ducati geboden wordt.
4.4. Ducati behoudt zich het recht voor om
veranderingen en verbeteringen aan te brengen in
elk model van haar zonder de
verplichting om die veranderingen op reeds
verkochte door te voeren.
4.5. Deze Garantievoorwaarden worden ook
uitgebreid tot de volgende eigenaars van de Ducati
 op voorwaarde dat de bepalingen van
het voorgaande 3 worden nageleefd.
4.6. Behalve in het geval van “consument” of indien
anders bepaald door een dwingende bepaling die
van kracht is in het land van de Klant, is de Rechtbank
van Bologna, Italië, exclusief bevoegd voor alle
geschillen in verband met deze
Garantievoorwaarden.
4.7. Deze Garantievoorwaarden worden bepaald
door de Italiaanse wet.
15
5. Extra garantie en garantie-uitbreidingen
5.1 Afhankelijk van het product en het land kunnen
extra garanties worden gegeven of aangekocht (b.v.
4|Ever Multistrada, Factory Ever Red en Ever Red).
Raadpleeg voor dit detail het garantiecontract dat
uw Dealer u bij de overhandiging van uw nieuwe
motor aan de eerste eigenaar overhandigd, of
op de website www.ducati.com in de sectie MyDucati
of op de MyDucati-app.
6. Schema van geprogrammeerd onderhoud en
verrichtingen vóór de levering
6.1. De verrichtingen vóór de levering worden door de
verkoper uitgevoerd.
6.2. Ducati het plan voor gepland onderhoud,
gepubliceerd in de "Gebruiks- en
onderhoudshandleiding", opgesteld om het hoogst
mogelijke niveau van prestaties en
veiligheid van haar te handhaven.
6.3. De precieze uitvoering van de
 in de hieronder aangegeven
termen, is een noodzakelijke voorwaarde om het
 in een correcte gebruikstoestand te houden
en de van deze garantie te
garanderen. De volgende verplichte
 moeten tegen betaling worden
uitgevoerd:
eerste binnen zes (6)
maanden na de levering van de aan
de Klant of binnen de eerste 1.000 kilometer /
600 mijl afgelegde afstand;
tweede en volgende  bij het
bereiken van de uiterste kilometerstand die in
het onderhoudsplan is voorzien en in ieder geval
binnen twaalf (12) maanden na de voorgaande
 Alle kosten in verband met de
 (arbeidsloon en materiaal),
inclusief die van de eerste  van
de 1.000 km / 600 mijl afgelegde afstand, zijn
ten laste van de Klant.
6.4. Elk onderhoud aan de moet
uitgevoerd worden in overeenstemming met de
aanbevelingen en procedures van Ducati, zonder
enige beperking, met inbegrip van de procedures die
in de "Gebruiks- en Onderhoudshandleiding"
vermeld staan, Elk defect/schade aan het 
veroorzaakt door onjuist of onvoldoende onderhoud
zal de toepasbaarheid van de garantie uitsluiten.
6.5. Om de regelmatige uitvoering van de voor elk
onderhoud voorziene handelingen te is
16
het, naast de van de uitvoering van decertificering
onderhoudsbeurten door middel van specifieke
stempels en/of aantekeningen en/of digitale
registratie door de Dealer en/of erkende Ducati
Garage in het Serviceboekje en/of in de daarvoor
bestemde pagina van ducati.com, noodzakelijk om
de belastingbonnen/facturen met betrekking tot de
uitgevoerde te bewaren,onderhoudsbeurten
waarop de details van de uitgevoerde handelingen
vermeld staan; deze documentatie kan door de
Technische Assistentie van Ducati gecontroleerd
worden met het oog op het verlenen van de diensten
die in deze Garantievoorwaarden uiteengezet
worden.
6.6 Routineonderhoud wordt digitaal geregistreerd
door uw Ducati Dealer en is beschikbaar in de
MyDucati-app of op de ducati.com website.
17
Als u uw motor in Australië of Nieuw-Zeeland gekocht hebt
Let op
A reference to ‘you’ is a reference to the Customer.
If you purchased your motorbike in Australia:
Our goods come with guarantees that cannot be excluded under the Australian Consumer Law. You are
entitled to a replacement or refund for a major failure and compensation for any other reasonably fore‐
seeable loss or damage. You are also entitled to have the goods repaired or replaced if the goods fail to be
of acceptable quality and the failure does not amount to a major failure.
If you purchased your motorbike in New Zealand:
Our goods come with guarantees that cannot be excluded under the Consumer Guarantees Act 1993. You
are entitled to a replacement or refund for a failure of substantial character and compensation for any other
reasonably foreseeable loss or damage. You are also entitled to have the goods repaired or replaced if the
goods fail to be of acceptable quality and the failure does not amount to a failure of substantial character.
18
The benefits given to you by the warranty set out in this Owner’s manual are in addition to any other rights
and remedies you have under a law in relation to the motorcycle. If any provision of the general warranty
conditions set out in this booklet should exclude or limit any rights under the Australian Consumer Law or
the Consumer Guarantees Act 1993 (National Law), such provision is null and void. In circumstances where
your rights under the National Law are greater than your rights under the Warranty, Ducati will honour your
rights under the National Law.
To make a claim under the Warranty you must notify one of the Ducati Authorised Dealers and/or Works‐
hops listed in the “Dealer Locator” (available at www.ducati.com) of any defects of the motorcycle within
two (2) months of becoming aware of the defect. If you have any questions, you may contact Ducati ANZ Pty
Ltd ACN 636 589 430 at Level 6, 895 South Dowling Street, Zetland NSW 2017 or by email at contac‐
tus@ducati.com or by phone on 1300 11 26 06 (AU) / 0800 382 284 (NZ).
You must bear the expense of claiming under the Warranty.
19
Infotainment
Infotainment (indien aanwezig)
Als de Bluetooth-regeleenheid geïnstalleerd is,
wordt het infotainmentsysteem geactiveerd.
Met het infotainmentsysteem kunnen apparaten
zoals bestuurdershelm, 
 passagiershelm en navigatiesysteem via
Bluetooth worden aangesloten, zodat de bestuurder
inkomende en uitgaande telefoongesprekken kan
beheren en muziek kan afspelen via de 
Voor het koppelen en beheren van Bluetooth-
apparaten, zie pag. 21.
Voor het afhandelen van telefoongesprekken
zie pag. 31.
Voor het beheer van de muziekspeler, zie pag.
36.
20
Koppelen en beheren van Bluetooth-
apparaten (indien aanwezig)
Deze functie is alleen beschikbaar indien de
Bluetooth-regeleenheid geïnstalleerd is en dient
voor het beheer van Bluetooth-apparaten die al
toegevoegd zijn en het toevoegen van nieuwe
apparaten.
Selecteer met de knoppen (1) en (2) het item
“SETTING MENU” in het functiemenu (pag. 167) en
druk op de knop (4).
Kies de aanduiding "BLUETOOTH" met behulp van
de knop (1) of de knop (2).
Druk op de knop (4) als u de functie aangegeven
heeft.
Het BLUETOOTH-menu kan niet geopend worden
als de speler geactiveerd is, tijdens een inkomend
gesprek of tijdens een recall-functie.
1
24
Fig 1
21
Wanneer de functie geopend wordt, toont het
instrumentenpaneel het aantal aangekoppelde
apparaten (indien aanwezig) in plaats van de tijd met
een 1-cijferig nummer.
Dit nummer staat voor het aantal reeds
aangekoppelde apparaten (max. 5). Als er reeds 5
aangekoppelde apparaten zijn, wordt het volgende
getoond: “PAIRING” zonder de overeenkomstige
rand.
Als minstens één apparaat reeds aangekoppeld is,
wordt de naam van het eerste aangekoppelde
apparaat weergegeven. Als dit niet het geval is,
wordt “NO DEVICE” weergegeven.
Met de knoppen (1) en (2) kunt u achtereenvolgens
de menu-optie PAIRING (knipperende rand) en de
naam van het eerste aangekoppelde apparaat (als
minstens één apparaat reeds aangekoppeld is)
selecteren.
Als u nu op de knop (4) drukt:
kunt u één of meer Bluetooth-apparaten
aankoppelen als de menu-optie "PAIRING"
(knipperende rand) is geselecteerd;
kunt u reeds aangekoppelde apparaten wissen
wanneer de naam van het eerste apparaat
knippert;
Druk 2 seconden lang op de knop (2) om de functie af
te sluiten.
1
24
Fig 2
22
Associatie nieuw apparaat (Pairing)
Met deze functie kunt u met de bediening
"PAIRING" één of meer Bluetooth-apparaten
associëren (paren).
Stel het Bluetooth-apparaat zodanig in dat de
regeleenheid het kan vinden. Schakel het apparaat
vervolgens in en maak het zichtbaar.
Een Bluetooth-apparaat dat zichtbaar is gemaakt,
verzendt een draadloos signaal waardoor het door
andere apparaten kan worden gezien. Dit wordt
koppelen genoemd.
De is uitgerust met een Bluetooth-
regeleenheid die als een "brug" tussen de
verschillende ondersteunde elektronische
apparaten die een 
 hebben.
Opmerkingen
Er kunnen maximaal 2 1
bestuurdersheadset en 1 passagiersheadset en 1
navigatiesysteem gekoppeld worden.
Let op
De fabrikanten van en headsets
kunnen de standaardprotocollen gedurende de
levenscyclus van de apparaten en
headsets) wijzigen.
Let op
Ducati deze wijzigingen niet. Dit
kan echter van invloed zijn op de diverse functies van
de Bluetooth-headsets (delen van muziek, afspelen
van multimedia, enz.) en op bepaalde 
(naargelang de ondersteunde Bluetooth-profielen).
Daarom kan Ducati het afspelen van multimedia niet
waarborgen voor:
Alle headsets en die verkrijgbaar
zijn;
 die de vereiste Bluetooth-
profielen niet ondersteunen.
Verifieer of uw de volgende profielen
ondersteunt:
MAP-profiel: voor de correcte weergave van
mms- en sms-berichten;
PBAP-profiel: voor de correcte weergave van de
gegevens die zijn opgeslagen in het
telefoonboek van de 
23
De Pairing-functie kan met een druk op de knop (4)
worden geactiveerd wanneer de menu-optie
"PAIRING" (knipperende rand) (Fig 2) is
geselecteerd: met deze functie kunt u naar
aanwezige Bluetooth-apparaten zoeken.
Het instrumentenpaneel het zoeken naar de
apparaten op. Tijdens het zoeken het BT-
symbool, worden de 2 streepjes “- -” in de
snelheidsmeter weergegeven en wordt “WAIT..
weergegeven. Het koppelen wordt automatisch
onderbroken als de apparaten in de directe
omgeving gevonden zijn. Het zoeken 60
seconden.
1
24
Fig 3
24
Als het paren niet is gelukt, wordt “PAIR KO”
weergegeven. Nu kunt u met het 2 seconden
indrukken van de knop (2) terugkeren naar het vorige
scherm: in deze situatie kan uitsluitend het SETTING
MENU BLUETOOTH worden afgesloten en weer
worden betreden om opnieuw het koppelen te
verrichten.
1
24
Fig 4
25
Als het koppelen goed wordt verricht, toont het
instrumentenpaneel het gevonden aantal
apparaten en worden de namen (bewegend van
rechts naar links) van de gevonden apparaten
weergegeven.
Met een druk op de knoppen (1) en (2) kunt u langs de
apparaten in de lijst lopen en het gewenste apparaat
selecteren met een druk op de knop (4).
De lijst bevat twee of meer apparaten met dezelfde
naam als twee of meer gevonden apparaten
dezelfde naam hebben.
Als een gevonden apparaat geen naam  wordt
het niet in de lijst van de gevonden apparaten
weergegeven.
Opmerkingen
De lijst van de apparaten die tijdens het
koppelen gevonden worden, bevat geen apparaten
die reeds aangekoppeld zijn, ook al staat de
Bluetooth AAN.
Als een apparaat uit de lijst gekozen wordt, is het
nodig om het aangesloten type apparaat aan te
geven door het symbool te laten
knipperen met de knoppen (1) en (2) en het met de
knop (4) te bevestigen.
Dit zijn achtereenvolgens:
SMARTPHONE
BESTUURDERSHELM (1)
PASSAGIERSHELM (2)
NAVIGATIESYSTEEM
Op het display wordt "WAIT.." weergegeven wanneer
het type apparaat geselecteerd wordt en het aantal
aangekoppelde apparaten wordt bijgewerkt.
Als u een wilt aankoppelen, wordt het
aankoppelen met de Bluetooth-regeleenheid direct
op de verricht.
1
24
Fig 5
26
Mocht u een Bluetooth-navigatiesysteem willen
aansluiten, dient de procedure op het
navigatiesysteem te worden verricht door de
verbinding met de Bluetooth-regeleenheid van de
motorfiets te selecteren.
Als het apparaat aangekoppeld is, wordt
automatisch de hoofdweergave van het SETTING
MENU BLUETOOTH weergegeven.
Opmerkingen
Als de gebruiker binnen 90 seconden het
aankoppelen van het navigatiesysteem niet afrondt,
verdwijnt het scherm voor het aankoppelen van het
instrumentenpaneel en wordt de hoofdweergave
van het SETTING MENU BLUETOOTH weer
weergegeven.
27
“NO DEVICE” en het aantal “ZERO” worden
weergegeven als tijdens het koppelen geen enkel
apparaat wordt gevonden. Aangezien geen enkel
apparaat aangekoppeld is, wordt geen enkele icoon
van het geassocieerde type apparaat weergegeven.
Met de knoppen (1) en (2) kan de menu-optie
"PAIRING" (knipperende rand) worden gekozen om
het zoeken naar apparaten te herhalen met een druk
op de knop (4). Anders is het mogelijk om 2 seconden
lang op de knop (2) te drukken om terug te keren
naar het vorige scherm.
Het koppelen wordt gedeactiveerd zodra het
SETTING MENU BLUETOOTH wordt afgesloten, of
wanneer naast het gevonden apparaat geen andere
apparaten aanwezig zijn.
1
24
Fig 6
28
Eliminatie aangekoppeld(e) appara(a)t(en)
Met deze functie kunt u een aangekoppeld apparaat
verwijderen uit de lijst van de aangekoppelde
apparaten.
Open de functie BLUETOOTH en selecteer met de
knoppen (1) en (2) het apparaat dat u wilt verwijderen
uit de lijst die wordt weergegeven.
Druk op de knop (4) als u een apparaat gekozen
heeft. geeft Het instrumentenpaneel vervolgens
“DELETE” weer. Druk nu ter bevestiging opnieuw op
de knop (4) of druk 2 seconden op de knop (2) om het
wissen van het apparaat te annuleren. Op het
instrumentenpaneel wordt “WAIT” weergegeven
wanneer u het wissen van het apparaat bevestigt.
Als het wissen is voltooid, wordt het apparaat uit de
lijst verwijderd en wordt automatisch het aantal
aangekoppelde apparaten bijgewerkt.
Het instrumentenpaneel “NO DEVICE” weergeeft
dat er geen apparaten meer in de lijst aanwezig zijn.
24
Fig 7
29
Iconen van gekoppelde Bluetooth-apparaten
Eenmaal gekoppeld worden de Bluetooth-
apparaten als volgt weergegeven:
1) navigatiesysteem verbonden;
2) verbonden;
3) verbonden 
4) verbonden.
Er kunnen maximaal 4 apparaten worden
aangesloten.
4321
Fig 8
30
Telefoon (indien aanwezig)
Deze functie de lijst van de laatste gemiste,geeft
gemaakte of ontvangen oproepen weer en is alleen
aanwezig als de Bluetooth-module geïnstalleerd is
en een verbonden is.smartphone
De procedure voor het koppelen van Bluetooth vindt
u in het hoofdstuk “Koppelen en beheren van
Bluetooth-apparaten” (pag. 21).
Selecteer met de knoppen (1) en (2) het item “CALLS”
in het functiemenu (pag. 167) en druk op de knop (4).
Bij betreding van deze functie worden maximaal 7
gesprekken weergegeven. Dit kunnen gemiste,
gemaakte of ontvangen gesprekken zijn.
Het instrumentenpaneel toont de naam/namen of
de telefoonnummer(s). Met de knoppen (1) en (2)
kunt u door de lijst van de gesprekken gaan. Met een
druk op de knop (4) wordt de weergegeven naam of
het weergegeven nummer gebeld.
Het instrumentenpaneel “EMPTY” in hetgeeft
menu weer als de lijst geen gesprekken bevat.
Druk 2 seconden op de knop (2) om de functie af te
sluiten en naar het vorige scherm terug te keren.
1
24
Fig 9
1
24
Fig 10
31
Inkomende oproep
Tijdens het gesprek toont het instrumentenpaneel:
knipperend het symbool van de telefoon
inkomende oproep
de naam/het nummer van de inkomende oproep
het symbool van de telefoon boven de pijl
omhoog
het symbool van de telefoon afgesloten gesprek
onder de pijl omlaag
1
2
Fig 11
32
Oproep in uitvoering
Tijdens een gesprek worden het symbool van de
telefoon inkomende oproep, de naam/het nummer
van de inkomende oproep in het menu en het
symbool van de ronde cirkel gevolgd door "END"
weergegeven.
U kunt het gesprek beëindigen door op de knop (4) te
drukken.
Opmerkingen
Tijdens een lopend gesprek wordt de
muziekspeler op pauze gezet.
4
Fig 12
33
Terugbellen
5 seconden na het beëindigen van een gesprek
wordt de Recall-functie geactiveerd zodat u kunt
terugbellen: de pijl omhoog gevolgd door "YES"
wordt weergegeven en in het menu wordt de
aanduiding "RECALL?" weergegeven.
Druk binnen deze 5 seconden op knop (1) om de
Recall-functie te activeren.
Als deze 5 seconden verstreken zijn, wordt de recall-
functie gedeactiveerd.
Opmerkingen
Tijdens een lopend gesprek wordt de
muziekspeler op pauze gezet.
1
Fig 13
34
Gemiste oproep (A)
In geval van gemiste oproepen wordt het symbool
voor gemiste oproepen weergegeven.
Het symbool knippert 3 seconden en blijft daarna 57
seconden in beeld.
Het aantal gemiste oproepen wordt niet
weergegeven.
Ontvangen berichten (B)
Als er een bericht op de aangesloten issmartphone
ontvangen, verschijnt het symbool voor ongelezen
berichten op het scherm.
Het symbool 3 seconden en knippert blijft daarna 57
seconden in beeld.
Het aantal berichten wordt niet weergegeven.
A
B
Fig 14
35
Muziek (indien aanwezig)
Met deze functie is het mogelijk de muziekspeler te
beheren; de functie is alleen aanwezig als de
Bluetooth-module geïnstalleerd is en er een
smartphone verbonden is.
De procedure voor het koppelen van Bluetooth vindt
u in het hoofdstuk “Koppelen en beheren van
Bluetooth-apparaten” (pag. 21).
Selecteer met de knoppen (1) en (2) het item
“PLAYER” in het functiemenu (pag. 167):
1) Het instrumentenpaneel “PLAYER OFF”geeft
weer als de muziekspeler niet geactiveerd is. Om
hem te activeren en het menu van de
muziekspeler te openen, drukt u op de knop (4).
2) Het instrumentenpaneel “PLAYER ON”geeft
weer als de muziekspeler geactiveerd is. Druk 2
seconden lang op de knop (1) om het menu van
de muziekspeler te openen. Druk op de knop (4)
om de muziekspeler te deactiveren.
Opmerkingen
Tijdens een inkomend of lopend gesprek en de
recall-functie kan de functie Player niet geactiveerd
worden. De speler wordt uitgeschakeld zodra de
smartphone losgekoppeld wordt.
1
24
Fig 15
1
24
Fig 16
36
Als de muziekspeler geactiveerd is (PLAYER ON),
kunt u de regeling van de muziekspeler openen door
de knop (1) 2 seconden ingedrukt te houden.
In het menu wordt bewegend de naam van het
audiobestand weergegeven en wordt de grafische
weergave voor de regeling van de muziekspeler
geactiveerd.
Als het instrumentenpaneel geen informatie over de
naam van het muzieknummer ontvangt, zal
automatisch het muzieknummer dat afgespeeld
wordt in pauze worden gezet en wordt bewegend
"NOT AVAILABLE" weergegeven.
Het instrumentenpaneel altijd "NOTgeeft
AVAILABLE" weer als de geensmartphone
muzieknummers bevat die afgespeeld kunnen
worden.
Als de muziekspeler geactiveerd wordt en de
regeling van de muziekspeler geopend is, kunnen de
knoppen (1), (2) en (4) uitsluitend voor het bedienen
van de muziekspeler worden gebruikt.
Volume up: Een enkele druk op knop (1).
Volume down: Een enkele druk op knop (2).
Pauze / Play: De knop (4) 2 seconden lang
indrukken.
Doorgaan naar het volgende muzieknummer:
Een enkele druk op de knop (4). Elke keer dat u
op de knop drukt gaat u door naar het vorige
nummer.
Druk de knop (2) 2 seconden in om de regeling van de
speler af te sluiten (en de speler ingeschakeld te
houden): het instrumentenpaneel weer degeeft
aanduidingen "PLAYER" en "ON" weer. Het afsluiten
van de regeling van de muziekspeler houdt in dat:
de speler en het volume van de speler niet
langer op het instrumentenpaneel kunnen
worden geregeld;
1
24
Fig 17
37
de knoppen (1), (2) en (4) de normale werking

Opmerkingen
De muziek wordt afgespeeld op de
aangesloten via Bluetooth. Als de
intercoms voor de bestuurder en de passagier ook op
het instrumentenpaneel zijn aangesloten, wordt de
muziek via deze afgespeeld.
38
Algemene informatie
Acroniemen en die in deafkortingen
handleiding zijn gebruikt
ABS Antilock Braking System
BBS Black Box System
DSB Dashboard
DTC Ducati Traction Control
ECU Engine Control Unit
GPS Global Positioning System
VHC Vehicle Hold control
Waarschuwingssymbolen die in deze
handleiding gebruikt worden
Om de gevaren voor uzelf en voor anderen te
benadrukken zijn in deze handleiding verschillende
vormen van informatie toegepast, zoals:
 op de motor;
Veiligheidsmededelingen in combinatie met
een waarschuwingssymbool en de begrippen
LET OP of BELANGRIJK.
Let op
Het niet naleven van deze kan
gevaarlijke situaties en ernstig persoonlijk letsel met
mogelijk dodelijk gevolg aan de bestuurder of
andere personen veroorzaken.
Belangrijk
Er bestaat kans op schade aan de 
en/of de componenten ervan.
Opmerkingen
Meer informatie over de uit te voeren
werkzaamheden.
Alle verwijzingen naar RECHTS of LINKS gaan uit
van de rijrichting van de 
39
Toegestaan gebruik
Let op
Deze is ontworpen voor gebruik op
de openbare weg en voor gebruik op de onverharde
weg en licht  Zwaar 
wordt echter afgeraden. Daardoor kan de macht over
het verloren gaan en neemt het risico op
ongevallen toe.
Let op
Deze mag niet worden gebruikt
voor het slepen van een aanhanger of met een
zijspan, aangezien men daardoor de beheersing over
de kan verliezen en ongevallen kunnen
ontstaan.
Deze de bestuurder en kan een 
passagier vervoeren.
Let op
Het totaalgewicht van het in
rijklare toestand met bestuurder, passagier, bagage
en extra accessoires mag niet meer dan 465 kg/
1025.15 lb bedragen.
Let op
Het toelaatbare maximumgewicht van de
zijtassen, de topcase en de tanktas mag absoluut
niet meer dan 30 kg (66 lb) bedragen. Dit gewicht
dient als volgt te zijn verdeeld:
maximaal 10 kg (22 lb) per zijtas;
maximaal 5 kg (11 lb) in de Top Case;
maximaal 5 kg (11 lb) in de tanktas.
Let op
De toelaatbare maximumsnelheid met
zijtassen, top case en tanktas is 180 km/h (112 mph).
In ieder geval dienen de voorgeschreven
snelheidslimieten te worden nageleefd.
40
Belangrijk
Door het gebruik van de onder
extreme omstandigheden, zoals bijvoorbeeld op erg
  en modderige wegen of in droge en
omgevingen, kunnen componenten zoals de
transmissie, de remmen of het  sneller dan
gemiddeld verslijten. De motor kan beschadigd
raken als het vuil is. De  
of de vervanging van onderdelen die meer aan
slijtage onderworpen zijn, kan dus eerder nodig zijn
dan het interval dat in het geprogrammeerde
onderhoudsplan is gegeven.
41
Verplichtingen van de bestuurder
Elke bestuurder dient een rijbewijs te hebben.
Let op
Rijden zonder rijbewijs is illegaal en wordt
volgens de wet Controleer altijd of u uw
rijbewijs bij u  als u de  gebruikt. Laat
de motor niet gebruiken door onervaren bestuurders
of bestuurders die geen rijbewijs 
Rijd niet als u alcohol en/of verdovende middelen
 ingenomen.
Let op
Rijden onder invloed van alcohol en/of
verdovende middelen is illegaal en wordt volgens de
wet 
Neem geen geneesmiddelen in voordat u gaat
rijden, zonder dat u bij uw informatie over
eventuele bijwerkingen ingewonnen.
Let op
Bepaalde geneesmiddelen kunnen
slaperigheid of andere uitwerkingen hebben die het
reactievermogen en de beheersing van de
 door de bestuurder verlagen, waardoor
ongevallen kunnen ontstaan.
In bepaalde landen is een verzekering verplicht.
Let op
Verifieer de wetgeving van uw land. Sluit een
verzekering af en bewaar het verzekeringsbewijs
samen met de andere documenten van uw

In bepaalde landen is het gebruik van een
goedgekeurde helm die de veiligheid van de
bestuurder en/of de passagier beschermt, verplicht.
Let op
Verifieer de wetgeving van uw land, rijden
zonder helm kan worden 
Let op
Bij een ongeval neemt het risico op ernstig
letsel, met mogelijk dodelijke afloop, aanzienlijk toe
als u zonder helm rijdt.
42
Let op
Verifieer of de helm voldoet aan de
  goed zicht biedt,
om uw hoofd past (de juiste maat), en is voorzien van
het etiket met de specifieke goedkeuring die in uw
land toepasselijk is. De verkeerswetgeving 
per land. Verifieer de die in uw land van
toepassing zijn, alvorens u met de motor gaat rijden
en houd u altijd aan de regels ervan.
Scholing van de bestuurder
Vaak zijn ongevallen te wijten aan rijden zonder
ervaring. Het besturen, manoeuvres en remmen zijn
handelingen die van andere afwijken.
Let op
Een niet voorbereide bestuurder of een
verkeerd gebruik van het kan verlies over
het stuur, dodelijk letsel of ernstige schade
veroorzaken.
43
Kleding
De kleding die tijdens het gebruik van de 
wordt gedragen, is heel belangrijk voor uw veiligheid.
De beschermt de persoon niet in het
geval van een botsing met een ander 
Geschikte kleding bestaat uit: een helm,
oogbescherming, handschoenen, laarzen,
rugbescherming, een jas met lange mouwen en een
lange broek.
De helm moet voldoen aan de eisen beschreven
in “Verplichtingen van de bestuurder”. Gebruik
een geschikte bril als de helm geen vizier 
De handschoenen moeten zijn, 5
vingers hebben en moeten van leer of ander
wrijvingsbestendig materiaal zijn gemaakt,
voorzien zijn van knokkelbeschermers en
versterkingen op de vingers;
De laarzen of schoenen moeten een antislipzool
hebben en moeten de enkels beschermen;
De rugbeschermer moet zijn en
de juiste afmetingen hebben in
overeenstemming met de fysieke gesteldheid
van de bestuurder, volgens de specificaties van
de fabrikant;
De jas en de broek of het beschermende pak
moeten zijn en van leer of ander
wrijvingsbestendig materiaal zijn gemaakt en
moeten een duidelijk zichtbare kleur of duidelijk
zichtbare delen hebben. Kies producten met
 bescherming.
Belangrijk
Vermijd het gebruik van loshangende kleding
of accessoires die aan de organen van de motor
kunnen vasthaken.
Belangrijk
Voor uw veiligheid dient u deze kleding in de
zomer en in de winter te gebruiken.
Belangrijk
Voor de veiligheid van de passagier dient ook
deze persoon passende kleding te dragen.
44
"""Best Practices"" voor uw
veiligheid"
Voor, tijdens en na het gebruik dient u een aantal
eenvoudige handelingen te verrichten die zeer
belangrijk voor de veiligheid van personen en het
behouden van de van uw zijn. 
Belangrijk
Houd u tijdens de inrijperiode nauwgezet aan
de aanwijzingen in het hoofdstuk "Gebruiksnormen".
Het niet naleven van deze  
Ducati Motor Holding S.p.A. van elke vorm van
aansprakelijkheid voor eventuele schade aan de
motor en de levensduur ervan.
Let op
Ga niet met de rijden als u
onvoldoende ervaring met de bedieningen die
u tijdens het rijden nodig 
Verricht de controles beschreven in deze handleiding
alvorens u de motor (zie hoofdstuk “Controles
voorafgaand aan het 
Let op
Het niet verrichten van deze controles kan
schade aan het en ernstig letsel aan de
bestuurder en/of de eventuele bijrijder veroorzaken.
Let op
 de motor in de open lucht of in een
voldoende geventileerde ruimte. de motor
nooit in een gesloten ruimte.
De uitlaatgassen zijn en kunnen
bewusteloosheid of binnen zeer tijd zelfs een
dodelijke afloop tot gevolg hebben.
Neem tijdens het rijden een correcte houding aan.
Verzeker u ervan dat ook de passagier een correcte
houding aanneemt.
Belangrijk
De bestuurder dient ALTIJD de beide handen
op het stuur te houden.
Belangrijk
De bestuurder en de passagier dienen hun
voeten tijdens het rijden altijd op de voetsteunen te

45
Belangrijk
De passagier dient altijd de specifieke
handgrepen op het frame onder het zadel beet te
pakken.
Belangrijk
Let goed op bij het benaderen van kruisingen,
 of parkeerplaatsen en op de oprit van de
snelweg.
Belangrijk
Zorg ervoor dat u goed zichtbaar bent als u in
de "dode hoek" van voor u rijdt.
Belangrijk
Geef ALTIJD en tijdig met behulp van de
richtingaanwijzers aan dat u afslaat of dat u van
rijstrook verwisselt.
Belangrijk
Parkeer de met de zijstandaard op
dergelijke wijze dat er niet tegen kan worden
gestoten. Parkeer de nooit op een
onregelmatige of zachte ondergrond aangezien
deze daardoor om zou kunnen vallen.
Belangrijk
Controleer regelmatig of er geen barsten of
sneden in de banden vooral aan de zijkanten,
en of er geen verdikkingen of grote slijtageplekken
te zien zijn, hetgeen wijst op schade aan de
binnenkant van de band. Vervang de banden als
deze duidelijke tekens van schade 
Verwijder steentjes of ander vuil dat in de groeven
van de band is blijven 
Let op
De motor, de uitlaat en de uitlaatdempers
kunnen erg warm worden, ook als u de motor
uitgeschakeld  Raak de delen dus niet aan met
uw lichaam, pas goed op en parkeer het  niet
in de van ontvlambare materialen (met
inbegrip van hout, bladeren, enz.).
Dek de zolang de motor en het
uitlaatsysteem nog heet zijn, niet af met het zeil om
beschadiging ervan te voorkomen.
46
Tanken
Brandstoflabel
Brandstof identificatielabel
Tank in de buitenlucht en bij uitgeschakelde motor.
Roken en het gebruik van open vuur tijdens het
tanken is verboden.
Zorg ervoor dat u geen brandstof op de motor of de
uitlaat laat lekken.
Vul tijdens het tanken de nooit
helemaal: het brandstofpeil moet onder de
vulopening in de holte van de dop blijven.
Zorg ervoor dat u tijdens het tanken de
benzinedampen niet inademt en dat de brandstof
niet met de ogen, de huid of de kleding in aanraking
komt.
Let op
Het is uitsluitend compatibel met
brandstof met een maximum ethanolgehalte van
10% (E10).
Het gebruik van benzine met een ethanolgehalte
van meer dan 10% is verboden. Het gebruik van een
dergelijke brandstof kan ernstige schade aan de
motor en de onderdelen van de 
veroorzaken. U verliest het recht op garantie als u
benzine met een ethanolgehalte van meer dan 10%
gebruikt.
Fig 18
47
Let op
Blijf in de open lucht en raadpleeg onmiddellijk
een als u zich wegens het langdurig inademen
van de benzinedampen onwel voelt. Bij aanraking
met de ogen met ruim water spoelen en bij
aanraking met de huid onmiddellijk grondig met
water en zeep wassen.
Let op
Brandstof is erg ontvlambaar. Bij morsen de
verontreinigde kleding onmiddellijk 
48
Rijden met volle bepakking
Dit is ontworpen voor het veilig
afleggen van lange afstanden met volle bepakking.
Het goed verdelen van het gewicht van de lading op
het  is uiterst belangrijk om de veiligheid van
de te behouden en niet in moeilijkheden
te komen bij plotselinge stuurbewegingen of op
slecht wegdek.
Let op
De toelaatbare maximumsnelheid met
zijtassen, top case en tanktas is 180 km/h (112 mph).
In ieder geval dienen de voorgeschreven
snelheidslimieten te worden nageleefd.
Let op
Overschrijd het maximaal toegestane
totaalgewicht van de niet en houd
rekening met de hierna gegeven informatie over de
te vervoeren lading.
Informatie omtrent de te vervoeren
lading
Belangrijk
De zwaarste bagage of accessoires dienen zo
laag mogelijk en zo veel mogelijk in het midden van
het te worden vastgemaakt.
Belangrijk
Maak geen zware of grote voorwerpen vast aan
het stuur of het voorste spatbord, omdat dit de
 gevaarlijk uit evenwicht brengt.
Belangrijk
Bevestig de bagage aan de structuur van de
 Onvoldoende bevestigde bagage kan de
 uit balans brengen.
Belangrijk
Steek geen lading tussen de frameconstructie,
aangezien deze verstrikt kan raken in bewegende
delen van de 
Let op
Controleer of de bandenspanning
overeenstemt met de  en controleer of
de banden in goede staat verkeren.
49
Raadpleeg de paragrafen Tubeless banden in
Gebruikswijzen en belangrijkste onderhoud en
Banden in Technische specificaties.
Belangrijk
Als de zijtassen (op aanvraag verkrijgbaar bij de
reserveonderdelenservice van Ducati) gemonteerd
zijn, dienen de bagage en accessoires naargelang
hun gewicht te worden verdeeld en gelijkmatig te
worden aangebracht in de zijtassen. Sluit elke zijtas
met het specifieke slot.
Gevaarlijke producten -
waarschuwingen
Gebruikte motorolie
Let op
Gebruikte motorolie kan huidkanker
veroorzaken als de olie vaak en langdurig met de
huid in aanraking komt. We raden aan om de handen
zo spoedig mogelijk na de hantering met water en
zeep te wassen, als men dagelijks met gebruikte
motorolie in aanraking komt. Houd gebruikte
motorolie buiten het bereik van kinderen.
Remstof
Maak de remmen niet schoon met perslucht of
droge borstels.
Remvloeistof
Let op
De kunststof, rubberen of gelakte onderdelen
van de kunnen schade oplopen als demotorfiets
vloeistof erop terechtkomt. Bedek deze onderdelen,
elke keer dat u werkzaamheden verricht, met een
schone lap, alvorens u het systeem onderhoudt.
Houd gebruikte motorolie buiten het bereik van
kinderen.
Let op
De vloeistof van het remcircuit is bijtend. Was
bij aanraking met de remvloeistof de ogen en de
huid grondig met stromend water.
Koelvloeistof
De koelvloeistof van de motor bevat ethyleenglycol.
Onder bepaalde omstandigheden is deze stof
brandbaar en is de vlam ervan niet zichtbaar. Als
ethyleenglycol vlam vat, is de vlam niet zichtbaar,
50
maar kan desondanks ernstige brandwonden
veroorzaken.
Let op
Giet geen koelvloeistof over de uitlaat of delen
van de motor.
Deze delen kunnen dusdanig warm zijn dat ze de
vloeistof kunnen ontsteken. De vloeistof brandt
zonder zichtbare vlammen. Koelvloeistof
(ethyleenglycol) kan huidirritatie veroorzaken en is
 bij inname. Houd gebruikte motorolie buiten
het bereik van kinderen. Draai de dop van de radiator
niet los zolang de motor warm is. De koelvloeistof
staat onder druk en kan brandwonden veroorzaken.
Houd uw handen en kleding buiten bereik van de
koelventilator aangezien deze automatisch wordt

Accu
Let op
De accu explosieve gassen af. Houd
vonken, open vuur en op een afstand.
Controleer tijdens het opladen van de accu of de
ruimte voldoende geventileerd wordt en of de
omgevingstemperatuur lager is dan 40° C (104° F).
Probeer de accu niet te openen: de accu met
zuur of andere te worden gevuld.
51
Identificatienummer voertuig
Opmerkingen
Deze nummers geven het model van de
motorfiets aan en dienen te worden vermeld bij het
bestellen van reserveonderdelen.
Fig 19
# B 0 0 0 0 0 1
DUCATI
TYPE OF
MOTORCYCLE
MODEL
YEAR
PLANT OF
MANU FACTURE
SEQUENTIAL
NUMBER
{
{
{
# Varies-can be Ø thru 9 or X (Check digit)
ZDM 2 A 0 2 A A
Fig 20
52
Identificatienummer motor
Opmerkingen
Deze nummers geven het model van de
motorfiets aan en dienen te worden vermeld bij het
bestellen van reserveonderdelen.
Fig 21
53
Versies
Vier specifieke  bedoeld voor
het benadrukken van de verschillende karakters van
de Vier uitrustingen die onderling
gecombineerd kunnen worden, die de Multistrada
V2 voorzien van de persoonlijkheid die bij u
past.
TOURING;
SPORT;
URBAN;
ENDURO.
De informatie in deze handleiding verwijst naar de
Multistrada V2 in Touring-versie. Informatie over
andere versies (SPORT, URBAN en ENDURO) wordt
alleen gegeven als deze afwijken van deze versie.
54
TOURING
1
2
3
Fig 22
55
TOURING
1) Set met een totale inhoud van 58 l
(12.76 UK gal) (15.32 US gal);
2) Zijstandaard;
3) Verwarmde handgrepen.
56
SPORT
2
1
Fig 23
57
SPORT
1) Goedgekeurde "Termignoni"-uitlaatdemper van
carbon (voldoet aan de voorschriften van EU-
landen);
2) Tankdeksels koppeling- en remvloeistof van
monoblok aluminium.
58
URBAN
1
2
4
3
Fig 24
59
URBAN
1) Top Case met een inhoud van 48 liter (12.98 gal);
2) Halfharde tas met snelbevestigingssysteem;
3) USB-hub voor het opladen van elektronische
apparatuur;
4) Flens tankstas.
60
ENDURO
1) Extra koplampen;
2) Motorbescherming van stalen buizen;
3) Beschermrooster voor de radiator;
4) Set 
5) Vergrotende basisplaat voor standaard.
62
De belangrijkste
elementen en
mechanismen
Plaats van deze elementen op de
motorfiets
1) Dop op de 
2) Zadelslot.
3) Zijstandaard.
4) Stopcontact.
5) Achteruitkijkspiegels.
6) Stelmechanisme voor de voorvork.
7) Stelmechanisme voor de schokdemper achter.
8) Katalysator.
9) Uitlaatdemper.
10) USB-aansluiting.
11) Middenstandaard
12) Windscherm.
3
6
7 97
6 4
2 1011854
5 112
Fig 26
63
Dop op de 
Openen
Open het klepje (1) op en steek de actieve of passieve
sleutel in het slot. Ontgrendel het slot door de
sleutel 1/4 slag rechtsom te laten draaien.
De dop openmaken (2).
Sluiten
De dop (2) sluiten met de sleutel en hem goed op zijn
plaats aanbrengen. Verwijder de sleutel en verwijder
het beschermdekseltje (1) voor het slot.
Opmerkingen
U kunt de dop enkel met de sleutel afsluiten.
Let op
Verzeker u er altijd van dat de dop isperfect
aangebracht en is gesloten.
1
Fig 27
2
Fig 28
64
Zadelslot
U kunt het passagierszadel verwijderen als u het slot
(1) heeft geopend. In dit geval heeft u toegang tot de
ruimte voor de gereedschapskit worden bereikt.
Door hetzelfde slot te openen kunt u het
bestuurderszadel verwijderen voor toegang tot de
accu en de andere systemen.
Het passagierszadel demonteren
Steek de sleutel in het slot (1) en draai hem rechtsom,
totdat de borging van het passagierszadel hoorbaar
losklikt.
Til voor het verwijderen van het passagierszadel (2)
de voorzijde op en schuif het zadel naar voren en
omhoog zodat u de haak achter (3) onder het zadel
los haalt.
1OPEN
Fig 29
2
3
Fig 30
65
Het bestuurderszadel demonteren
Om het bestuurderszadel (4) te verwijderen, 
u het naar achteren uit de geleiders (5) en
 naar boven.
Schuif het zadel (4) naar achteren en tegelijk naar
boven en maak het los van de geleiders (5).
4
Fig 31
5
Fig 32
66
Nu de zadels verwijderd zijn, heeft u toegang tot de
connector (10) voor de acculader.
Om hem te gebruiken, verwijdert u hem van de klem
(X) en sluit u hem aan op de acculader (11), zoals
beschreven in het hoofdstuk “Behoud van de
acculading”
10 11X
Fig 33
67
Het bestuurderszadel terugplaatsen
Plaats het bestuurderszadel (4) op het envoertuig
zorg ervoor dat deze correct in de geleiders (5)
worden gevoerd.
7
4
8
Fig 34
5
Fig 35
68
Controleer of het zadel goed geplaatst is (4).
Het passagierszadel terugplaatsen
Breng het passagierszadel (2) aan op het
 door het lipje (3) aan de brengen in de
ruimte (8) voor de gereedschapskit.
Druk het passagierszadel (2) omlaag om de pen (9)
van het zadelslot te vergrendelen.
Controleer de borging door het passagierszadel (2)
rustig omhoog te trekken.
Trek de sleutel uit het slot.
44
55
Fig 36
2
39
8
Fig 37
69
De hoogte van het zadel regelen
De wordt met verhoogde zadelsmotorfiets
verkocht. De hoogte van de zadels kan echter
worden verlaagd.
Om de zadels lager in te stellen, dienen ze te worden
verwijderd zoals aangegeven in het hoofdstuk
“Zadelslot”.
Monteer de elastische band (1) op het
passagierszadel.
Verwijder de beugel (3) en de twee banden (2) van het
passagierszadel door de schroeven (4) en de
schroeven (5) los te draaien.
1
Fig 38
3
2 4
4
2
65
Fig 39
70
Plaats het passagierszadel op de Hetmotorfiets.
zadel is in de lagere stand geplaatst.
Om het zadel hoger in te stellen, dienen de zadels te
worden verwijderd zoals aangegeven in het
hoofdstuk “Zadelslot”.
Demonteer de elastische band (1) van het
passagierszadel.
Monteer de twee banden (2) op het zadel door de
tanden (A) en (B) in de sleuven (C) aan te brengen.
1
Fig 40
BA
C
C
Fig 41
71
Monteer de beugel (3) en draai het volgens de
aanwijzingen van de afbeelding. Zorg ervoor dat de
lipjes (D) op de plaatsen (E) worden aangebracht.
Breng de schroeven (4) en de schroeven (5) in de
banden (2) aan en draai ze vast.
Plaats de beide zadels terug zoals aangegeven in het
hoofdstuk “Zadelslot”.
D
C C
Fig 42
3
2 4
4
2
65
Fig 43
72
Behoud van de acculading
Uw  is voorzien van een connector (1), onder
het zadel, waar u een speciale acculader (2) op kunt
aansluiten (accu-Onderhoudskit 69928471A -
(Europa), 69928471AW (Japan), 69928471AX
(Australië), 69928471AY (UK), 69928471AZ (USA)
verkrijgbaar bij onze dealers).
Haal de connector (1) uit de klem (A) en sluit hem aan
op de (2).
Opmerkingen
De elektrische installatie van het model is op
dergelijke wijze ontworpen dat bij een uitgeschakeld
instrumentenpaneel het verbruik erg laag is.
Desondanks loopt de accu uit zichzelf een beetje
leeg. Dit fenomeen is fysiologisch en wordt
beïnvloed door de tijd waarin de motor "niet
gebruikt" wordt en door de
omgevingsomstandigheden.
Belangrijk
Als de accu niet met de speciale acculader op
een minimum spanningswaarde gehouden wordt,
zal sulfatering optreden. Dit proces is onherstelbaar
en veroorzaakt de achteruitgang van de prestaties
van de accu.
1
Fig 44
1 2A
Fig 45
73
Tijdens perioden dat de niet wordt
gebruikt (langer dan ca. 30 dagen) raden we u aan om
de Ducati acculader (accu-Onderhoudskit) te
gebruiken. Deze acculader is voorzien van
elektronica die de accuspanning en die
een maximum laadstroom van 1,5 Ampère/uur
 Sluit de lader aan op de
diagnoseconnector.
Opmerkingen
Het gebruik van acculaders die niet door Ducati
goedgekeurd zijn, kan schade aan de elektrische
installatie van de motor veroorzaken. De garantie
dekt schade aan de accu niet als blijkt dat deze
schade wegens de bovenstaande redenen en dus
vanwege verkeerd onderhoud veroorzaakt is.
74
Stopcontact
De is voorzien van twee 12V-motorfiets
stopcontacten die worden beschermd door een
zekering die in de zekeringkast achter is
aangebracht.
Deze zekering biedt bescherming tegen
overbelastingen op de lijn:
stopcontact (1);
stopcontact (2);
mistlampen (indien aanwezig);
USB-aansluiting;
Bluetooth-regeleenheid (indien aanwezig).
Hieronder geven we de maximale stroom die door de
stopcontacten kan worden opgenomen (dit is de
som van de stroom in stopcontact (1) + de stroom in
stopcontact (2)):
5A, als mistlampen aanwezig zijn;
9A, als geen mistlampen aanwezig zijn.
De zekering van de lijn zal doorslaan als grotere
ladingen worden aangesloten.
Belangrijk
Laat bij uitgeschakelde motor niet gedurende
lange tijd de accessoires aangesloten, omdat
hierdoor de accu van de kan ontladen.motorfiets
75
De stopcontacten bevinden zich links vooraan (1) op
het dashboard en onder het passagierszadel (2).
1
Fig 46
2
Fig 47
76
Om de standaard weer op de ruststand te 
(horizontale stand), buigt u de naar
rechts en haalt u de standaard (1) met
de wreef van de voet omhoog.
Voor een optimale functionering van het scharnier
van de zijstandaard moeten de wrijvingspunten met
het vet SHELL Alvania R3 worden gesmeerd nadat
het vuil is verwijderd.
Let op
Niet op de blijven als deze op 
de zijstandaard geparkeerd is.
Opmerkingen
Wij raden u aan om regelmatig te controleren
of het systeem waarmee de zijstandaard in de
ruststand (twee in elkaar gedraaide 
trekveren) en de veiligheidssensor (2) goed
functioneren.
Opmerkingen
Men kan de motor  als de
zijstandaard uitgeklapt is en de versnelling in zijn vrij
staat, of als de koppelinghendel is ingetrokken en de
motor in de versnelling staat (in dit geval moet de
zijstandaard ingeklapt zijn).
78
Zijstandaard
Gebruik altijd de standaard (1) om de 
stabiel te parkeren. De structuur ondersteunt de
 ook als deze volledig is bepakt.
Let op
Voordat u de standaard gebruikt,  u
of het oppervlak waarop u deze wenst te 
stevig en vlak genoeg is.
Duw met de rechtervoet op het steunvlak (2) van de
standaard, tot deze op de grond is geplaatst. Trek
vervolgens de  omhoog en naar achteren.
Plaats de standaard weer in de ruststand door het
stuur van de beet te pakken en de
 vooruit te duwen tot het achterwiel de
grond raakt. De standaard klapt automatisch in.
Let op
Verifieer altijd of de standaard in de ruststand
is geplaatst alvorens te gaan rijden.
1
2
Fig 50
1
Fig 51
79
Bluetooth-regeleenheid
Op de kan een Bluetooth-regeleenheid
worden geïnstalleerd die als een "brug"
tussen de verschillende ondersteunde elektronische
apparaten die een 
 gebruiken.
De Bluetooth-regeleenheid kan worden kocht bij
een Dealer of een Erkende Ducati Garage.
Let op
De fabrikanten van en headsets
kunnen de standaardprotocollen gedurende de
levenscyclus van de apparaten en
headsets) wijzigen.
Let op
Ducati deze wijzigingen niet. Dit
kan echter van invloed zijn op de diverse functies van
de Bluetooth-headsets (delen van muziek, afspelen
van multimedia, enz.) en op bepaalde 
(naargelang de ondersteunde Bluetooth-profielen).
Daarom kan Ducati het afspelen van multimedia niet
waarborgen voor:
Alle headsets en die verkrijgbaar
zijn;
 die de vereiste Bluetooth-
profielen niet ondersteunen.
Verifieer of uw de volgende profielen
ondersteunt:
MAP-profiel: voor de correcte weergave van
mms- en sms-berichten;
PBAP-profiel: voor de correcte weergave van de
gegevens die zijn opgeslagen in het
telefoonboek van de 
80
Let op
Ducati garandeert niet dat navigatiesystemen
die niet zijn voorzien van de volgende kits correct
kunnen worden aangesloten op het Ducati
Multimedia System:
Navigatiesysteem Ducati Zumo 350
Navigatiesysteem Ducati Zumo 390
Navigatiesysteem Ducati Zumo 395
81
Montage van de Ducati-zijtassen
Montage van de zijtassen
Steek de sleutel in het slot van de tas en draai de
sleutel rechtsom.
Klap de handgreep van de tas omhoog zodat het
vergrendelmechanisme van de tas naar achteren
beweegt.
Fig 52
A
Fig 53
82
Breng de tas op correcte wijze op diens plaats aan en
zorg er daarbij voor dat de haken volledig in hun
 zijn aangebracht.
Fig 54
Fig 55
83
Duw de tas helemaal naar voren (in de richting van
het voorwiel). Uitsluitend in deze stand kan de
handgreep (A) van de tas omlaag worden geklapt,
zodat de tas op de plaats wordt geblokkeerd. Deze
handeling waarborgt de blokkering van de tas op de
bevestigingspunten.
Draai de sleutel linksom om de handgreep te
blokkeren en neem de sleutel uit.
Verzeker u ervan dat de tas goed is bevestigd door
voorzichtig aan de zijkant van de tas te trekken en
ook de kantelende beweging ervan de controleren.
Handel op dezelfde manier voor de montage van de
andere zijtas.
Als beide tassen zijn geïnstalleerd, controleer dan de
kantelbeweging van beide, en verplaats ze naar
rechts en naar links, aan de achterzijde van de
tassen.
Als u problemen ondervindt met de beweging, neem
dan contact op met een Ducati Dealer of een
erkende Ducati garage.
Let op
Let op de veilige positionering van de handen
tijdens de kantelbewegingscontrole.
Fig 56
A
Fig 57
84
Let op
Als de Top Case ook is gemonteerd, ga dan na
het vergrendelen van het slot en het verwijderen van
de sleutel, verder met het controleren van de
zijdelingse kantelbeweging, door deze naar rechts
en links te verplaatsen. Als u problemen ondervindt
met de beweging, neem dan contact op met een
Ducati Dealer of een erkende Ducati garage.
85
Let op
Zorg er altijd voor dat de tassen op de juiste
manier op het worden aangebracht envoertuig
vastgezet.
Let op
Zorg ervoor dat het gewicht van de tassen aan
beide zijden gelijkmatig is verdeeld om te
voorkomen dat er problemen ontstaan met het
evenwicht van het voertuig.
Let op
Installeer beide zijtassen; het is om
veiligheidsredenen niet toegestaan om slechts één
ervan te installeren.
Let op
Plaats geen voorwerpen op het zadel en zorg
ervoor dat u geen voorwerpen aan de bevestiging
van de tassen of de bovenkant van de top case
vastmaakt.
Fig 58
86
Let op
Controleer het maximaal toegestane gewicht
en de maximaal toegestane snelheid, afhankelijk
van de uitgevoerde installatieconfiguratie (zijtassen
en/of Top Case en/of tanktas). Controleer de
instellingen en snelheidswaarden in het hoofdstuk
"Rijden met volle bepakking" en de gewichten in het
hoofdstuk "Gewichten" in de paragraaf "Technische
kenmerken".
Let op
Nadat u de lading van het hebt
vastgesteld, u de bandenspanning en
past u deze zo nodig aan zoals beschreven in het
hoofdstuk "Banden" in het hoofdstuk Technische
gegevens.
87
Let op
Let op en controleer het gewicht van het
 volgens de vastgestelde normen, op basis
van de waarden beschreven in het hoofdstuk
“Gewichten” van het hoofdstuk “Technische
specificaties.
Let op
De zal minder goed renderen en de
handelbaarheid neemt af waardoor u er de controle
over kunt verliezen als u de zwaarder
belast dan voorgeschreven is.
Let op
De maximaal toegestane snelheid 
afhankelijk van de op het gemonteerde
belading:
- met de topcase en de tanktas gemonteerd of met
alleen de zijtassen en de tanktas gemonteerd, is de
maximaal toegestane snelheid 180 km/u (112 mph);
De snelheden zullen evenwel moeten worden
aangepast aan de limieten.
Let op
Het toelaatbare maximumgewicht van de
zijtassen, de topcase en de tanktas mag absoluut
niet meer dan 30 kg (66.13 lb) bedragen. Dit gewicht
dient als volgt te zijn verdeeld:
maximaal 10 kg (22 lb) per zijtas (7);
maximaal 5 kg (11 lb) in de Top Case (8);
maximaal 5 kg (11 lb) in de tanktas.
78
Fig 59
88
Afnemen van de zijtassen
Steek de sleutel in het slot van de tas en draai de
sleutel rechtsom.
Klap de handgreep van de tas omhoog zodat het
vergrendelmechanisme van de tas naar achteren
beweegt.
Fig 60
A
Fig 61
89
Trek de tas (1) naar achteren in de richting van het
achterwiel. Probeer de tas daarbij niet op te tillen.
Uitsluitend op het achterste punt kunt u de tas
omhoog tillen (2) zodat de BEIDE haken uit hun
 worden verwijderd.
Verwijder de tas door hem in de richting van de
bestuurder (3) te trekken tot de haken volledig uit
hun zijn verwijderd.
1
2
3
Fig 62
90
Gebruik van de zijtassen
Openen
Open de zijtas aan de hand van de volgende
procedure.
Steek de sleutel in het slot van de tas en draai de
sleutel rechtsom.
Fig 63
Fig 64
91
Klap het plaatje (A) omhoog en open de tas.
Let op
De zijtassen zijn uitsluitend geschikt voor lichte
bagage: iedere tas kan maximaal 10 kg (22 lb) (K)
bagage vervoeren. De controle over de motor neemt
af als het gewicht te groot is.
A
Fig 65
K
Fig 66
92
Het vaste deel van de tas is voorzien van riemen (C)
waarmee u de bagage kunt 
Let op
Verspreid de bagage in gelijke mate over de
tassen. Plaats daarbij de zwaardere elementen zo
dicht mogelijk op de  om het  niet
uit balans te brengen.
C
Fig 67
93
Sluiten
Sluit de zijtas aan de hand van de volgende
procedure.
Til het externe deksel op en sluit het door de rand in
de specifieke sleuf van het vaste deel van de tas te
steken: uitsluitend in dit geval kan de tas gesloten
worden.
Breng het plaatje (A) aan in het externe deksel van de
tas en duw het omlaag.
Draai de sleutel linksom.
Uitsluitend in deze situatie kan de sleutel uit het slot
worden verwijderd.
Let op
De zijtassen zijn uitsluitend geschikt voor lichte
bagage: iedere tas kan maximaal 10kg (22 lb) bagage
vervoeren. De controle over de motor neemt af als
het gewicht te groot is.
Let op
Verspreid de bagage in gelijke mate over de
tassen. Plaats daarbij de zwaardere elementen zo
dicht mogelijk op de  om het  niet
uit balans te brengen.
A
Fig 68
94
USB-aansluiting
De is uitgerust met een USB 5V-
aansluiting. Op de USB-aansluiting kunnen ladingen
tot 1 A worden aangesloten.
De USB-aansluiting (1) bevindt zich onder het
passagierszadel en wordt beschermd door een
klepje: klap het klepje omhoog om de aansluiting te
kunnen gebruiken.
Belangrijk
Laat accessoires niet te lang aangesloten op de
USB-aansluiting als het  is gestopt met Key
ON. Daardoor zou de accu van de  kunnen
leeglopen.
Let op
Houd het beschermkapje van de USB-
aansluiting altijd gesloten, tenzij u de USB-
aansluiting gebruikt.
Let op
Gebruik de USB-aansluiting nooit wanneer het
regent.
1
Fig 69
95
Regeling van het windscherm
Gebruik de hendel (1) om de hoogte van het
windscherm te regelen.
Duw de hendel omhoog om het windscherm
omhoog te bewegen. Duw de hendel omlaag om het
windscherm omlaag te bewegen.
Let op
Door het windscherm tijdens het rijden te
regelen kunt u ongevallen veroorzaken. Regel het
windscherm uitsluitend als het stil staat.voertuig
1
Fig 70
96
Afstelling voorvork
De vork van de is regelbaar in de
extensiefase (rebound), bij het samendrukken van de
telescopen en bij de voorspanning van de veer.
De afstelling verricht u met behulp van de externe
stelschroeven.
1) voor het afstellen van de extensie van de
hydraulische rem;
2) voor het afstellen van de voorspanning van de
inwendige veren;
3) voor het afstellen van de compressie van de
hydraulische rem.
Plaats de stevig op de zijstandaard.
Draai met een specifieke schroevendraaier aan de
stelschroef (1) aan de bovenkant van de
rechterveerpoot om de extensie van de hydraulische
rem te kunnen afstellen.
Draai met een schroevendraaier aan de stelschroef
(3) aan de bovenkant van de linker veerpoot om de
compressie van de hydraulische rem te kunnen
afstellen.
U klikken als u aan de stelschroeven (1) en (3)
draait. Elke klik komt overeen met een afstelling van
de demping. Door de schroef helemaal aan te
S
S
S
SS
S
S
S
S
S
E
E
E
E
E
N
N
N
N
N
T
T
T
T
T
H
H
H
HH
H
H
H
H
H
2
1
Fig 71
32
Fig 72
97
De STANDAARDAFSTELLINGEN zijn als volgt:
compressie op rechterveerpoot: 8 klikken vanuit
de gesloten stand;
voorspanning: 8 klikken vanuit de ontspannen
stand;
compressie op linkerveerpoot: 8 klikken vanuit
de gesloten stand.
Voor het wijzigen van de veervoorspanning van
iedere veerpoot, de stelschroeven (2) met een
zeskantsleutel volledig linksom draaien voor het
verkrijgen van een volledig ontspannen positie.
Regel de veervoorspanning vanuit deze stand door
de stelschroef rechtsom te draaien.
Elke slag komt overeen met 1 mm (0.04 in)
veervoorspanning.
Let op
Stel de stelschroeven van de beide stelen op
gelijke wijze af.
99
Achterdemper afstellen
De achterdemper is voorzien van uitwendige
bedieningsorganen om de wielophanging van de
motorfiets afhankelijk van de belasting af te stellen.
Het is met de stelschroef (1), bij de onderste
schokdemperbevestiging aan de vork mogelijk om
de hydraulische schokdemping (terugkeren in
ruststand) te regelen.
Met de knop (2), links op de wordt demotorfiets,
voorspanning van de buitenste veer van de
schokdemper geregeld.
De stelschroef (3) op het expansievat van de
schokdemper regelt de hydraulische rem tijdens de
compressiefase.
Verwijder het zadel (zie hoofdstuk “Zadelslot”) en til
het deksel (4) op voor toegang tot de stelschroef (3).
21
Fig 73
3
4
Fig 74
100
Bedieningsorganen
Plaats van de bedieningsorganen op
de motorfiets
Let op
In dit hoofdstuk wordt uitgelegd waar de
bedieningsorganen zich bevinden die u moet
gebruiken om met de te kunnen rijden.motorfiets
Lees de beschrijvingen aandachtig door voordat u
deze bedieningsorganen gebruikt.
1) Instrumentenpaneel.
2) Sleutelblokkering.
3) Stuurschakelaar links.
4) Koppelingshendel.
5) Pedaal achterrem.
6) Stuurschakelaar rechts.
7) Gashendel.
8) Remhendel voorrem.
9) Versnellingspedaal.
1
4
3
95
6
7
8
2
Fig 75
102
Stuurschakelaars
6
3
7
1
2
5
4
3a 3B
8
9
10
10a
10b
Fig 76
103
1 Bedieningsknop omhoog.
2 Bedieningsknop omlaag.
3
 voor de Riding Mode, ENTER-functie en driestanden-stuurschake‐
laar voor de 
stand (3a), links;
middelste stand, OFF;
stand (3b), rechts.
4 Dimlicht.
5 Grootlicht.
6 Grootlicht knipperen en functie Lap".
7 Claxon.
8 Waarschuwingsknipperlichten (rood gekleurd).
9 Mistlampen (optie).
10 2-standen schakelaar (rood gekleurd).
10a
Motor naar beneden gedrukt.
10b Motor uit.
104
Controle lampen
Dimlicht/groot licht
Bij key-on worden het dim- en grootlicht niet
ingeschakeld maar wordt uitsluitend het
positielicht ingeschakeld.
Na het van de motor wordt het dimlicht
automatisch ingeschakeld. Omschakelen tussen
dimlicht en grootlicht doet u met de knop (7)
standen (B) en (A) en knipperen met grootlicht met
de knop (3). Indien de motor na de key-on niet
 wordt, is het toch mogelijk het dimlicht/
grootlicht te activeren met de knop (7) in stand (B) en
(A) of een knippersignaal te geven met de knop (3) op
de linker stuurschakelaar.
De lichten worden opnieuw gedeactiveerd als
de motor niet wordt binnen 60 seconden na
de handmatige inschakeling van het dimlicht/
grootlicht.
Om de accu van de motor te sparen, wordt de
koplamp automatisch uitgeschakeld als tijdens het
 van de motor het dim- en grootlicht is
ingeschakeld. De koplamp wordt weer ingeschakeld
als de motor is 
A
B
73
Fig 77
105
Richtingaanwijzers
Het instrumentenpaneel debeheert
richtingaanwijzers in handmatige of automatische
modus afhankelijk van de instelling via het
instelmenu - zie hoofdstuk “Beheer Automatische
Uitschakeling Richtingaanwijzers (TURN
INDICATORS)” op pag. 219.
Handmatige deactivering:
Nadat u één van de richtingaanwijzers geactiveerd
heeft, kunt u deze met de knop (4) deactiveren.
Automatische deactivering:
Automatische deactivering:
De richtingaanwijzers gaan automatisch uit als is
afgeslagen. Dit wordt waargenomen n.a.v. de
voertuigsnelheid, de hoek waarmee de bocht wordt
genomen en aan de hand van de dynamische analyse
van het voertuig.
Als bij geactiveerde richtingaanwijzer opnieuw op de
knop voor de inschakeling van de richtingaanwijzer
gedrukt wordt, worden de automatische
deactiveringsfuncties opnieuw geïnitialiseerd.
Let op
De automatische uitschakelsystemen zijn
hulpsystemen voor de bestuurder. Ze helpen de
bestuurder tijdens het beheren van de
richtingaanwijzers, zodat het gebruik ervan
eenvoudiger en wordt. Deze systemencomfortabel
zijn zodanig ontwikkeld dat deze bij het merendeel
van de manoeuvres werken. Dit betekent echter niet
dat de bestuurder de werking van de
richtingaanwijzers niet langer moet controleren
(door deze, wanneer nodig, met de hand in of uit te
schakelen).
4
Fig 78
106
Mistlampen (optie)
U kunt de functie mistlampen activeren door op de
knop (5) te drukken.
De activering van de mistlampen wordt aangegeven
door het waarschuwingslampje (C).
5
Fig 79
C
Fig 80
107
Functie Hazard (4 pijltjes)
Met de Hazard-functie kunt u  de vier
richtingaanwijzers inschakelen om een noodsituatie
aan te duiden.
Deze functie wordt geactiveerd door op de knop (6)
te drukken.
Als de Hazard-functie geactiveerd is, knipperen de
vier richtingaanwijzers en de lampjes op het
instrumentenpaneel en synchroon.
Als de “Hazard”-functie geactiveerd is, bij het
uitschakelen van het (sleutel op “OFF”) de
functie geactiveerd tot de gebruiker de functie met
de hand of tot deze automatisch wordt
gedeactiveerd na 1 uur, om de accuspanning te
behouden.
In is het niet mogelijk de Hazard-functie te
activeren.
Opmerkingen
Als bij key-on de "Hazard" functie nog altijd
actief is, zal de functie geactiveerd blijven (tijdens de
initiële controle van het instrumentenpaneel is het
mogelijk dat de bediening van de richtingaanwijzers
tijdelijk wordt onderbroken).
Opmerkingen
Als op een bepaald moment de functie is
ingeschakeld en de accu onverwacht wordt
losgekoppeld, schakelt het instrumentenpaneel als
de accuspanning wordt hersteld, de functie uit.
Opmerkingen
De functie "Hazard" de prioriteit ten
opzichte van de normale functionering van de
richtingaanwijzers. Zolang deze functie geactiveerd
is, kunt u de richtingaanwijzer naar rechts of naar
links dus niet activeren.
6
Fig 81
108
Sleutels
Samen met de worden 2 sleutels
geleverd.
Deze sleutels  de "code van het
immobilizer-systeem".
De sleutels (B) zijn bestemd voor een normaal
gebruik. U kunt ze gebruiken voor:
het 
het openen van de dop van de 
het ontgrendelen van het zadelslot.
Let op
Scheid de sleutels en benut slechts één van de
twee sleutels voor het gebruik van de 
De sleutels laten bijmaken
De klant moet alle sleutels in zijn/haar bezit met zich
meenemen als hij/zij zich voor het laten bijmaken
van extra sleutels tot het servicenetwerk van Ducati
richt.
Het servicenetwerk van Ducati slaat in dit geval de
nieuwe en de al bestaande sleutels in het bezit van
de klant op.
Het servicenetwerk van de Ducati kan de klant
vragen om aan te tonen dat hij/zij de daadwerkelijke
eigenaar/eigenares van de is.
De codes van de sleutels die niet tijdens het opslaan
worden gepresenteerd, zullen uit het geheugen
worden gewist. Op deze manier wordt gewaarborgd
dat eventueel verloren sleutels de motor niet
kunnen 
Immobilizer systeem
Om de beter tegen diefstal te
beschermen, is deze voorzien van een elektronisch
systeem dat de motor (immobilizer) en dat
automatisch geactiveerd wordt op het moment dat u
het instrumentenpaneel uitschakelt.
B
Fig 82
109
Elke sleutel bevat in zijn greep een elektronisch
systeem dat tot taak om een signaal te
moduleren. Dit signaal wordt tijdens het 
verzonden naar een speciale antenne. Dit signaal is
een "wachtwoord" dat als de motor wordt
ingeschakeld. Dankzij dit signaal wordt de sleutel
door de regeleenheid herkend waarna u de motor
kunt 
110
Contactschakelaar en stuurslot
Deze bevindt zich voor de   en
vier standen:
A) : de werking van de lampen en de
motor;
B) : de werking van de lampen en de
motor;
C) : de stuurinrichting is geblokkeerd;
D) : positielicht en stuurvergrendeling.
Opmerkingen
Om de contactsleutel op de laatste twee
standen te dient men de sleutel in het
contact te drukken en deze vervolgens om te
draaien. De sleutel kan in de standen (B), (C) en (D)
uit het contact worden verwijderd.
A
C D
B
Fig 83
111
Deblokkering voertuig met pincode
U kunt het  tijdelijk ontgrendelen door in het
instrumentenpaneel uw pincode in te voeren als het
systeem voor de herkenning van de sleutel niet
  of de sleutel een storing
Het instrumentenpaneel de mogelijkheid
om de deblokkeringscode in te voeren als de functie
PIN CODE geactiveerd is. De aanduiding "PIN:", de
knipperende waarde "0" en de drie streepjes " - - - "
worden weergegeven.
1
24
Fig 84
112
Code invoeren
1) Bij elke druk op de knop (1) neemt het cijfer met
een stap (+1) toe tot "9" bereikt is en zal
vervolgens weer bij "0" beginnen.
2) Bij elke druk op de knop (2) neemt het cijfer met
één stap (-1) af tot "0" bereikt is, waarna het
vervolgens weer bij "9" zal beginnen.
3) Bevestig het cijfer en ga verder naar het
volgende cijfer met een druk op de knop (4): de
"0" van het volgende cijfer gaat knipperen.
4) Herhaal de handelingen van de stappen 2) - 3)
tot u de 4 cijfers van de PINCODE ingevoerd en
bevestigd heeft.
Met een druk op de knop (4) ter bevestiging van het
vierde en laatste cijfer (A):
zal het instrumentenpaneel 2 seconden lang
knipperend "WRONG" (B) weergeven als de
ingevoerde PINCODE niet juist is. Als deze 2
seconden zijn verstreken, biedt het
instrumentenpaneel de mogelijkheid om de
PINCODE opnieuw in te voeren met de
weergave van de aanduiding "PIN", de
knipperende waarde "0" en drie streepjes "- - -".
als de PINCODE juist is, hetgeeft
instrumentenpaneel 2 seconden lang
A
B
C
1
24
Fig 85
113
knipperend (C) “PIN:” en “OK” weer. Vervolgens
wordt het hoofdscherm weergegeven.
Als u tijdens het invoeren van de PINCODE 2
minuten lang geen enkele handeling verricht, wordt
het instrumentenpaneel automatisch
uitgeschakeld.
Het instrumentenpaneel laat 2 seconden lang
"ERROR" zien en gedraagt zich net als in het geval
van "WRONG" als zich tijdens de controle van de
pincode een probleem voordoet.
Belangrijk
Raadpleeg een erkende Ducati Garage om het
probleem zo snel mogelijk te laten verhelpen, als u
het op deze manier moet  
114
De koppelingshendel
Als men de hendel (1) in de richting van de handgreep
trekt bedient men de koppeling.
Lichtjes trekken is voldoende, omdat dit
mechanisme hydraulisch werkt.
De bedieningshendel is uitgerust met een knop (2)
waarmee men de afstand tussen de hendel en de
knop op het stuur kan afstellen.
Deze afstand is afgesteld op 10 klikken van de knop
(2).
Als rechtsom wordt gedraaid, wordt de hendel
verder van de knop verwijderd. Andersom, naar links,
zet u de hendel dichterbij.
Als u de koppelingshendel op een correcte manier
gebruikt, gaat de motor langer mee en voorkomt u
beschadigingen aan de transmissiedelen.
Let op
De koppelingshendel dient te worden
afgesteld terwijl de stilstaat.
Let op
Lees de aanwijzingen beschreven in de
paragraaf “De motor en ermee rijden",
alvorens deze bedieningen te gebruiken.
Opmerkingen
Het is mogelijk de motor te met de
standaard open en de versnelling in de vrijstand,
maar ook met de versnelling ingeschakeld, waarbij
de koppelingshendel aangetrokken moet blijven (in
dit geval moet de standaard gesloten zijn alvorens
de versnelling in te schakelen).
1
2
Fig 86
115
De hendel van de voorrem
Als men de hendel (1) in de richting van de gashendel
trekt, remt men met de voorrem. Lichtjes trekken is
voldoende, omdat dit mechanisme hydraulisch
werkt.
De bedieningshendel (1) is uitgerust met een knop
(2) waarmee men de afstand tussen de hendel en de
knop op het stuur kan afstellen.
De afstelling voorziet in een totaal van 10 slagen:
door de knop (2) rechtsom te draaien, beweegt de
hendel (1) weg van de gashendel, of denadert
gashendel in het omgekeerde geval.
12
Fig 88
117
Het pedaal van de achterrem
Trap om de achterrem in te schakelen het pedaal
met de voet naar beneden.
Het bedieningssysteem werkt hydraulisch.
Het Vehicle Hold Control-systeem (VHC) wordt
geactiveerd als een grote druk op het
achterrempedaal wordt uitgeoefend en de
voorwaarden voor de activering van het systeem
bestaan, zie de paragraaf “Vehicle Hold Control
(VHC)”.
Fig 89
118
De stand van het versnellingspedaal
en het achterrempedaal afstellen
De stand van het versnellingspedaal kan aan de
behoeften van elke bestuurder worden aangepast.
Ga voor het afstellen van deze pedalen zoals volgt
aangeduid te werk.
Neem voor de registratie van de stand van het
versnellingspedaal (1) en achterrempedaal (2)
contact op met een Dealer of een Erkende Ducati
Garage.
1
Fig 91
2
Fig 92
120

Voorzorgsmaatregelen tijdens de
inrijperiode van de 
Maximum toerental
Voorgeschreven toerental tijdens inrijden en
normaal gebruik:
1) Tot 1000 km (600 mi);
2) Tussen 1000 (600 mi) en 2500 km (1500 mi).
Tot 1000 km (600 mijl)
Tijdens de eerste 1000 (600 mi) km dient men de
toerenteller in de gaten te houden. De snelheid niet
overschrijden van: 5.500÷ (tot en met) 6.000 min -1
mag absoluut niet worden overschreden.
Tijdens de eerste uren van het inrijden van de
 is het aangeraden om de belasting en het
toerental te wijzigen, binnen de
voorgeschreven limieten.
Met name wegen met veel bochten en hellingen,
waarop de motor, de remmen en de ophangingen
goed kunnen inlopen, zijn geschikt.
Tijdens de eerste 100 km (60 mi) en met name tijdens
het remmen is voorzichtigheid geboden: voorkom
dat u bruusk en lang remt om het wrijvingsmateriaal
op de remblokken de kans te geven gelijkmatig af te
slijten.
Om alle mechanische delen  de kans te
geven hun bewegingen op elkaar af te stemmen en
met name om de belangrijkste motororganen nooit
in gevaar te brengen, raden wij aan niet bruusk te
versnellen en de motor niet te lang op het hoogste
toerental te laten draaien. Voorkom dit met name op
hellingen.
Wij raden bovendien aan de vaak te
controleren en indien nodig te smeren.
Tijdens de eerste 1000 km (600 mi) van de
 (inrijperiode van het  of tot
de eerste is een  
toerentalbegrenzer ingesteld die wordt aangegeven
wanneer de streep van de wijzer ambergeel wordt.
Wanneer de streep van de wijzer ambergeel wordt en
  het instrumentenpaneel aan dat er
naar de volgende versnelling moet worden
doorgeschakeld waarbij dat toerental dus niet mag
worden overschreden.
121
De streep van de wijzer wordt niet weergegeven als
het toerental lager is dan 1000 rpm.
122
Controleren voor het 
Let op
Als u de motor niet voordat u
 kan deze zwaar beschadigd raken en lopen
bestuurder en bijrijder kans op ernstige
verwondingen.
Voordat u begint te rijden, dient u de volgende
punten te controleren:
DE BRANDSTOF IN DE BRANDSTOFTANK
Controleren hoeveel brandstof er in de tank zit.
Indien nodig, tanken (“Brandstof tanken").
HET MOTOROLIEPEIL
Controleer het peil in de  door middel van
het Indien nodig, bijvullen
(“Motoroliepeil controleren”).
REM- EN KOPPELINGVLOEISTOF
Controleer het vloeistofpeil in de
respectievelijke tanks (“Remvloeistofpeil
controleren”).
KOELVLOEISTOF
Controleer het vloeistofpeil in het expansievat;
indien nodig, bijvulen (“Koelvloeistofpeil
controleren en eventueel bijvullen").
STAAT VAN DE BANDEN
Controleer de spanning en de slijtage van de
banden (“Tubeless banden”).
FUNCTIONERING VAN DE BEDIENINGEN
Controleer of de hendels en pedalen van
remmen, koppeling, gas en versnelling correct
werken.
LAMPEN EN SIGNALEN
Controleer of de lampen voor verlichting en
signalering goed werken en of de claxon goed
 Vervang de lampen als deze zijn
doorgebrand (“Dim- en grootlicht vervangen”).
SLOTEN
Controleer de vergrendeling van de tankdop
(“Dop  en het zadel (“Zadelslot”).
STANDAARD
Controleer of de zijstandaard goed opent en
sluit en controleer de positie ervan
(“Zijstandaard”).
123
ABS-lampje
Na Key-on het ABS-lampje (6) branden.
Het waarschuwingslampje gaat uit als u de snelheid
van 5 km/h (3 mph) overschrijdt om te bevestigen dat
het ABS-systeem correct 
Let op
Stel in het geval van onregelmatigheden het
 uit en neem contact op met een Dealer of
een Erkende Ducati Garage.
6
Fig 93
124
ABS
Controleer of de meetwielen voor (1) en achter (2)
goed schoon zijn.
Let op
Als de bedekt zijn, werkt het
ABS-systeem niet correct. Op erg modderige wegen
is het raadzaam om het ABS-systeem uit te
schakelen omdat deze plots verkeerd kan gaan
werken.
Let op
Door een langdurige wheelie kan het ABS-
systeem worden uitgeschakeld.
1
Fig 94
2
Fig 95
125
Motor 
Let op
Zorg ervoor dat u de bedieningsorganen kent
die u tijdens het rijden nodig 
Let op
Zet de motor nooit aan in een gesloten ruimte.
De uitlaatgassen zijn en kunnen
bewusteloosheid of binnen zeer tijd zelfs een
dodelijke afloop tot gevolg hebben.
Plaats de op (1). Verifieer of het
groene lampje N (A) en het rode lampje (B) op
het instrumentenpaneel branden.
Belangrijk
Het oliedruklampje moet enkele seconden
nadat de motor is aangeslagen weer uit gaan.
1
Fig 96
Fig 97
126
Let op
De zijstandaard moet ingeklapt zijn (ruststand,
horizontaal), omdat anders de veiligheidssensor het
 onmogelijk maakt.
Opmerkingen
De kan worden als de 
zijstandaard uitgeklapt is en de koppeling in zijn vrij
staat, of als de koppeling is ingeschakeld en de
koppelingshendel ingetrokken wordt (in dit geval
moet de zijstandaard ingeklapt zijn).
Controleer of de  (2) in de
stand (A) (RUN) is geplaatst.
Druk de schakelaar (2) omlaag (B) en laat deze los.
Laat de spontaan zonder dat u 
de gashendel gebruikt.
Opmerkingen
Het systeem automatisch het
slepen van de als de accu leeg is.
Belangrijk
Breng de motor niet op een hoog toerental als
deze koud is. Wacht tot de olie warm is en tot alle
punten die dit nodig hebben hiermee zijn gesmeerd.
Let op
Als u de motor te lang laat draaien terwijl het
 stilstaat, kan er schade ontstaan door
 als gevolg van onvoldoende koeling.
Laat de motor niet onnodig draaien als het 
stilstaat. Ga meteen na het rijden.
2
A
C
Fig 98
127
De en ermee 
rijden
1) Trek de zijstandaard omhoog totdat de
standaard horizontaal geplaatst is, wat
bevestigd wordt door het doven van het
waarschuwingslampje op het
instrumentenpaneel.
2) Ontkoppel de koppeling met de
bedieningshendel.
3) Duw de versnellingshendel in met de punt van
uw voet en een besliste beweging om deze in
eerste versnelling te 
4) Geef gas met behulp van de gashendel en laat
 langzaamaan de koppelinghendel
los. Het begint te rollen.
5) Laat de koppelingshendel helemaal los en geef
gas.
6) Om over te schakelen naar een hogere
versnelling, de gashendel helemaal sluiten voor
een lager toerental, de koppelinghendel
intrekken, het versnellingspedaal naar boven
duwen en de koppelinghendel loslaten. U kunt
als volgt van een hogere naar een lagere
versnelling terugschakelen: laat de gashendel
los, trek de koppelinghendel in, geef even gas
om alle tandwielen te synchroniseren, schakel
terug naar een lagere versnelling en laat de
koppelinghendel los.
Gebruik de bedieningen op passende wijze en tijdig:
op een helling, wanneer de snelheid
 dient u onmiddellijk naar een lagere
versnelling terug te schakelen. Doet u dit niet, dan
onderwerpt u het hele (en niet alleen de
motor) aan vreemde overbelastingen.
Let op
Niet plotseling gas geven: u kunt de motor
"verzuipen" en de transmissiedelen forceren. Laat de
koppeling niet uit staan tijdens het rijden: dit kan tot
 en dus overmatige slijtage van alle
wrijvingsorganen leiden.
Let op
Door een langdurige wheelie kan het ABS-
systeem worden uitgeschakeld.
128
Remmen
Rem tijdig af, schakel terug om de rem op de motor
te gebruiken en rem vervolgens met beide remmen
af. Voordat de stilstaat, de
koppelinghendel intrekken om te voorkomen dat de
motor plotseling afslaat.
ABS-systeem
Voor remmen in moeilijke situaties is veel
rijdeskundigheid nodig. Remmen is één van de
moeilijkste en gevaarlijkste momenten tijdens het
besturen van een tweewieler: het gevaar voor vallen
of ongevallen is op dit moment immers aanzienlijk
groter dan in alle andere gevallen. Als het voorwiel
wordt geblokkeerd, ontbreekt de stabiliserende
werking van de wrijvingselementen, waardoor men
de controle over het  verliest.
Om de volledige remkracht van de in alle
noodsituaties, op moeilijke terreinen of in moeilijke
klimaatomstandigheden te werd het
ABS-systeem ontwikkeld om blokkering van de
wielen (ABS) tegen te gaan.
Dit is een hydraulisch-elektronisch mechanisme dat
de druk in het remcircuit op het ogenblik
waarop de sensor, die op het wiel zit, dat
het wiel wordt geblokkeerd.
De onmiddellijke drukafname zorgt ervoor dat het
wiel draaien en het contact met het wegdek
niet verliest. De ABS-regeleenheid zorgt ervoor dat
de druk in het circuit weer normaal wordt en dat het
 dus weer remt, en herhaalt deze drukcyclus
totdat het probleem volledig is verdwenen. Als het
mechanisme tijdens het remmen in werking treedt,
kan dit worden waargenomen door een lichte
pulserende weerstand in het rempedaal en de
remhendel.
De bedieningen en het beheer van de remsystemen
voor en achter vinden nooit gescheiden van elkaar
plaats: het ABS waarmee het is uitgerust
zorgt voor een afremming waarbij het systeem van
de voorrem met het systeem van de achterrem
wordt verbonden als u uitsluitend de voorrem
aantrekt. Het tegengestelde vindt echter niet
plaats: de bediening van de achterrem is niet van
invloed op het systeem van de voorrem.
Mocht u dit willen, dan kan het systeem op het
instrumentenpaneel gedeactiveerd worden door het
niveau op OFF te plaatsen in de Riding Mode die u
wilt deactiveren.
129
Let op
Ondanks dat het gecombineerd remmen
aanwezig is (de achterrem wordt geactiveerd als u de
voorrem aantrekt) zal het onafhankelijke gebruik van
een van de twee remmen het remvermogen van de
 beperken.
Niet bruusk en overmatig hard remmen. Het
achterwiel van het kan omhoog komen  
UP) en u kunt de macht over het stuur van uw
 verliezen.
Als het regent of wanneer men over glad wegdek
rijdt, is het remvermogen aanzienlijk minder. Rem in
deze gevallen zachtjes en voorzichtig. Door
plotselinge bewegingen te maken, kan het zijn dat u
de macht over het  verliest. Op lange en
steile hellingen is het beter op de motor af te
remmen, terug te schakelen en de remmen
afwisselend en te gebruiken: door een continu
gebruik van de remmen zal het wrijvingsmateriaal
oververhit raken en neemt het remvermogen
aanzienlijk af. Een lagere of hogere bandenspanning
dan voorgeschreven het remvermogen,
de hanteerbaarheid en de wegligging in de bocht van
de 
130
De  
Snelheid verminderen, terugschakelen en de
gashendel loslaten. Naar de eerste versnelling
terugschakelen en dan de versnelling in de neutrale
stand 
Remmen en de tot stilstand brengen.
Schakel de motor uit door de schakelaar (1) omhoog
te verplaatsen.
Voer de  van het  uit door de sleutel
naar de stand (2) te verplaatsen.
Belangrijk
Bij motor de sleutel niet op ON,
stand (3), laten om schade aan de elektrische
componenten te vermijden.
1
Fig 99
2 3
Fig 100
131
Let op
Sloten of vergrendelingssystemen die 
dat de kan worden verplaatst (bijv.
schijfremsloten, enz...) zijn
bijzonder gevaarlijk en kunnen de de
bestuurder en de passagier in gevaar brengen.
133
Tanken
Niet te veel brandstof in de tank doen. Het
brandstofpeil moet onder de vulopening in de holte
van de dop blijven.
Let op
In extreme gevallen kan de druk van de brandstof in
de tank leiden tot het van brandstof
tijdens het openen van de dop.
Open de dop altijd langzaam en voorzichtig.
Als een sissend geluid wordt gehoord bij het openen
van de dop, wacht dan tot het gesis stopt alvorens de
dop volledig te openen.
Dit geluid is te wijten aan de afvoer van restdruk
vanuit de Wanneer dit geluid
ophoudt, betekent dit dat de restdruk volledig is
afgevoerd.
De hierboven beschreven situatie is waarschijnlijker
bij warme klimaatomstandigheden.
Let op
Gebruik een brandstof met een laag
loodgehalte en een minimum octaangetal 95.
Let op
Het is uitsluitend compatibel met
brandstof met een maximum ethanolgehalte van
10% (E10).
Het gebruik van benzine met een ethanolgehalte
van meer dan 10% is verboden. Het gebruik van een
dergelijke brandstof kan ernstige schade aan de
motor en de onderdelen van de 
veroorzaken. U verliest het recht op garantie als u
benzine met een ethanolgehalte van meer dan 10%
gebruikt.
MAX
Fig 102
134
Brandstoflabel
Het aangeduide label de aanbevolen
brandstof voor dit 
1) De referentie E5 op het label  het gebruik aan
van benzine met een maximaal zuurstofgehalte van
2,7 gewichtsprocent en een maximaal
ethanolgehalte van 5% vol, volgens EN 228.
2) De referentie E10 op het label het gebruik
aan van benzine met een maximaal zuurstofgehalte
van 3,7 gewichtsprocent en een maximaal
ethanolgehalte van 10% vol, volgens EN 228.
1
2
Fig 103
135
Meegeleverde accessoires
In de ruimte onder het passagierszadel (1) zijn de
handleiding en een gereedschapskit (2) opgeborgen.
De gereedschapskit bevat:
Een 
Een handgreep voor de schroevendraaier.
Inbussleutel 8 mm (0.31 in).
Inbussleutel 5 mm (0.20 in).
Een zekeringtang.
Een steeksleutel 8/10.
Een stang voor een pijpsleutel, diameter 6 mm
(0.24 in).
Een bougiesleutel.
Inbussleutel 4 mm (0.16 in).
Inbussleutel 6 mm (0.24 in).
Verwijder het passagierszadel om de ruimte te
bereiken.
1
2
Fig 104
136
Instrumentenpaneel
(Dashboard)
Instrumentenpaneel
De motor is voorzien van een instrumentenpaneel
met LCD-display.
Het instrumentenpaneel biedt alle informatie die u
nodig hebt om veilig te kunnen rijden en stelt u in
staat om de instellingen en parameters van het
voertuig aan te passen.
137
Waarschuwingslampjes
1 10
9
2
3
4
5
6
11
13 13
12
8
7
6
12
14
Fig 105
138
nr KleurBeschrving
1 LCD-display
2 Versnelling in de Groen
3 Mistlampen (indien aanwezig) Groen
4 Koplamp grootlicht aan Blauw
5 Brandstof-reserve Ambergeel
6 Groen
7 Onvoldoende motorolie-druk
Belangrk
Gebruik de niet als het lampje MOTOROLIE branden. 
Hiermee kunt u de motor beschadigen
Rood
8 Diagnostiek DTC
knipperend: DTC ingeschakeld, maar met beperkte prestaties;
aan: DTC uitgeschakeld en/of werkt niet wegens een storing in de regel‐
eenheid.
Ambergeel
9 MIL
Het waarschuwingslampje gaat continu branden wanneer er een fout in
het beheer van de motor optreedt. langzaam, sterke ver‐ 
snellingen en inhaalmanoeuvres, breng het naar een erkende
Ducati garage om de storing te 
Het knipperende waarschuwingslampje wordt geactiveerd om een kri‐
tieke fout voor de emissies aan te geven en schade aan de katalysator kan
Ambergeel
139
Belangrijk
Indien op het display de tekst "TRANSPORT MODE" verschijnt, dient u zich direct te wenden tot uw
Ducati Dealer die deze direct zal verwijderen, teneinde de volledige functionering van de motor te
garanderen.
Bij de inschakeling verricht het instrumentenpaneel een initiële check voor de controle van de lampjes en het
display:
de lampjes gaan één voor één branden, terwijl op het display progressief de balk van het toerental en de
aanduiding van de snelheid worden geactiveerd.
Aan het einde van de controle toont het instrumentenpaneel het hoofdscherm met de weergave van de
voorziene functies en de eventuele inschakeling van de lampjes.
Als het tijdens de initiële check de snelheid van 5 km/u (3 mph) overschrijdt, onderbreekt hetvoertuig
instrumentenpaneel onmiddellijk de controle van de lampjes en het display en wordt het hoofdscherm
weergegeven.
141
Elementen van de hoofdschermen
Op het hoofdscherm worden alle informatie en items
weergegeven die nodig zijn voor het rijden.
De meeteenheden kunnen worden gewijzigd met de
“UNITS SETTING” in het SETTING MENU (pag. 207)
De volgende tabel een overzicht van degeeft
beschikbare elementen.
3
56
11 1410
7
9
2
8
Fig 106
142
nr Beschrving
1 Snelheid
Wordt weergegeven verhoogd met 5% samen met de ingestelde meeteenheid (km/h of mph).
2 Versnelling
3 Toerenteller (pag. 147)
4 Motorkoelvloeistof-temperatuur (°C of °F)
Het weergavebereik van de temperatuur is +40 °C ÷ +120 °C (+104 °F ÷ +248 °F).
Als de temperatuur lager is dan +40°C (+104°F), wordt "LO" weergegeven en als hoger is dan
+120°C (+248°F) wordt "HI" in het knipperend rood weergegeven.
Let op
In het geval van een  wordt geadviseerd om, als dit  is, langzamer te gaan
 zodat de koelinstallatie de temperatuur van de motor kan laten zakken. Als het verkeer dit niet
toestaat, stopt u de en zet u de motor af.
Wanneer u de  met  motor  gebruiken, kan ernstige schade worden ver‐
oorzaakt.
 regelmatig de aanduiding op het instrumentenpaneel controleren wanneer de temperatuur van
de motor tot een normale waarde is afgenomen.
5 Brandstofpeil
6 Functiemenu (pag. 167)
7 Weergave DTC-niveau
8 Weergave ABS-niveau
143
nr Beschrving
9 Weergave DQS-niveau (indien aanwezig)
10 Riding Mode in gebruik (pag. 148)
11 Klok
Kan worden ingesteld met de functie “DATE SETTING” in het SETTING MENU (pag. 200).
144
- Instelling DTC-niveau (DTC)
- Instelling ABS-niveau (ABS)
- Instelling DQS-niveau (DQS) (optioneel)
- Herstel standaardinstellingen van een enkele
Riding Mode (DEFAULT)
- Herstel standaardinstellingen (ALL DEFAULT)
activering en wijziging PIN CODE (PIN CODE)
datuminstelling (DATE SETTING)
tijdinstelling (CLOCK SETTING)
instelling achtergrondverlichting (BACKLIGHT)
instelling meeteenheid (UNITS SETTING)
Weergave servicedrempels (SERVICE INFO)
kalibratie banden (TIRE CALIBRATION)
Aanduiding aangekoppelde apparaten,
koppeling apparaten, wissen apparaten en
weergave Bluetooth-versie (BLUETOOTH) –
uitsluitend geactiveerd als de Bluetooth-
module aanwezig is
Deactivering automatische uitschakeling
richtingaanwijzers (TURN INDICATORS OFF)
Digitale aanduiding toerental (RPM)
Aanduiding accuspanning (BATTERY).
146
Aanduiding toerental
Met deze functie wordt het toerental van de motor
weergegeven.
Het instrumentenpaneel ontvangt de informatie
over het  en het gegeven weer.
Het gegeven wordt weergegeven door het van links
naar rechts oplichten van de balkjes van de bargraph
behorende bij het toerental en met de negatieve
weergave (uitschakeling van het cijfer en
inschakeling van de rechthoek waarin de
nummerwaarde is opgenomen) van de numerieke
aanduiding van het duizendtal.
Wanneer de waarschuwingsdrempel van de
toerentalbegrenzer bereikt wordt, gaan de
 lampjes branden.
Fig 107
147
Riding Mode
Op het instrumentenpaneel kunt u de gewenste
rijstijl instellen. U kunt kiezen uit vier verschillende
rijstijlen: SPORT, TOURING, URBAN en ENDURO.
De gekozen en geactiveerde rijstijl wordt links op het
display weergegeven.
Let op
Ducati raadt aan om de rijstijl te wijzigen
wanneer het stilstaat. Als de rijstijl wordtvoertuig
gewijzigd bij een rijdende motor, wees dan zeer
voorzichtig (het verdient aanbeveling om de rijstijl
uitsluitend bij een lage snelheid te wijzigen).
De volgende parameters, ingesteld door Ducati of
gewijzigd door de bestuurder op de pagina's met de
instelbare functies, zijn met iedere rijstijl
geassocieerd:
een specifiek interventieniveau van de DTC-
tractiecontrole (1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, OFF);
een specifieke afstelling van het ABS (1, 2, 3);
een specifiek DQS-niveau (ON-UP/DW, OFF)
een specifiek vermogen van de motor dat het
gedrag van de gasklep zal wijzigen (HIGH,
MEDIUM, LOW).
Fig 108
148
Rijstijl wijzigingsfunctie
Met deze functie kunt u de rijstijl van het voertuig
wijzigen.
U kunt de rijstijl wijzigen door de knop (4) 1 seconde
ingedrukt te houden.
Op het display worden de vier namen van de riding
modes (SPORT, TOURING, URBAN en ENDURO)
weergegeven samen met "EXIT" onder de
aanduiding van de snelheid.
De naam van de riding mode "SPORT" gaat
knipperen en de pijl ervan wordt weergegeven. Met
de knop (1) en (2) kan de keuze (de naam van de riding
mode en de pijl ervan wordt weergegeven)knippert
worden gewijzigd door langs de rijstijlen en de
aanduiding "EXIT" te scrollen.
Activeer de rijstijl met een druk op de knop (4) als u
de gewenste rijstijl gekozen heeft.
Het instrumentenpaneel sluit de functie af zonder
een nieuwe rijstijl op te slaan als de knop (4)
ingedrukt wordt wanneer de aanduiding "EXIT" (met
knipperende rand eromheen) is geselecteerd.
Bij het wijzigen van de rijstijl gedraagt het
instrumentenpaneel zich als volgt:
als de voertuigsnelheid 5 Km/u (3 mph) is en de
gashendel "gesloten" is, zal het
instrumentenpaneel de gekozen rijstijl
bevestigen, de naam van de Ridingknippert
mode 3 seconden, waarna het
"standaardscherm" weer wordt weergegeven.
als de voertuigsnelheid 5 Km/u (3 mph) is en de
gashendel "geopend" is, zal het
instrumentenpaneel bewegend de aanduiding
"CLOSE GAS" weergeven in het kader van het
menu. Uitsluitend wanneer de gashendel
gesloten wordt, zal het instrumentenpaneel de
1
24
Fig 109
149
gekozen rijstijl bevestigen waarna het
"standaardscherm" weer wordt weergegeven.
als de > 5 Km/u (3 mph) is, devoertuigsnelheid
gashendel "gesloten" is en de remmen
losgelaten zijn, zal het instrumentenpaneel de
gekozen rijstijl bevestigen, de naamknippert
van de Riding mode 3 seconden, waarna het
"standaardscherm" weer wordt weergegeven.
als de voertuigsnelheid > 5 Km/u (3 mph) is en de
gashendel "geopend" is, zal het
instrumentenpaneel bewegend de aanduiding
"CLOSE GAS" weergeven in het kader van het
menu. Uitsluitend wanneer de gashendel
gesloten wordt, zal het instrumentenpaneel de
gekozen rijstijl bevestigen waarna het
"standaardscherm" weer wordt weergegeven.
als de voertuigsnelheid > 5 Km/u (3 mph) is en de
gashendel "gesloten" is, maar de remmen
ingedrukt worden, zal het instrumentenpaneel
bewegend de aanduiding "DON’T BRK"
weergeven in het kader van het menu.
Uitsluitend wanneer de remmen losgelaten zijn,
zal het instrumentenpaneel de gekozen rijstijl
bevestigen waarna het "standaardscherm" weer
wordt weergegeven.
als de voertuigsnelheid > 5 Km/u (3 mph) is en de
gashendel "geopend" is, maar de remmen
ingedrukt worden, zal het instrumentenpaneel
bewegend de aanduiding "CLOSE GAS DON’T
BRK" weergeven in het kader van het menu.
Uitsluitend wanneer de gashendel gesloten
wordt en de remmen losgelaten zijn, zal het
instrumentenpaneel de gekozen rijstijl
bevestigen waarna het "standaardscherm" weer
wordt weergegeven.
Als binnen 5 seconden na de activering van de
aanduiding "CLOSE GAS" en/of "DON’T BRK" de
bovenstaande voorwaarden voor het "bevestigen"
van de wijziging van de Riding Mode niet worden
nageleefd, zal de procedure worden geannuleerd en
keert het instrumentenpaneel terug naar de
weergave die voor het betreden van de keuze van de
Riding Mode weergegeven werd, zonder een
instelling te wijzigen.
150
ABS
Het is voorzien van een ABS-systeem. Het
instrumentenpaneel de status van de functie
ABS (geactiveerd of gedeactiveerd) aan met het
ABS-lampje dat uit of aan kan staan of kan
knipperen.
Het instrumentenpaneel toont:
"ABS" en een waarde van "1" tot "3" behorende
bij het ingestelde interventieniveau;
ABS” en een cijfer van "1" tot "3" behorende bij
het interventieniveau van het ABS, als het ABS
geactiveerd is, maar wegens een storing (de
"cornering"-functie ontbreekt) de functies van
het systeem beperkt zijn; bovendien gaat het
ABS-lampje branden;
ABS” plus vast of knipperend het streepje “-” als
er een storing aanwezig is of informatie
ontbreekt over de status van ABS; bovendien
gaat het ABS lampje branden;
ABS" plus knipperend de aanduiding "Err" in
het geval van fouten; bovendien gaat het ABS-
lampje branden;
ABS en als het ABS gedeactiveerd is
(uitsluitend mogelijk in de Riding Mode
ENDURO); bovendien gaat het ABS-lampje
branden.
Let op
Wend u in het geval van een storing in het
systeem tot een Dealer of een Erkende Ducati
Garage.
Voor remmen in moeilijke situaties is veel
rijdeskundigheid nodig. Remmen is één van de
moeilijkste en gevaarlijkste momenten tijdens het
Fig 110
151
besturen van een tweewieler: het gevaar voor vallen
of ongevallen is op dit moment immers aanzienlijk
groter dan in alle andere gevallen. Als het voorwiel
wordt geblokkeerd, ontbreekt de stabiliserende
werking van de wrijvingselementen, waardoor men
de controle over het  verliest.
Om de volledige remkracht van de  in alle
noodsituaties, op moeilijke terreinen of in moeilijke
klimaatomstandigheden te werd het
ABS-systeem ontwikkeld om blokkering van de
wielen (ABS) tegen te gaan. Dit is een elektrisch-
hydraulisch mechanisme dat de druk in het
remcircuit op het ogenblik waarop de
regeleenheid, welke de gegevens afkomstig van de
sensoren op de wielen bepaalt dat
het/de wiel(en) Door een
afname van de druk in het remcircuit kan het wiel
blijven draaien, waardoor een optimale wegligging
behouden 
Vervolgens herstelt de regeleenheid de druk in het
remcircuit en wordt de afremmende werking
hersteld. Deze cyclus wordt herhaald tot het
probleem volledig is verdwenen. Als het
mechanisme tijdens het remmen in werking treedt,
kan dit worden waargenomen door een lichte
pulserende weerstand in het rempedaal en de
remhendel.
De remsystemen voor en achter worden nooit
gescheiden van elkaar beheerd: het ABS waarmee
het is uitgerust zorgt voor een
gecombineerde elektronische afremming. Daardoor
kan de reminstallatie achter gebruikt worden als de
voorrem wordt bediend. Het tegengestelde vindt
echter niet plaats: de bediening van de achterrem is
niet van invloed op het systeem van de voorrem.
Het ABS dat op de Multistrada 950 aanwezig is,
bevat tevens de "cornering"-functie. Deze functie
voorziet de ABS-functie ook bij hellende motor, en
dus worden de reminstallaties voor en achter ook bij
de inclinatie van het beheerd. Deze functie
voorkomt binnen de fysieke limieten van het
 en de omstandigheden van de weg dat de
wielen geblokkeerd raken en gaan slippen. Mocht u
dit willen, dan kan het systeem op het
instrumentenpaneel gedeactiveerd worden door het
niveau op OFF te plaatsen in de Riding Mode
ENDURO.
152
Let op
Ondanks dat het gecombineerd remmen
aanwezig is (de achterrem wordt geactiveerd als u de
voorrem aantrekt) zal het onafhankelijke gebruik van
een van de twee remmen het remvermogen van de
 beperken.
Niet bruusk en overmatig hard remmen. Het
achterwiel van het kan omhoog komen  
UP) en u kunt de macht over het stuur van uw
 verliezen. Als het regent of wanneer men
over glad wegdek rijdt, is het remvermogen
aanzienlijk minder. Rem in deze gevallen zachtjes en
voorzichtig.
Door plotselinge bewegingen te maken, kan het zijn
dat u de macht over het  verliest. Op lange
en steile hellingen is het beter op de motor af te
remmen, terug te schakelen en de remmen
afwisselend en te gebruiken: door een continu
gebruik van de remmen zal het wrijvingsmateriaal
oververhit raken en neemt het remvermogen
aanzienlijk af. Een lagere of hogere bandenspanning
dan voorgeschreven het remvermogen,
de hanteerbaarheid en de wegligging in de bocht van
de 
153
De onderstaande tabel het ABS-interventieniveau aan dat het meest geschikt is voor de diverse
 in combinatie met de niveaus die als fabrieksinstelling in de "Riding Mode" ingesteld  en door
de gebruiker gekozen kunnen worden:
ABS EIGENSCHAP DEFAULTRSTL
OFF(*) Het ABS-systeem is gedeactiveerd NEE
1 OFF-ROAD Dit niveau is uitsluitend bestemd voor 
road-gebruik door ervaren gebruikers (het
gebruik op de openbare weg wordt afge‐
raden). In dit niveau werkt het ABS uitslui‐
tend op het voorwiel en dus kan het ach‐
terwiel geblokkeerd raken (waardoor beter
op onverharde ondergronden kan worden
geremd).
In dit niveau het systeem de
 NIET, vindt de gecombineerde af
remming tussen voor en achter NIET
plaats en is de cornering-functie NIET ge‐
activeerd.
Dit is het standaardniveau
voor de Riding Mode "EN‐
DURO"
154
ABS EIGENSCHAP DEFAULTRSTL
2 SPORT Dit niveau is bestemd voor het gebruik op
de openbare weg met een goede weglig‐
ging. In dit niveau werkt het ABS op de
beide wielen. Op de remklauw achter wordt
een druk gegenereerd als de voorrem
wordt bediend (gecombineerd remmen) en
de cornering-functie is geactiveerd.
In dit niveau het systeem  
 NIET: deze kalibratie  de rem‐
kracht, zodat de bestuurder het 
van de wielen kan beheren.
Dit is het standaardniveau
van de Riding Mode
"SPORT"
3 SAFE & STABLE Dit niveau is bestemd voor het gebruik on‐
der alle omstandigheden en is speciaal
ontwikkeld voor stabiel en veilig afrem‐
men. In dit niveau werkt het ABS op de
beide wielen. Op de remklauw achter wordt
een druk gegenereerd als de voorrem
wordt bediend (gecombineerd remmen),
de cornering-functie en de 
 geactiveerd.
Dit is het standaardniveau
van de Riding Mode
"TOURING" en "URBAN"
155
Let op
(*)
1) Het niveau ABS OFF kan uitsluitend geactiveerd
worden als de Riding Mode is ingesteld op
"ENDURO".
2) Het niveau "ABS OFF" kan uitsluitend bij
stilstaande motor worden geactiveerd. U kunt
dit niveau niet instellen wanneer de motor rijdt;
3) Het ABS wordt automatisch weer geactiveerd
als het instrumentenpaneel wordt ingeschakeld,
ook al was het eerder op OFF geplaatst.
156
bestuurders, aangezien het hierbij ookvoertuig
tijdens een noodstop stabiel gehouden wordt
158
DTC
Het instrumentenpaneel toont als volgt op het
display de staat van de DTC:
"DTC" en een waarde van "1" tot "8" behorende
tot het ingestelde interventieniveau, als de DTC
geactiveerd is;
“DTC” plus knipperend een cijfer van “1” tot “8”
behorende bij het DTC-interventieniveau, als de
DTC geactiveerd is, maar wegens een storing de
functies van het systeem beperkt zijn;
bovendien gaat het DTC-lampje knipperen;
"DTC" plus een waarde van "1" tot "8" als het
systeem een storing 
“DTC” plus knipperend de aanduiding “Err” in
het geval van fouten; bovendien gaat het DTC-
lampje branden;
“DTC" en "OFF", als de DTC gedeactiveerd is.
Let op
Wend u in het geval van een storing in het
systeem tot een Dealer of een Erkende Ducati
Garage.
Fig 111
159
Let op
De DTC is een assistentiesysteem voor de
bestuurder dat zowel op de openbare weg als bij
 kan worden gebruikt. Met
assistentiesysteem wordt een mechanisme bedoeld
dat het besturen van de vereenvoudigt
en veiliger maakt, maar dat de verplichtingen van de
bestuurder met betrekking tot voorzichtig rijden niet
 of beperkt, met een dusdanig gedrag dat
zowel een persoonlijke fout of de fouten van
anderen voorkomen kunnen worden door middel van
noodmanoeuvres, zoals door de van kracht zijnde
verkeersregels vereist wordt.
De bestuurder moet altijd bedenken dat actieve
veiligheidssystemen een preventieve functie
hebben. De actieve elementen helpen de bestuurder
om het vervoermiddel te controleren zodat de
besturing hiervan eenvoudiger en zo veilig mogelijk
is. De actieve systemen moeten de bestuurder er
niet toe brengen op de aanwezigheid van deze
systemen te  om het  op hogere
snelheden te gebruiken dan redelijkerwijs is
toegestaan ongeacht de omstandigheden waarin
het rijdt, de de 
bovengenoemde gedragsregels en de
verkeersregels.
160
De onderstaande tabel het DTC-niveau aan dat het meest geschikt is voor de diverse in 
combinatie met de niveaus die als fabrieksinstelling in "Riding Mode" ingesteld en die door de ge‐
bruiker gekozen kunnen worden:
DTC GEBRUIK DEFAULTRSTL
OFF Het DTC-systeem is gedeactiveerd. NEE
1 OFF-ROAD Professional Dit niveau is uitsluitend bestemd voor
 road-gebruik door buitengewoon
ervaren gebruikers (het gebruik op de
openbare weg wordt afgeraden). In de‐
ze modus laat de DTC het achterwiel
meer spinnen. Dit niveau van het sys‐
teem  GEEN goede controle
als de wegligging op het asfalt af
neemt.
NEE
2 OFF-ROAD Dit niveau is uitsluitend bestemd voor
 road-gebruik door minder ervaren
gebruikers (het gebruik op de openbare
weg wordt afgeraden). Dit niveau van
het systeem GEEN goede
controle als de wegligging op het asfalt
afneemt.
Dit is het standaardniveau
voor de Riding Mode "ENDU‐
RO"
161
DTC GEBRUIK DEFAULTRSTL
3 SPORT / TRACK Dit niveau is bestemd voor het gebruik
op het racecircuit met een goede weg‐
ligging door buitengewoon ervaren ge‐
bruikers. In deze modus staat de DTC
het slippen toe.
NEE
4 SPORT Dit niveau is bestemd voor het gebruik
op de openbare weg en op het racecir‐
cuit met een goede wegligging.
Dit is het standaardniveau van
de Riding Mode "SPORT"
5 TOURING Dit niveau is bestemd voor het gebruik
op de openbare weg met een goede
wegligging.
Dit is het standaardniveau van
de Riding Mode "TOURING"
6 SAFE & STABLE Dit niveau is bestemd voor het gebruik
onder alle omstandigheden en is spe‐
ciaal ontwikkeld voor het gebruik op de
openbare weg met een goede weglig‐
ging.
Dit is het standaardniveau van
de Riding Mode "URBAN"
7 RAIN Dit niveau is bestemd voor het gebruik
op de openbare weg als het asfalt nat
is.
NEE
8 HEAVY RAIN Dit niveau is bestemd voor het gebruik
op de openbare weg als het asfalt nat
en erg glad is.
NEE
162
Aanwijzingen voor de keuze van het niveau
Let op
De optimale functionering van de DTC in de
beschikbare niveaus wordt uitsluitend gewaarborgd
met de originele banden van het  en/of de
banden die door Ducati worden aanbevolen. De
originele banden van het  zijn Pirelli
Scorpion Trail II met de afmetingen: voor 120/70
ZR19, achter 170/60 ZR17. Het gebruik van banden
(met maten en eigenschappen die afwijken van de
originele exemplaren kan de werking en de veiligheid
van het systeem wijzigen. We raden u af om banden
met een andere maat te gebruiken dan degene die
voor uw zijn goedgekeurd.
Door niveau 8 te kiezen, zal de DTC bij ook maar de
geringste spinning van de achterband ingrijpen.
Tussen niveau 8 en niveau 1 liggen 6 tussenniveaus.
Het ingrijpen van de DTC neemt gelijkmatig af van
niveau 8 tot niveau 1.
De niveaus 1 en 2 zijn uitsluitend geschikt voor
 en garanderen geen goede controle
als de wegligging op het asfalt afneemt.
Met de niveaus 3 en 4 stelt de DTC-regeleenheid de
achterband in staat om zowel te spinnen als te
slippen bij het uitkomen van de bocht. We raden aan
dat dit interventieniveau uitsluitend op het circuit en
door zeer ervaren bestuurders gebruikt wordt.
De keuze van het correcte niveau is met name
afhankelijk van 3 variabelen:
1) De wegligging  band, slijtage van de band,
het asfalt, weersomstandigheden, enz.);
2) De weg/het parcours (bochten met min of meer
gelijke of met afwijkende doorrijsnelheid);
3) De rijstijl ("vloeiend" of "grillig").
De mate waarin het niveau van de wegligging
afhangt
Het zoeken naar het juiste niveau is nauw verwant
aan de wegligging van de weg/het circuit (zie
verderop, adviezen voor het gebruik op het circuit en
op de weg). Bij een slechte wegligging is een hoger
niveau en dus een grotere ingreep van de DTC
vereist.
De mate waarin het niveau van het wegdek
afhangt
Als de weg/het circuit bochten met dezelfde
doorrijsnelheid is het eenvoudiger om het
juiste interventieniveau voor elke bocht vast te
stellen. In het geval van een weg/circuit met bochten
163
met verschillende doorrijsnelheden moet u echter
een DTC-interventieniveau kiezen dat een
compromis zal zijn.
De mate waarin het niveau van de rijstijl
afhangt
De DTC zal sterker ingrijpen bij een "vloeiendere"
rijstijl, waarbij de langer schuin hangt,
dan bij een "grilligere" rijstijl, waarbij de 
zo snel mogelijk bij het uitkomen van de bocht
overeind gebracht wordt.
Tips voor het gebruik op het circuit
We raden u aan om het interventieniveau 6 een
aantal rondes uit te proberen (zodat de banden
opwarmen) en om contact met het systeem mogelijk
te maken. Probeer vervolgens de andere
interventieniveaus 6, 5, 4 enz... uit tot u het
gewenste interventieniveau gevonden 
Als het gevonden niveau in alle bochten beval,
behalve bij één of twee langzame bochten waarin de
ingreep te sterk is, kunt u proberen uw rijstijl iets aan
te passen door de eerder overeind te
laten komen bij het uitkomen van langzame
bochten, in plaats van meteen een ander
interventieniveau te zoeken.
Tips voor het gebruik op de weg
We raden het gebruik van niveau 6 (het
standaardniveau van de Riding Mode URBAN) aan
voor contact met het systeem. Als de DTC te weinig
ingrijpt, wordt geadviseerd om achtereenvolgens de
niveaus 5, 4, enz. te proberen, totdat u het meest
geschikte niveau gevonden 
Bij veranderingen in de wegligging en/of het type
parcours en/of uw eigen rijstijl, waardoor het
ingestelde niveau niet langer bevredigend is, gaat u
over naar het volgende niveau,  tot u het
meest geschikte niveau gevonden  (bijv. als het
interventieniveau 7 van de DTC te sterk is, gaat u
over naar niveau 6; als het interventieniveau 7 te laag
is, gaat u over naar niveau 8).
Tips voor het 
We raden het gebruik van niveau 2 (het
standaardniveau van de Riding Mode ENDURO) aan
voor contact met het systeem. Mocht het DTC-
systeem alsnog te veel ingrijpen, probeer dan het
niveau 1 uit.
164
DQS - accessoire
De DQS-functie is optioneel.
Als DQS is geïnstalleerd op de motor, toont het
instrumentenpaneel als volgt de staat van de DQS
op het display:
“DQS UP/DW” voor het inschakelen van de
versnellingen als het DQS-systeem geactiveerd
is;
“DQS – UP/DW” voor het inschakelen van de
versnellingen als het DQS-systeem werkt met
beperkte prestaties;
“DQS –” als het DQS-systeem gedeactiveerd is;
indien het DQS-systeem niet werkt of een
storing “DQS-”. 
Het DQS-systeem met de "up/down"-functie maakt
het mogelijk om zonder het gebruik van de
koppeling te schakelen.
Het systeem bestaat uit een
tweerichtingsmicroschakelaar die in het
kinematisme van de versnellingshendel is
ingebouwd. Elke keer dat de versnelling gebruikt
wordt, het een signaal naar de
motorregeleenheid.
Het systeem op verschillende wijze bij het
op- en terugschakelen.
Hieronder geven we een aantal tips voor een
optimaal gebruik van de functie:
1) Voor de Ducati Quick moet de
versnellingshendel op dezelfde manier worden
bediend als bij een motor zonder dit systeem het
geval is. De Ducati Quick is niet ontworpen
voor automatisch schakelen.
2) Elke keer dat de bestuurder schakelt (ongeacht
of dit nu naar een hogere of een lagere
versnelling is), moet de versnellingshendel
Fig 112
165
vanuit de ruststand in de gewenste richting
worden verplaatst. Daarbij moet de weerstand
van de veer gedurende een bepaalde beweging
worden overwonnen. Vervolgens moet de
hendel in deze stand worden gehouden tot de
gewenste versnelling is ingeschakeld. Als de
versnelling is ingeschakeld, moet u de
versnellingshendel loslaten zodat u opnieuw
met de Ducati Quick kunt schakelen. Het
kan zijn dat de versnellingen niet volledig
worden ingeschakeld als de bestuurder de
versnellingshendel niet tot aan het einde van de
slag beweegt wanneer de Ducati Quick 
hierom vraagt.
3) De Ducati Quick ondersteunt het
schakelen niet wanneer de bestuurder de
koppelingshendel gebruikt: de elektronische
versnelling Ducati Quick wordt niet
geactiveerd als de koppelingshendel
aangetrokken wordt.
4) De Ducati Quick schakelt de lagere
versnellingen (terugschakelen) uitsluitend in als
de gashendel volledig is gesloten.
5) Als de strategie van de Ducati Quick niet
werkt, kan het schakelen worden afgerond met
de koppelingshendel.
6) Als de versnellingshendel langer dan 30
seconden omhoog of omlaag wordt gedrukt
(ook ongewenst), is het mogelijk dat een fout
wegens aannemelijkheid wordt opgeslagen in
de elektronische regeleenheid waarna de Ducati
Quick  gedeactiveerd wordt. In dit geval kan
het systeem opnieuw geactiveerd worden door
het instrumentenpaneel uit en vervolgens weer
in te schakelen.
7) De elektronische versnelling Ducati Quick 
is ontworpen om te werken bij een
 van minstens 2.500 toeren/min.
8) In een willekeurige versnelling kan het
inschakelen van de lagere versnellingen
(terugschakelen) met de elektronische
versnelling Ducati Quick uitsluitend
worden verricht onder een bepaald toerental.
Op deze manier wordt voorkomen dat de motor
tijdens het terugschakelen een toerental maakt
dat hoger dan het maximale toerental is.
166
Functiemenu
Het functiemenu (A) bevat alle functies en tellers
voor de beschikbare reisinformatie.
De meeteenheden van de reisinformatie kunnen
worden gewijzigd via de functie “UNITS SETTING” in
het SETTING MENU (pag. 207).
Gebruik de toetsen (1) en (2) om door de items van
het menu te bladeren: de pijltjes OMHOOG en
OMLAAG die overeenkomen met toets (1) en
toets (2) verschijnen aan de linkerkant van het vakje.
Het lege rondje wordt weergegeven om aan te
geven dat de weergegeven functie geregeld kan
worden met een druk op de knop (4) (zoals
bijvoorbeeld het van TRIP 1).
Wanneer het instrumentenpaneel wordt
ingeschakeld, wordt de functie TOT gedurende 10
seconden weergegeven, daarna wordt de functie
actief weergegeven voordat het
instrumentenpaneel wordt uitgeschakeld.
1
24
A
Fig 113
167
De aanwezige functies en informatie worden hieronder vermeld.
Naam MeeteenhedenBeschrving
TOT   totaal km,
TRIP 1 kilometerstand 1 km,  
TRIP 2 kilometerstand 2 km,  
TRIP 1 TIME Ritduur 1 hhh:mm
CONS. AVG 1 Gemiddeld verbruik 1 L/100, km/l, mpg UK, mpg
US
CONS. Actueel verbruik L/100, km/l, mpg UK, mpg
US
SPEED AVG 1 Gemiddelde snelheid 1 km/h, mph
RANGE Resterend bereik km, 
T-AIR Buitentemperatuur
Het weergavebereik van de temperatuur is -39 °C ÷
+125 °C (— 38 °F ÷ +257 °F).
Opmerkingen
  een stilstaand kan de warmte van de
motor de temperatuurweergave beïnvloeden.
°C, °F
H.GRIPS Verwarmde handgrepen (indien aanwezig, zie pag. 171)
PLAYER Muziekspeler (indien aanwezig, zie pag. 36)
168
Naam MeeteenhedenBeschrving
CALLS Beheer van telefoongesprekken (indien aanwezig, zie
pag. 31)
ABS-ON / ABS-OFF Activering / deactivering ABS
SETTING MENU Instelmenu
169
 reisinformatie 1
De reisinformatie “TRIP 1”, “TRIP 1 TIME”, “CONS .
AVG 1” en “SPEED AVG 1” kan worden gereset door
op de knop ENTER (4) te drukken wanneer deze is
geselecteerd: de melding “RESET?” wordt
weergegeven in plaats van de gegevens en de
meeteenheid.
Als de knop (1) of de knop (2) wordt ingedrukt, 
het instrumentenpaneel opnieuw TRIP 1 weer
zonder het gegeven te als echter de knop
(4) ingedrukt wordt, worden de gegevens gereset.
Wanneer reisinformatie 1 wordt gereset, worden alle
tellers die ernaar verwijzen op nul gezet (“TRIP 1”,
“TRIP 1 TIME”, “CONS. AVG 1” en “SPEED AVG 1”).
 informatie TRIP 2
De reisinformatie “TRIP 2” kan worden gereset door
op de knop (4) te drukken wanneer deze is
geselecteerd: de melding “RESET?” wordt
weergegeven in plaats van de gegevens en de
meeteenheid.
Als de knop (1) of de knop (2) wordt ingedrukt, 
het instrumentenpaneel opnieuw TRIP 2 weer
zonder het gegeven te als echter de knop
(4) ingedrukt wordt, worden de gegevens gereset.
170
Activering / deactivering ABS
Met deze functie kunt u het ABS-systeem
deactiveren of activeren wanneer u zich niet in het
instelmenu bevindt.
Opmerkingen
Het ABS-systeem kan uitsluitend met de hand
geactiveerd of gedeactiveerd worden als de Riding
Mode ENDURO is ingesteld.
Het instrumentenpaneel het scherm “ABS-geeft
ON” weer als het ABS-systeem geactiveerd is.
Deactiveer het ABS-systeem met een druk op de
knop (4) als de aanduiding "ABS-ON" wordt
weergegeven.
Opmerkingen
De snelheid van het voertuig moet lager of
gelijk zijn aan 5 km/u (3 mph) om de procedure voor
de deactivering van het ABS te kunnen activeren. Bij
een hogere snelheid kan met de knoppen (1) en (2)
uitsluitend langs de menu-opties worden gelopen.
De aanduiding "WAIT ..." wordt 2 seconden lang
weergegeven als in het menu op de knop (4) wordt
gedrukt. Gedurende deze tijd kunnen de knoppen (1)
en (2) niet worden gebruikt om langs de menu-
opties te lopen.
De aanduiding “ABS-OFF” wordt weergegeven als
het systeem gedeactiveerd wordt. Het ABS-lampje
gaat branden om aan te geven dat het ABS-systeem
gedeactiveerd is en opnieuw geactiveerd is met de
knop (1) en de knop (2).
Het instrumentenpaneel geeft de aanduiding “ABS-
OFF” weer en het ABS-lampje brandt als het ABS-
systeem gedeactiveerd is. Activeer het ABS-
systeem met een druk op de knop (4) als de
aanduiding "ABS-ON" wordt weergegeven.
1
24
Fig 116
172
Opmerkingen
De snelheid van het voertuig moet lager of
gelijk zijn aan 5 km/u (3 mph) om de procedure voor
de activering van het ABS te kunnen activeren. Bij
een hogere snelheid kan met de knoppen (1) en (2)
uitsluitend langs de menu-opties worden gelopen.
De aanduiding "WAIT ..." wordt 2 seconden lang
weergegeven als in het menu op de knop (4) wordt
gedrukt. Gedurende deze tijd kunnen de knoppen (1)
en (2) niet worden gebruikt om langs de menu-
opties te lopen.
De aanduiding “ABS-ON” wordt weergegeven als
het systeem geactiveerd wordt. Het ABS-lampje
gaat branden om aan te geven dat het ABS-systeem
geactiveerd is en opnieuw geactiveerd is met de
knop (1) en de knop (2).
Als de status van het ABS-systeem na 5 seconden
nog altijd niet gewijzigd is, vervangt het
instrumentenpaneel de aanduiding "WAIT ..." in het
menu 3 seconden lang door de knipperende
aanduiding "ABS-ERR".
Als de 3 seconden zijn verstreken:
het instrumentenpaneel automatischgeeft
ABS-ON” weer om de aanvraag eventueel
opnieuw te kunnen lanceren als een
deactivering was aangevraagd;
het instrumentenpaneel automatischgeeft
ABS-OFF” weer om de aanvraag eventueel
opnieuw te kunnen lanceren als een activering
was aangevraagd.
173
In het SETTING MENU hetgeeft
instrumentenpaneel de volgende functies weer:
RIDING MODE
PIN CODE
DATE SETTING
CLOCK SETTING
BACKLIGHT
UNITS SETTING
SERVICE INFO
TIRE CALIBRATION
BLUETOOTH – uitsluitend geactiveerd als de
Bluetooth-module (pag. 21) aanwezig is
TURN INDICATORS OFF
RPM
BATTERY
Belangrijk
Om veiligheidsredenen raden wij u aan om dit
menu uitsluitend bij stilstaande motor te gebruiken.
Met een druk op de knop (1) en de knop (2) kunt u één
voor één de bovenstaande functies van het
SETTING MENU aanduiden: met de knop (2) duidt u
de volgende functie aan, terwijl u met de knop (1) de
vorige functie kunt aanduiden.
Als u de gewenste functie bevestigd kunt uheeft,
met een druk op de knop (4) de menupagina
behorende bij de gekozen functie openen.
De menu-pagina is niet beschikbaar als de functie
ontbreekt of tijdelijk gedeactiveerd is.
Druk 2 seconden lang op de knop (2) om het
SETTING MENU af te sluiten.
175
Van elke rijstijl kunnen de volgende parameters
gepersonaliseerd worden:
ENGINE
DTC
ABS
DQS (is uitsluitend geactiveerd als de optionele
DQS aanwezig is)
DEFAULT
Bij de betreding van het menu voor de aanpassing
van de gekozen rijstijl wordt automatisch de
parameter ENGINE (deze parameter knippert)
weergegeven. Met een druk op de knoppen (1) en (2)
kunt u cyclisch door het menu gaan en één voor één
de aanwezige informatie selecteren (de gekozen
parameter knippert) met de volgorde die in de lijst is
gegeven.
Als de parameter is aangegeven kunt u met een druk
op de knop (4) de functie voor het personaliseren van
de parameter betreden en de instellingen van de
parameter wijzigen.
Let op
We raden u aan om de parameters uitsluitend
te wijzigen als u bekend bent met de "Set-up" van
het Gebruik de "DEFAULT"-functie om devoertuig.
parameters te herstellen als u ongewenst de
parameters wijzigt.
Druk 2 seconden lang op de knop (2) om de functie af
te sluiten en terug te keren naar het vorige scherm.
1
24
Fig 120
178
Aanpassing van de rijstijl: Afstelling
motor
Met deze functie kunt u de motor voor elke rijstijl
instellen.
Open het SETTING MENU.
Kies de aanduiding RIDING MODE (A) met behulp
van de knop (1) of de knop (2).
Druk op de knop (4) als u de functie aangegeven
heeft.
U opent het menu RIDING MODE.
Kies de gewenste rijstijl SPORT, TOURING, URBAN
of ENDURO (B) met een druk op de knop (1) of de
knop (2). Druk op de knop (4) als u de gewenste rijstijl
gekozen (de pijl naast de gekozen rijstijlheeft
knippert).
Het menu waarin u de gekozen rijstijl kunt
personaliseren (bijvoorbeeld "SPORT") wordt
geopend.
Verricht uw keuze met een druk op de knop (1) of (2).
De te personaliseren parameter ENGINE (C) begint
te knipperen. Druk op de knop (4) als u de gewenste
parameter aangegeven heeft.
A
B
C
1
24
Fig 121
179
Bij de betreding van de functie begint het actueel
ingestelde vermogen van de motor (”HIGH”, “MED”
of “LOW”) te knipperen.
Selecteer het gewenste nieuwe vermogen van de
motor met de knoppen (1) en (2) en druk ter
bevestiging van uw keuze op de knop (4).
Het instrumentenpaneel toont vervolgens het
nieuwe ingestelde niveau en keert automatisch
terug naar het vorige scherm.
Tijdens deze fase, om af te sluiten zonder het huidige
ingestelde niveau te wijzigen, dient de knop (2) 2
seconden te worden ingedrukt.
1
24
Fig 122
180
Aanpassing van de rijstijl: Instelling
DTC-niveau
Met deze functie kunt u het DTC-interventieniveau
instellen of de DTC voor elke rijstijl activeren of
deactiveren.
Open het SETTING MENU.
Kies de aanduiding RIDING MODE (A) met behulp
van de knop (1) of de knop (2).
Druk op de knop (4) als u de functie aangegeven
heeft.
U opent het menu RIDING MODE.
Kies de gewenste rijstijl SPORT, TOURING, URBAN
of ENDURO (B) met een druk op de knop (1) of de
knop (2). Druk op de knop (4) als u de gewenste rijstijl
gekozen (de pijl naast de gekozen rijstijlheeft
knippert).
Het menu waarin u de gekozen rijstijl kunt
personaliseren (bijvoorbeeld "SPORT") wordt
geopend.
Verricht uw keuze met een druk op de knop (1) of (2).
De te personaliseren parameter DTC (C) begint te
knipperen. Druk op de knop (4) als u de gewenste
parameter aangegeven heeft.
A
B
C
1
24
Fig 123
181
Bij het betreden van de functie begint de waarde van
de DQS te knipperen.
Met de knoppen (1) en (2) kunt u de gewenste waarde
instellen. Deze waarde kan variëren van “DQS -
UP/DW” of “DQS -”, hetgeen betekent dat de DQS
gedeactiveerd is. Bevestig de keuze met een druk op
de knop (4).
Het instrumentenpaneel toont vervolgens het
nieuwe ingestelde niveau en keert automatisch
terug naar het vorige scherm.
Tijdens deze fase, om af te sluiten zonder het huidige
ingestelde niveau te wijzigen, dient de knop (2) 2
seconden te worden ingedrukt.
1
24
Fig 128
186
Aanpassing van de rijstijl: Herstel
default instellingen (DEFAULT)
Met deze functie kunnen de door Ducati ingestelde
standaardwaarden van een rijstijl worden hersteld.
Open het SETTING MENU.
Kies de aanduiding RIDING MODE (A) met behulp
van de knop (1) of de knop (2).
Druk op de knop (4) als u de functie aangegeven
heeft.
U opent het menu RIDING MODE.
Kies de gewenste rijstijl SPORT, TOURING, URBAN
of ENDURO (B) met een druk op de knop (1) of de
knop (2). Druk op de knop (4) als u de gewenste rijstijl
gekozen (de pijl naast de gekozen rijstijlheeft
knippert).
Het menu waarin u de gekozen rijstijl kunt
personaliseren (bijvoorbeeld "SPORT") wordt
geopend.
Selecteer de menu-optie “DEFAULT” (C) met de
knop (1) of de knop (2). De menu-optie gaat
knipperen.
A
B
C
1
24
Fig 129
187
Druk de knop (4) 2 seconden lang in. Het
instrumentenpaneel hersteld de door Ducati
ingestelde waarden voor de gekozen rijstijl en geeft
2 seconden het volgende weer:
de knipperende streepjes "- - - - - - -" in het
menu
het knipperende symbool “-” in plaats van de
waarden DTC en ABS
de knipperende pijl naast de gekozen rijstijl
Vervolgens het instrumentenpaneel 2geeft
seconden lang in het menu “DF - OK” en het
symbool “-” weer in plaats van de waarden DTC en
ABS.
Als deze 2 seconden verstreken zijn, hetgeeft
instrumentenpaneel de parameters met de
standaardwaarden van de Riding Mode weer en
keert terug naar het vorige scherm.
Tijdens deze fase, om af te sluiten zonder het huidige
ingestelde niveau te wijzigen, dient de knop (2) 2
seconden te worden ingedrukt.
4
Fig 130
4
Fig 131
188
Aanpassing van de rijstijl: Herstel
default instellingen (ALL DEFAULT)
Met deze functie kunnen de door Ducati ingestelde
standaardwaarden van de parameters ENGINE,
DTC, ABS en DQS van alle rijstijlen worden hersteld.
Open het SETTING MENU.
Kies de aanduiding RIDING MODE met behulp van
de knop (1) of de knop (2).
Druk op de knop (4) als u de functie aangegeven
heeft.
U opent het menu RIDING MODE.
Selecteer de menu-optie DEFAULT met de knop (1)
of de knop (2). De menu-optie gaat knipperen.
1
24
Fig 132
1
24
Fig 133
189
PIN CODE activeren
Open het SETTING MENU om de PINCODE te
activeren en uw persoonlijke pincode in te voeren.
Kies de aanduiding "PIN CODE" met behulp van de
knop (1) of de knop (2).
Druk op de knop (4) als u de functie aangegeven
heeft.
Opmerkingen
Als bij de betreding van deze functie de
aanduiding "OLD:" en vier knipperende streepjes "- -
- -" worden weergegeven, dan is reeds een pincode
aanwezig en is de functie dus reeds geactiveerd.
1
24
Fig 135
192


Product specificaties

Merk: Ducati
Categorie: Motor
Model: Multistrada V2 S Travel (2022)

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Ducati Multistrada V2 S Travel (2022) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden




Handleiding Motor Ducati

Handleiding Motor

Nieuwste handleidingen voor Motor